ΗΣΑΙΑΣ 47
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΤΑΒΗΘΙ, κάθισον ἐπὶ τὴν γῆν, παρθένος, θυγάτηρ Βαβυλῶνος, εἴσελθε εἰς τὸ σκότος, θυγάτηρ Χαλδαίων, ὅτι οὐκέτι προστεθήσῃ κληθῆναι ἁπαλὴ καὶ τρυφερά.
1Kom af, zet u neer in het stof, Gij jonkvrouw, dochter van Babel; Zit neer op de grond, zonder troon, Gij dochter van de Chaldeën; Want niet langer zal men u noemen Verwend en vertroeteld.
2λάβε μύλον, ἄλεσον ἄλευρον, ἀποκάλυψαι τὸ κατακάλυμμά σου, ἀνακάλυψαι τὰς πολιάς, ἀνάσυρε τὰς κνήμας, διάβηθι ποταμούς·
2Ga de handmolen halen, om meel te malen, Doe uw sluier af, uw sleep omhoog; Ontbloot uw benen, Om door stromen te waden,
3ἀνακαλυφθήσεται ἡ αἰσχύνη σου, φανήσονται οἱ ὀνειδισμοί σου· τὸ δίκαιον ἐκ σοῦ λήψομαι, οὐκέτι μὴ παραδῶ ἀνθρώποις.
3Naakt zij uw schaamte, Uw schande te pronk! Wraak zal Ik nemen, onverbiddelijk, spreekt onze Redder,
4εἶπεν ὁ ρυσάμενός σε Κύριος σαβαώθ, ὄνομα αὐτῷ ἅγιος Ἰσραήλ·
4Israëls Heilige, Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
5κάθισον κατανενυγμένη, εἴσελθε εἰς τὸ σκότος, θυγάτηρ Χαλδαίων, οὐκέτι μὴ κληθήσῃ ἰσχὺς βασιλείας.
5Houd u maar stil, en ga in de duisternis zitten, Dochter van de Chaldeën; Want nooit meer zal men u noemen De souverein van koninkrijken!
6παρωξύνθην ἐπὶ τῷ λαῷ μου, ἐμίανας τὴν κληρονομίαν μου· ἐγὼ ἔδωκα αὐτοὺς εἰς τὴν χεῖρά σου, σὺ δὲ οὐκ ἔδωκας αὐτοῖς ἔλεος, τοῦ πρεσβυτέρου ἐβάρυνας τὸν ζυγὸν σφόδρα.
6Omdat Ik op mijn volk was vergramd, Heb Ik mijn erfdeel ontwijd, in uw handen geleverd. Maar gij hebt hun geen medelijden getoond, Zelfs op grijsaards zwaar uw juk laten drukken.
7καὶ εἶπας· εἰς τὸν αἰῶνα ἔσομαι ἄρχουσα· οὐκ ἐνόησας ταῦτα ἐν τῇ καρδίᾳ σου, οὐδὲ ἐμνήσθης τὰ ἔσχατα.
7Gij hebt gezegd: Souverein zal ik zijn voor altijd en eeuwig, Uw einde kwam niet eens bij u op, gij dacht er niet aan.
8νῦν δὲ ἄκουε ταῦτα, ἡ τρυφερά, ἡ καθημένη πεποιθυῖα, ἡ λέγουσα ἐν καρδίᾳ αὐτῆς· ἐγώ εἰμι, καὶ οὐκ ἔστιν ἑτέρα· οὐ καθιῶ χήρα οὐδὲ γνώσομαι ὀρφανίαν.
8Hoor dan, wellustige, Die zorgeloos neerzit; Die denkt bij uzelf: Dat ben ik, en geen ander; Nooit blijf ik als weduwe zitten, Nooit zal ik zonder kinderen zijn.
9νῦν δὲ ἥξει ἐπὶ σὲ τὰ δύο ταῦτα ἐξαίφνης ἐν ἡμέρᾳ μιᾶ· ἀτεκνία καὶ χηρεία ἥξει ἐξαίφνης ἐπὶ σὲ ἐν τῇ φαρμακείᾳ σου, ἐν τῇ ἰσχύϊ τῶν ἐπαοιδῶν σου σφόδρα,
9Maar juist deze twee rampen zullen u treffen, Plotseling, op één enkele dag; Kinderloosheid en weduwschap Zullen in al haar zwaarte op u vallen: Ondanks uw talloze toverkunsten, En de grote macht van uw bezweerders.
