ΗΣΑΙΑΣ 57
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΙΔΕΤΕ ὡς ὁ δίκαιος ἀπώλετο, καὶ οὐδεὶς ἐκδέχεται τῇ καρδίᾳ, καὶ ἄνδρες δίκαιοι αἴρονται, καὶ οὐδεὶς κατανοεῖ. ἀπὸ γὰρ προσώπου ἀδικίας ἦρται ὁ δίκαιος·
1Intussen komt de rechtvaardige om, En er is niemand, die er op let; Worden de vromen weggerukt, En er is niemand, die inziet: Dat de rechtvaardige aan onheil ontrukt wordt,
2ἔσται ἐν εἰρήνῃ ἡ ταφὴ αὐτοῦ, ᾖρται ἐκ τοῦ μέσου
2En heengaat in vrede; Dat hij op zijn rustplaats gaat rusten, Die de rechte weg heeft bewandeld.
3ὑμεῖς δὲ προσαγάγετε ὧδε, υἱοὶ ἄνομοι, σπέρμα μοιχῶν καὶ πόρνης·
3En gij, komt gij maar eens hier Gij heksenwichten, Ras van overspeler en hoer!
4ἐν τίνι ἐνετρυφήσατε; καὶ ἐπὶ τίνα ἠνοίξατε τὸ στόμα ὑμῶν; καὶ ἐπὶ τίνα ἐχαλάσατε τὴν γλῶσσαν ὑμῶν; οὐχ ὑμεῖς ἐστε τέκνα ἀπωλείας; σπέρμα ἄνομον;
4Over wien waagt ge het, u vrolijk te maken, Tegen wien de mond op te zetten, En uw tong uit te steken? Zijt ge geen kinderen der zonde, En leugenbroed?
5οἱ παρακαλοῦντες εἴδωλα ὑπὸ δένδρα δασέα, σφάζοντες τὰ τέκνα αὐτῶν ἐν ταῖς φάραγξιν ἀναμέσον τῶν πετρῶν.
5Gij ligt verhit van lust bij de eiken En onder elke groene boom; Gij slacht de kinderen in de dalen, En in de spelonken der rotsen.
6ἐκείνη σου ἡ μερίς, οὗτός σου ὁ κλῆρος, κἀκείνοις ἐξέχεας σπονδὰς κἀκείνοις ἀνήνεγκας θυσίας· ἐπὶ τούτοις οὖν οὐκ ὀργισθήσομαι;
6De glibberige stenen in het dal zijn uw deel, Die behoren u toe; Daarop giet gij uw plengoffer uit, en breng gij uw gave: En zou Ik er genoegen mee nemen?
7ἐπ᾿ ὄρος ὑψηλὸν καὶ μετέωρον, ἐκεῖ σου ἡ κοίτη, καὶ ἐκεῖ ἀνεβίβασας θυσίας σου.
7Op grote en hoge bergen Hebt gij uw leger gespreid; Daar klimt gij omhoog, Om uw offers te brengen.
8καὶ ὀπίσω τῶν σταθμῶν τῆς θύρας σου ἔθηκας μνημόσυνά σου· ᾤου ὅτι ἐὰν ἀπ᾿ ἐμοῦ ἀποστῇς, πλεῖόν τι ἕξεις· ἠγάπησας τοὺς κοιμωμένους μετὰ σοῦ
8En achter deuren en posten Zet gij uw man-beeld; Uw dek slaat gij op, en beklimt het, En maakt er plaats voor in bed. Gij koopt voor u Wier bijslaap gij wenst; Gij bedrijft er veel overspel mee, En kijkt naar hun schaamte.
9καὶ ἐπλήθυνας τὴν πορνείαν σου μετ᾿ αὐτῶν καὶ πολλοὺς ἐποίησας τοὺς μακρὰν ἀπὸ σοῦ καὶ ἀπέστειλας πρέσβεις ὑπὲρ τὰ ὅριά σου καὶ ἀπέστρεψας καὶ ἐταπεινώθης ἕως ᾅδου.
9Gij zalft u met olie voor Molok, Met alle soorten van balsem; En zendt uw boden naar verre gewesten, Naar de diepten zelfs van het dodenrijk.
10ταῖς πολιοδίαις σου ἐκοπίασας καὶ οὐκ εἶπας· παύσομαι ἐνισχύουσα, ὅτι ἔπραξας ταῦτα, διὰ τοῦτο οὐ κατεδεήθης μου σύ.
10En als ge uitgeput zijt door uw jachten, Dan zegt ge nog niet: Ik houd er mee op; Ge vindt bevrediging in uw lust, En daarom geeft ge ‘t niet op.
11τίνα εὐλαβηθεῖσα ἐφοβήθης καὶ ἐψεύσω με καὶ οὐκ ἐμνήσθης μου, οὐδὲ ἔλαβές με εἰς τὴν διάνοιαν οὐδὲ εἰς τὴν καρδίαν σου; καὶ ἐγώ σε ἰδὼν παρορῶ, καὶ ἐμὲ οὐκ ἐφοβήθης.
