ΗΣΑΙΑΣ 63
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΤΙΣ οὗτος ὁ παραγενόμενος ἐξ Ἐδώμ, ἐρύθημα ἱματίων ἐκ Βοσόρ, οὕτως ὡραῖος ἐν στολῇ βίᾳ μετὰ ἰσχύος; ἐγὼ διαλέγομαι δικαιοσύνην καὶ κρίσιν σωτηρίου.
1Wie is het, die van Edom komt, In bloedrode kleren van Bosra, Stralend in zijn feestgewaad, Fier in zijn geweldige kracht? Ik ben het, wiens woord gerechtigheid is, Die machtig is, om te redden!
2διατί σου ἐρυθρὰ τὰ ἱμάτια καὶ τὰ ἐνδύματά σου ὡς ἀπὸ πατητοῦ ληνοῦ;
2Waarom is dan uw feestgewaad rood, Uw kleren, alsof Gij de wijnpers treedt?
3πλήρης καταπεπατημένης, καὶ τῶν ἐθνῶν οὐκ ἔστιν ἀνὴρ μετ᾿ ἐμοῦ, καὶ κατεπάτησα αὐτοὺς ἐν θυμῷ μου καὶ κατέθλασα αὐτοὺς ὡς γῆν καὶ κατήγαγον τὸ αἷμα αὐτῶν εἰς γῆν.
3Ik, Ik alleen heb de wijnpers getreden, En geen enkel volk stond Mij bij; Ik heb ze vertreden in mijn toorn, Ze vertrapt in mijn gramschap. Toen spatte hun bloed op mijn kleren, En besmeurde Ik heel mijn gewaad;
4ἡμέρα γὰρ ἀνταποδόσεως ἐπῆλθεν αὐτοῖς, καὶ ἐνιαυτὸς λυτρώσεως πάρεστι.
4Want Ik had een dag van wraak beraamd, Gekomen was mijn jaar van verlossing!
5καὶ ἐπέβλεψα, καὶ οὐδεὶς βοηθός· καὶ προσενόησα, καὶ οὐθεὶς ἀντελαμβάνετο· καὶ ἐρρύσατο αὐτοὺς ὁ βραχίων μου, καὶ ὁ θυμός μου ἐπέστη.
5Ik keek rond: Geen helper daar! Stond verbaasd: Er was niemand, die steunde! Toen heeft mijn eigen arm Mij geholpen, En mijn gerechtigheid Mij gesteund.
6καὶ κατεπάτησα αὐτοὺς τῇ ὀργῇ μου καὶ κατήγαγον τὸ αἷμα αὐτῶν εἰς γῆν.
6Ik vertrapte de volkeren in mijn toorn, Maakte ze dronken van mijn gramschap; En Ik liet hun bloed Op de aarde stromen!
7Τὸν ἔλεον Κυρίου ἐμνήσθην, τὰς ἀρετὰς Κυρίου ἐν πᾶσιν, οἷς ἡμῖν ἀνταποδίδωσι· Κύριος κριτὴς ἀγαθὸς τῷ οἴκῳ Ἰσραήλ, ἐπάγει ἡμῖν κατὰ τὸ ἔλεος αὐτοῦ καὶ κατὰ τὸ πλῆθος τῆς δικαιοσύνης αὐτοῦ.
7Ik wil de gunsten van Jahweh herdenken, De roemruchte werken van Jahweh: Al wat Jahweh voor ons heeft gedaan, Zijn grote goedheid voor Israëls huis; Wat Hij in zijn ontferming voor ons deed, En naar de volheid van zijn genade;
8καὶ εἶπεν· οὐχ ὁ λαός μου τέκνα οὐ μὴ ἀθετήσωσι; καὶ ἐγένετο αὐτοῖς εἰς σωτηρίαν
8Hoe Hij zeide: Ze zijn toch mijn volk, Kinderen, die hun trouw niet verbreken!
9ἐκ πάσης θλίψεως αὐτῶν. οὐ πρέσβυς οὐδὲ ἄγγελος, ἀλλ᾿ αὐτὸς Κύριος ἔσωσεν αὐτοὺς διὰ τὸ ἀγαπᾶν αὐτοὺς καὶ φείδεσθαι αὐτῶν· αὐτὸς ἐλυτρώσατο αὐτοὺς καὶ ἀνέλαβεν αὐτοὺς καὶ ὕψωσεν αὐτοὺς πάσας τὰς ἡμέρας τοῦ αἰῶνος.
9Hij was hun een Redder in al hun benauwdheid; Geen bode of engel: Hijzelf heeft ze gered. In zijn liefde en ontferming heeft Hij zelf ze verlost, Hen opgenomen, gedragen heel de vroegere tijd.
10αὐτοὶ δὲ ἠπείθησαν καὶ παρώξυναν τὸ πνεῦμα τὸ ἅγιον αὐτοῦ· καὶ ἐστράφη αὐτοῖς εἰς ἔχθραν, καὶ αὐτὸς ἐπολέμησεν αὐτούς.
