Ісаїї 65
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Я дав пізнати себе тим, що про мене не питались; мене знайшли такі, що мене не шукали. Ось я! ось я! сказав я народові, що не звав себе моїм іменем.
1Ik was bezorgd voor wie Mij niet vroegen, Liet Mij vinden door wie Mij niet zochten; Ik zeide: Hier ben Ik; hier ben Ik! Tot een volk, dat mijn Naam niet eens aanriep.
2По всяк день простягав я руки мої до народу неслухняного, що ходив путями лихими, по своїй вподобі,
2Heel de dag hield Ik mijn handen gestrekt Naar een onhandelbaar volk, Dat verkeerde wegen bewandelt, Zijn eigen nukken volgt;
3До народу, що мене безнастанно в лице зневажає, бо приносить жертви по садах та палить кадило на цеглї;
3Naar een volk, dat Mij tergt Aldoor voor mijn aanschijn. Dat offers opdraagt in tuinen, En wierook offert op stenen;
4Що седить у гробах, та в печерах ночи проводить; їсть свинину, а гидка юшка в посудах його;
4Dat in grafmonumenten blijft hokken, In geheime spelonken overnachten; Dat zwijnevlees eet, Wiens schotels vol zijn van onreine brokken;
5Що говорить: Стій здалека, не наближуйся до мене, бо я сьвятий проти тебе! Вони — дим їдкий для мого носа, — огонь, що по всяк день горить.
5Dat zegt: Blijf waar gij zijt, En raak me niet aan, anders maak ik u heilig! Ja, zij zijn de rook in mijn neus, Het vuur, dat de hele dag brandt!
6От, що написано-призначено передо мною: Не буду мовчати, а відплачу, віддам їм у лоно.
6Zie, het staat voor mijn aanschijn geschreven: Ik zal niet rusten, Eer Ik wraak heb genomen, En in hun schoot heb betaald
7Ваші переступи, говорить Господь, а заразом і беззаконня отцїв ваших, що кадили на горах і по горбищах зневажали мене, й одміряю в лоня їх все, що здавна коїли.
7Hun misdaden en die van hun vaders, Allen tezamen, spreekt Jahweh! Die wierook branden op de bergen, En Mij op de heuvelen honen, Hun meet Ik het loon van vroeger toe, En betaal het hun uit in hun schoot:
8Так говорить Господь: Коли в виноградньому гронї повно соку, кажуть: Гляди, щоб ти його не вшкодив, бо в ньому благодать; те ж учиню я й задля слуг моїх, щоб не всїх погубити:
8Zo spreekt Jahweh! Zoals men nog most in een druiventros vindt, En zegt: Werp hem niet weg, want er zit nog zegen in: Zo zal Ik handelen terwille van mijn dienaars, En niet alles vernielen;
9Я виведу з Якова потомство і від Юди наслїдника гір моїх, а внаслїдують те вибрані мої і слуги мої будуть там жити.
9Maar uit Jakob zal Ik een zaad doen ontspruiten, En uit Juda een erfgenaam van mijn bergen. Mijn uitverkorenen zullen ze erven, En mijn dienaars daar wonen;
10І буде Сарон пасовищем овець, а долина Ахор — місцем спочивку для волів народу мого, що до мене горнувся.
10En Sjaron zal een weide zijn voor de kudde, Het Akor-dal een kamp voor het vee van het volk, dat Mij zoekt!
11Вас же, що покинули Господа, забули про сьвяту гору мою, закладаєте столи Гадові, та ладите повну чашу для Мени,
11Maar gij, die Jahweh verzaakt, En mijn heilige Berg hebt vergeten; Die een tafel aanricht voor Gad. En de beker voor Meni vult:
12Вас я обрікаю-віддаю на меч, і всї попадаєте позаколювані, за те, що я кликав, а ви не озивались; говорив, а ви не слухали, і творили зло в очах моїх, та вибирали те, що менї не до вподоби.
12Voor u bestem Ik het zwaard, En afgeslacht wordt gij allen, Omdat gij geen antwoord gaaft, toen Ik riep, Niet hebt geluisterd, toen Ik sprak; Maar kwaad hebt gedaan in mijn ogen, Gezocht hebt, wat Mij niet behaagt.
