Ісаїї
Chapter 44
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ісаїї 44

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1А тепер слухай, кметю мій, Якове й вибраний мій, Ізраїлю.
1Maar hoor nu, Jakob. mijn dienaar, Israël, dien Ik heb uitverkoren;
2Так говорить Господь, що тебе вибрав і зʼобразовав, та допомагав тобі, відколи мати на сьвіт народила: Не бійся, мій кметю Якове, любий, вибраний Ізраїлю;
2Zo spreekt Jahweh, uw Schepper, Die u vormde en hielp van de moederschoot af: Vrees niet, Jakob, mijn dienaar, Jesjoeroen, dien Ik heb uitverkoren!
3Я бо вилию води на жадібне, пущу потоки на те, що висхло; вилию духа мого на твоє насїннє, й благословеннє моє на твоє потомство.
3Ja, Ik giet water over den smachtende uit, En stromen over het droge: Mijn geest stort Ik uit op uw kroost, Mijn zegen over uw spruiten;
4І будуть рости, як би в зільнику, як верба над водою.
4Ze zullen tieren als gras aan de beken, Als wilgen aan de kabbelende wateren!
5Один скаже: Я — Господень, назве себе імям Якова, а инший напише своєю рукою: Я — Господень, і прізве себе імям Ізраїля.
5De één zal zeggen: Ik ben van Jahweh! De ander zich noemen Met Jakobs Naam! Een derde schrijft op zijn hand: “Van Jahweh”, En neemt de naam van Israël aan!
6Се глаголе Господь, царь Ізрайлїв, і його відкупитель, Господь сил: Я первий, я й останній; крім мене нема Бога.
6Zo spreekt Jahweh, Israëls Koning, Jahweh der heirscharen, zijn Verlosser! Ik ben de Eerste en de Laatste; Buiten Mij is geen god.
7Хто ж бо рівня менї? нехай виступить, скаже й за порядком розповість усе з того часу, як я сотворив людей в давнину, та нехай звістить, що постане, що буде.
7Wie is aan Mij gelijk: Hij trede vooruit; Laat het hem zeggen, en zich met Mij meten! Wie heeft van oudsher de toekomst voorzegd, En u voorspeld de dingen die komen?
8Не бійтесь і не лякайтесь. Хиба ж я з давна не вістив, не прорікав вам? Ви сьвідки мої. Чи ж є ще Бог крім мене? Нї, нема иншої твердинї; я нїякої не знаю.
8Neen, loochent het niet, Misleidt u niet! Heb Ik ze niet tevoren verkondigd, En ze u laten horen! Gij zijt mijn getuigen: Is er een god buiten Mij, Een rots soms, die Ik niet ken?
9Ті, що роблять боги — всї вони ледачі; а найлюбійші їм не приносять нїякої користї; на се вони самі собі сьвідками. Вони нїчого не бачать і не розуміють, тим то вони й осоромляться.
9Neen, de beeldenmakers zijn allemaal niets, En hun lievelingsbeelden dienen tot niets. Hùn getuigen kunnen niet zien, Begrijpen niets, tot hun eigen beschaming.
10Хто зробив бога й вилив ідола, що з його хісна нема?
10Wie een god heeft gemaakt, en een beeld heeft gegoten, Zal er geen enkel voordeel uit trekken.
11Всї спільники в тому окриються соромом, бо й самі містецї — вони ж ізміж людей; нехай би всї зібрались і стали; вони злякаються й застидаються.
11Zie, die ze volgen, zullen zich schamen, En die ze maken, zijn mensen; Laat ze allen maar komen, naar voren treden: Ze zullen sidderen, met schande bedekt!
12Коваль робить із залїза сокиру при огнї з вугля; та при тому оброблює й його, й працює над ним сильною рукою, а з голоду аж упадає на силах; не пє води, з утоми вмлїває.
12De smid bewerkt het met zijn moker, En smeedt het in gloeiende kolen; Hij fatsoeneert het met hamers, En beukt het met krachtige arm. Maar dan krijgt hij honger, is aan ‘t eind van zijn krachten, En drinkt hij geen water, dan versmacht hij van dorst.
13Тесля, шнур напявши, значить міру; гострим знарядом обзначує дерево; потім оброблює його стругом та заокруглює, і так витворює подобину людини гарного виду, щоб уставити його в домі.
13De timmerman legt het meetsnoer aan, En tekent het uit met zijn stift; Hij bewerkt het met beitels, Meet het af met de passer. Zo geeft hij het een mensengestalte Naar een mooi mensenmodel. En om het een woning te geven,
14Він зрубує собі кедри, бере дуба, чи сосну, що йому в дуброві знадобляться, або ясеня, що самий його насадив, а дощик зростив;
14Hakt men ceders omver, Haalt pijnboom en eik; Men beproeft zijn kracht op de bomen van het woud, Die de mens had geplant, En de regen deed groeien.
15Се служить йому за топливо й про огріток, запалює огонь і пече хлїб собі. Та з того ж самого вироблює він і бога й бє перед ним поклони; вироблює ідола, й припадає перед ним навколїшки.