10Maar zij waren weerspannig, En bedroefden zijn heilige geest; Zo is Hij hun vijand geworden, Heeft Hij zelf ze bestreden.
11καὶ ἐμνήσθη ἡμερῶν αἰωνίων ὁ ἀναβιβάσας ἐκ τῆς γῆς τὸν ποιμένα τῶν προβάτων· ποῦ ἔστιν ὁ θεὶς ἐν αὐτοῖς τὸ πνεῦμα τὸ ἅγιον;
11Toen dacht zijn volk aan de vroegere dagen, Aan de dagen van Moses! Waar blijft Hij, die uit de wateren trok Den herder zijner kudde? Waar blijft Hij, die in diens hart Zijn heilige geest heeft gelegd;
12ὁ ἀγαγὼν τῇ δεξιᾷ Μωυσῆν, ὁ βραχίων τῆς δόξης αὐτοῦ; κατίσχυσεν ὕδωρ ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ ποιῆσαι ἑαυτῷ ὄνομα αἰώνιον.
12Die Moses met zijn rechterhand heeft geleid, En met zijn heerlijke arm? Die voor hen uit de wateren kliefde, Om zich een eeuwige naam te bereiden;
13ἤγαγεν αὐτοὺς διὰ τῆς ἀβύσσου ὡς ἵππον δι᾿ ἐρήμου, καὶ οὐκ ἐκοπίασαν.
13Hen door de watervloeden deed gaan, Zonder te struikelen, als een ros over de steppe?
14καὶ ὡς κτήνη διὰ πεδίου, κατέβη πνεῦμα παρὰ Κυρίου καὶ ὡδήγησεν αὐτούς· οὕτως ἥγαγες τὸν λαόν σου ποιῆσαι σεαυτῷ ὄνομα δόξης.
14Als een kudde, die naar de vlakte daalt, Heeft Jahweh’s geest hen geleid; Zó hebt Gij uw volk willen leiden, Dat Gij u een heerlijke naam hebt bereid!
15Ἐπίστρεψον ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἰδὲ ἐκ τοῦ οἴκου τοῦ ἁγίου σου καὶ δόξης· ποῦ ἐστιν ὁ ζῆλός σου καὶ ἡ ἰσχύς σου; ποῦ ἐστι τὸ πλῆθος τοῦ ἐλέους σου καὶ τῶν οἰκτιρμῶν σου, ὅτι ἀνέσχου ἡμῶν;
15Ach, blik neer uit de hemel, Zie neer uit uw heilige en heerlijke woning! Waar blijft nu uw ijver en kracht, uw ontroering, ontferming?
16σὺ γὰρ εἶ πατὴρ ἡμῶν, ὅτι Ἁβραὰμ οὐκ ἔγνω ἡμᾶς, καὶ Ἰσραὴλ οὐκ ἐπέγνω ἡμᾶς, ἀλλὰ σύ, Κύριε, πατὴρ ἡμῶν· ρῦσαι ἡμᾶς, ἀπ᾿ ἀρχῆς τὸ ὄνομά σου ἐφ᾿ ἡμᾶς ἐστι.
16Onthoud ze ons niet: want Gij zijt onze Vader! Neen, Abraham kent ons niet eens, En Israël herkent ons niet meer; Maar Gij, Jahweh, blijft onze Vader, Gij heet onze Verlosser van ouds!
17τί ἐπλάνησας ἡμᾶς, Κύριε, ἀπὸ τῆς ὁδοῦ σου; ἐσκλήρυνα τὰς καρδίας ἡμῶν τοῦ μὴ φοβεῖσθαί σε; ἐπίστρεψον διὰ τοὺς δούλους σου, διὰ τὰς φυλὰς τῆς κληρονομίας σου,
17Waarom, Jahweh, hebt Gij ons van uw wegen laten verdwalen, Ons hart afgestompt, om U niet te vrezen? Ach, Heer, keer terug omwille van uw dienaars, Terwille van de stammen, die uw erfdeel zijn.
18ἵνα μικρὸν κληρονομήσωμεν τοῦ ὄρους τοῦ ἁγίου σου, οἱ ὑπεναντίοι ἡμῶν κατεπάτησαν τὸ ἁγίασμά σου.
18Waarom hebben de goddelozen uw tempel beschimpt, Onze vijanden uw heilige woning vertreden;
19ἐγενόμεθα ὡς τὸ ἀπ᾿ ἀρχῆς, ὅτε οὐκ ἦρξας ἡμῶν οὐδὲ ἐπεκλήθη τὸ ὄνομά σου ἐφ᾿ ἡμᾶς.
19Zijn wij geworden, als hadt Gij nooit over ons geregeerd, Als waren wij nooit naar U genoemd?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.