13Тим то й говорить Господь Бог: Слуги мої їсти муть, ви ж будете голодувати, слуги мої будуть пити, а вас буде мучити спрага. Раби мої будуть веселі, а вас побивати ме сором;
13Waarachtig, zo spreekt Jahweh, de Heer: Zie, mijn dienaars zullen eten, Maar gij zult honger moeten lijden; Zie, mijn dienaars zullen drinken, Maar gij zult versmachten van dorst; Zie, mijn dienaars zullen zich verheugen, Maar gij beschaamd komen staan;
14Слуги мої будуть сьпівати в радощах серця, ви ж голосити мете задля сердечного смутку й ридати від сокрушеного духа.
14Zie, mijn dienaars zullen naar hartelust juichen, Maar gij zult van harteleed schreien, En jammeren van wanhoop!
15І полишите імя ваше у присягу вибраним моїм; і вбє-вигубить тебе Господь Бог, а вірних слуг своїх назве иншим іменем.
15Gij zult u een naam achterlaten, Die door mijn uitverkorenen zal worden vervloekt; Jahweh, de Heer, zal u doden, Maar een nieuwe naam aan zijn dienaren schenken.
16І хто буде назвою тою себе благословити, того благословляти ме Бог справдешний; а хто покленеться нею на землї, той покленеться Богом правди, — давні бо злиднї пійдуть в непамять і будуть закриті перед очима в мене.
16Dan zal al wie zich zegen toewenst op aarde, Zich zegenen bij den waarachtigen God; En wie een eed zweert op aarde, Zal zweren bij den waarachtigen God! Dan worden de vroegere noden vergeten, En voor mijn ogen verborgen!
17Ось бо я творю нове небо й нову землю, а попередущі пійдуть в непамять, і не приходити муть на думку.
17Want zie, Ik zal een nieuwe hemel En een nieuwe aarde scheppen! Aan de vroegere denkt men niet terug, Ze komen niet weer in de gedachten op;
18Ви ж будете веселитись і радуватись ізза того, що я творю, по віки; я бо обертаю Ерусалим у веселощі, а нарід його в радощі.
18Maar men zal zich verheugen en eeuwig verblijden Over wat Ik zal scheppen. Zie, Jerusalem schep Ik om in gejubel, In vreugde zijn volk;
19Та й я буду веселитись Ерусалимом і втїшатися людом моїм; і не почується вже там плачу, нї голосїння.
19En Ik zal over Jerusalem juichen, In mijn volk Mij verblijden! Men zal er niet langer meer horen Het geklaag van geween of geschrei.
20Там не буде немовлятка нї старця, щоб не дожив повного віку свого; бо й столїток вмірати ме молодиком; хиба грішник, хоч би й столїток, вмірати ме в проклонї.
20Vandaar zal niet heengaan De zuigeling van enkele dagen; De grijsaard niet heengaan, Die zijn dagen niet vol heeft gemaakt. Want men sterft er als knaap, Al wordt men honderd jaar oud; En die de honderd jaar niet bereikt, Zal als een vervloekte worden beschouwd!
21І будуть будувати доми й у них жити, й насаджувати виногради й поживати їх плоди.
21Ze zullen huizen bouwen, en er in wonen, Wijngaarden planten, en de vrucht er van eten;
22Не будуть будувати, щоб инший там жив, та й садити не будуть, щоб хто инший споживав; днї бо в людей моїх будуть довгі, як днї дерева, й вибрані мої будуть довго користуватись працею рук своїх.
22Neen, zij zullen niet bouwen, en anderen er in wonen, Niet planten, en anderen er van eten. Want even lang als van bomen Zal de levensduur zijn van mijn volk; En wat hun handen hebben gemaakt, Zullen mijn uitverkorenen zelf verbruiken;
23Марно трудитись не будуть, нї дїти роджати на горе; будуть бо родом благословенним од Господа, а з ними й їх потомки.
23Ze zullen zich niet vermoeien voor niets, Geen kinderen baren voor een vroegtijdige dood. Want ze zijn een geslacht door Jahweh gezegend, Hun nakomelingschap eveneens.
24І буде так, що перш, нїж вони до мене покликнуть, я озвуся; вони ще промовляти муть, а я вже вислухаю.
24Eer ze nog roepen, geef Ik hun antwoord, Terwijl ze nog spreken, verhoor Ik hen reeds.
25Вовк і ягня будуть пастись укупі, лев буде з волом їсти солому, а змій — землею харчитись: вони не будуть на всїй сьвятій горі моїй нїчого злого нї шкоди чинити, — говорить Господь.
25Dan zullen wolf en lam eendrachtig grazen, De leeuw vreet hooi als het rund, De slang zal zich voeden met stof: Ze zullen geen kwaad of onheil stichten Op heel mijn heilige berg, Spreekt Jahweh!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.