15De mens gebruikt het voor brandhout, Neemt er een deel van, om zich te warmen, Of verstookt het, om er brood mee te bakken. Van de rest maakt hij een afgod, om te aanbidden, Snijdt er een beeld uit, En knielt er voor neer.
16Частину він спалить ув огнї; при другий частинї пече печеню й їсть до ситу та гріється, й приговорює: добре я загрівся, почув тепло від огню.
16De helft verbrandt hij in vuur, Op de houtskool roostert hij vlees om te eten; Is hij verzadigd, dan gaat hij zich warmen, en zegt: Ha, ik ben warm en voel vuur!
17А з останку дров робить собі бога, ідола свого; бє поклони перед ним, припадає ниць перед ним, молиться до його й говорить: Спаси мене, бо ти бог мій!
17Van het overschot maakt hij een afgod, Een beeld, waarvoor hij kan knielen. Dan werpt hij zich aanbiddend neer, En zegt: Kom mij te hulp; Want gij zijt mijn god!
18Не знають бо й не бачать, бо їм очі затулено, щоб слїпом слїпували, й однято розум.
18Ze verstaan het niet, en hebben geen inzicht; Er ligt een waas op hun ogen, zodat ze niet zien, Op hun harten, die er niets van begrijpen.
19І не візьме собі такий до серця, нема в його стілько знання й розуму, щоб собі сказати: Та ж половину з того спалив я в огнї, а на жарі спік хлїб та печеню і зʼїв те; хиба ж тепер із останку зроблю собі гидоту? Хиба стану бити поклони перед полїном?
19Men denkt er niet verder op na, En ziet het niet eens; Men heeft geen oordeel genoeg om te zeggen: Ik heb de helft in vuur verbrand, Brood op de houtskool gebakken, Vlees geroosterd en opgegeten. Van het overschot maak ik een gruwel, Voor een blok hout kniel ik neer,
20Він уганяє за порохом, серце завело його на манївцї, і тяжко йому приходиться, визволити душу свою й сказати; а може се омана в правицї моїй?
20Wat enkel stof is, jaag ik na! Hun afgedwaald hart verleidt hen er toe; Men kan er zich niet aan onttrekken, en zeggen: Houd ik geen leugen in mijn hand?
21Згадай про се, Якове й Ізраїлю, ти ж бо — раб мій; я тебе приспособив собі; ти слуга мій, Ізраїлю; не забувай же про мене!
21Jakob, denk aan dit alles; Israël, want gij zijt mijn dienaar, Ik heb u geschapen, om Mij te dienen; Israël, vergeet Mij toch niet!
22Розжену, мов туман, твої беззаконня, мов ту хмару, — гріхи твої.
22Als een nevel vaag Ik uw misdaden weg, als een wolk uw zonden; Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost!
23Звеселїтеся ж, ви, небеса, про Господнє дїло; викликайте, глибинї земні; зашуміте радісно, ви гори з гаями й борами своїми; відкупив бо Господь Якова й прославиться в Ізраїлї.
23Jubelt hemelen, want Jahweh heeft het gedaan; Juicht, gij diepten der aarde; Bergen, schalt uw jubelzang uit, Gij woud met al uw geboomte: Want Jahweh heeft Jakob verlost, En Israël zijn glorie getoond!
24От, що говорить Господь, що викупив тебе та приспособив тебе з малку, з лоня матїрнього: Я — Господь: я сотворив усе; я один розпростер небеса й своєю силою утвердив землю;
24Zo spreekt Jahweh, uw Verlosser, Die u vormde van de moederschoot af: Ik ben Jahweh, die alles gemaakt heeft, Die de hemelen spande, Ik alleen; Die de aarde grondde: Wie stond Mij bij?
25Я обертаю в нїщо ворожбу віщунів льживих; відкриваю безглузддє чарівників; прогоню в зад тих мудрецїв, і виявлюю, що все знаннє їх — дурощі;
25Die de tekens der zieners verijdelt, De voorspellers als zotten laat staan; Die de wijzen doet vluchten, Hun wetenschap tot dwaasheid maakt;
26Я розбуджую слово у слуги мого; я се чиню, що віщування посланцїв моїх вірно спевняються; се я говорю Ерусалимові: Ти знов заселишся, а містам Юдиним: Ви будете одбудовані й розвалища ваші я відстановлю;
26Maar die het woord van zijn dienaars gestand doet, En de raad van zijn boden volbrengt. Die tot Jerusalem spreekt: Gij moet worden bewoond; Tot de tempel zegt: Gij moet worden gegrond; Tot de steden van Juda: Gij moet worden gebouwd, Ik richt haar puinen weer op.
27Я велю глибенї: зʼсякни, й ріки твої я висушу;
27Die tot de afgrond spreekt: Droog uit, Uw stromen laat Ik verzanden;
28Я скажу Кирові: Мій пастирю, й вволить він волю мою, та й скаже Ерусалимові: будеш одбудований, а храму: будеш знов построєний!
28Hij is het, die tot Cyrus spreekt: Mijn vriend, die heel mijn wil zal volbrengen, En tot Jerusalem zal zeggen: Gij moet worden herbouwd; Tot de tempel: Gij moet worden gegrond!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.