10τῇ ἐλπίδι τῆς πονηρίας σου· σὺ γὰρ εἶπας· ἐγώ εἰμι, καὶ οὐκ ἔστιν ἑτέρα. γνῶθι, ὅτι ἡ σύνεσις τούτων καὶ ἡ πορνεία σου ἔσται σοι αἰσχύνη. καὶ εἶπας τῇ καρδίᾳ σου· ἐγώ εἰμι, καὶ οὐκ ἔστιν ἑτέρα.
10Ge hebt op uw boosheid vertrouwd, En gezegd: Niemand doorziet mij. Uw wijsheid en kunde Hebben u op een dwaalspoor gebracht; Zodat ge dacht bij uzelf: Dat ben ik, en geen ander!
11καὶ ἥξει ἐπὶ σὲ ἀπώλεια, καὶ οὐ μὴ γνῷς, βόθυνος, καὶ ἐμπεσῇ εἰς αὐτόν· καὶ ἥξει ἐπὶ σὲ ταλαιπωρία, καὶ οὐ μὴ δυνήσῃ καθαρὰ γενέσθαι· καὶ ἥξει ἐπὶ σὲ ἐξ ἀπίνης ἀπώλεια, καὶ οὐ μὴ γνῷς.
11Maar een onheil zal over u komen, Dat ge niet weet weg te toveren; Een ramp op u vallen, Die ge niet kunt bezweren; Plotseling een vernieling u treffen, Geheel onverwacht!
12στῆθι νῦν ἐν ταῖς ἐπαοιδαῖς σου καὶ ἐν τῇ πολλῇ φαρμακείᾳ σου, ἃ ἐμάνθανες ἐκ νεότητός σου, εἰ δυνήσῃ ὠφεληθῆναι.
12Houd maar vol met uw bezweringen En met uw talloze toverkunsten, Waarmee ge u hebt afgesloofd Van uw prilste jeugd. Misschien nog kunt ge er baat bij vinden, Of jaagt ge er anderen schrik mee aan.
13κεκοπίακας ἐν ταῖς βουλαῖς σου· στήτωσαν δὴ καὶ σωσάτωσάν σε οἱ ἀστρολόγοι τοῦ οὐρανοῦ, οἱ ὁρῶντες τοὺς ἀστέρας ἀναγγειλάτωσάν σοι τί μέλλει ἐπὶ σὲ ἔρχεσθαι.
13Ge hebt u vermoeid met uw vele beraders, Laat ze nu opstaan; Laat ze u redden, de hemelbezweerders, En sterrenkijkers, Die u elke maand laten weten, Wat er voor u zal gebeuren.
14ἰδοὺ πάντες ὡς φρύγανα ἐπὶ πυρὶ κατακαυθήσονται καὶ οὐ μὴ ἐξέλωνται τὴν ψυχὴν αὐτῶν ἐκ φλογός· ὅτι ἔχεις ἄνθρακας πυρός, κάθισαι ἐπ᾿ αὐτούς.
14Zie, ze worden als kaf, Dat het vuur zal verbranden; Ze kunnen zichzelf niet redden Uit de greep van de vlammen. Neen, ‘t is geen vuur, om zich te warmen, Geen haard, om er voor te gaan zitten.
15οὗτοι ἔσονταί σοι βοήθεια, ἐκοπίασας ἐν τῇ μεταβολῇ ἐκ νεότητος, ἄνθρωπος καθ᾿ ἑαυτὸν ἐπλανήθη, σοὶ δὲ οὐκ ἔσται σωτηρία.
15Dat hebt ge nu van uw bezweerders, En van uw tovenaars, zonder tal, Waarmee ge u hebt afgesloofd Van uw prilste jeugd: Ze stuiven langs alle kanten uiteen, Niet één, die u redt!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.