11Wien vreest ge nog, wien ducht ge nog, Dat ge zo trouweloos zijt, En aan Mij niet meer denkt, U om Mij niet bekommert? Is het misschien, omdat Ik zweeg en mijn ogen sloot, Dat ge geen angst voor Mij hadt?
12καὶ ἐγὼ ἀπαγγελῶ τὴν δικαιοσύνην μου καὶ τὰ κακά σου, ἃ οὐκ ὠφελήσει σε.
12Dan stel Ik thans uw gerechtigheid aan de kaak, Met uw werken daarbij;
13ὅταν ἀναβοήσῃς, ἐξελέσθωσάν σε ἐν τῇ θλίψει σου· τούτους γὰρ πάντας ἄνεμος λήψεται καὶ ἀποίσει καταιγίς. οἱ δὲ ἀντεχόμενοί μου κτήσονται γῆν καὶ κληρονομήσουσι τὸ ὄρος τὸ ἅγιόν μου.
13Dan zal uw godentroep u niet baten, En u niet redden, als ge roept; De wind neemt ze allemaal op, Een zucht vaagt ze weg! Maar wie op Mij vertrouwt, zal het Land ontvangen, En mijn heilige Berg bezitten;
14καὶ ἐροῦσι· καθαρίσατε ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ ὁδοὺς καὶ ἄρατε σκῶλα ἀπὸ τῆς ὁδοῦ τοῦ λαοῦ μου.
14Ik zal zeggen: Baant, baant, effent het pad, Neemt het struikelblok weg van het pad van mijn volk.
15Τάδε λέγει Κύριος ὁ Ὓψιστος, ὁ ἐν ὑψηλοῖς κατοικῶν τὸν αἰῶνα, ἅγιος ἐν ἁγίοις ὄνομα αὐτῷ, Κύριος Ὓψιστος ἐν ἁγίοις ἀναπαυόμενος καὶ ὀλιγοψύχοις διδοὺς μακροθυμίαν καὶ διδοὺς ζωὴν τοῖς συντετριμμένοις τὴν καρδίαν·
15Waarachtig, zo spreekt de Allerhoogste, Hij, die hoog is verheven; Die in eeuwigheid troont, En de Heilige heet! Ik woon in een hoge en heilige woning, Maar ook bij de vermorzelde, ootmoedige geest: Om de geest der ootmoedigen ten leven te wekken, Het hart der vermorzelden weer te doen leven.
16οὐκ εἰς τὸν αἰῶνα ἐκδικήσω ὑμᾶς, οὐδὲ διαπαντὸς ὀργισθήσομαι ὑμῖν· πνεῦμα γὰρ παρ᾿ ἐμοῦ ἐξελεύσεται καὶ πνοὴν πᾶσαν ἐγὼ ἐποίησα.
16Neen, niet eeuwig blijf Ik vergramd, Niet altoos vertoornd; Want dàn zou hun geest voor mijn aanschijn versmachten, De zielen, die Ik zelf heb geschapen.
17δι᾿ ἁμαρτίαν βραχύ τι ἐλύπησα αὐτὸν καὶ ἐπάταξα αὐτὸν καὶ ἀπέστρεψα τὸ πρόσωπόν μου ἀπ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἐλυπήθη καὶ ἐπορεύθη στυγνὸς ἐν ταῖς ὁδοῖς αὐτοῦ.
17In mijn gramschap heb Ik mijn aanschijn verborgen, Zodat hij ging dolen, waar ‘t hart hem dreef.
18τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ ἑώρακα καὶ ἰασάμην αὐτὸν καὶ παρεκάλεσα αὐτὸν καὶ ἔδωκα αὐτῷ παράκλησιν ἀληθινήν,
18Maar nu heb Ik zijn wegen gezien: Ik zal hem genezen en leiden; Hèm troosten, en die met hem treuren,
19εἰρήνην ἐπ᾿ εἰρήνῃ τοῖς μακρὰν καὶ τοῖς ἐγγὺς οὖσι. καὶ εἶπε Κύριος· ἰάσομαι αὐτούς,
19Een danklied op de lippen leggen. Vrede, vrede, voor hem die ver is, En voor hem, die nabij is: Spreekt Jahweh: Ik zal hem genezen!
20οἱ δὲ ἄδικοι οὕτως κλυδωνισθήσονται καὶ ἀναπαύσασθαι οὐ δυνήσονται.
20Maar de bozen zijn als een onstuimige zee, Die nimmer eens tot rust kan komen, Wier golven slijk en modder braken:
21οὐκ ἔστι χαίρειν τοῖς ἀσεβέσιν, εἶπε Κύριος ὁ Θεός.
21Geen vrede voor de goddelozen, spreekt Jahweh!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.