Isaías 44
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1“Agora, porém, ouça, Jacó, meu servo, e Israel, a quem escolhi.
1Maar hoor nu, Jakob. mijn dienaar, Israël, dien Ik heb uitverkoren;
2Assim diz o SENHOR que o fez, que o formou desde o ventre, e que o ajudará: ‘Não tenha medo, Jacó, meu servo; e você, Jesurum, a quem escolhi.
2Zo spreekt Jahweh, uw Schepper, Die u vormde en hielp van de moederschoot af: Vrees niet, Jakob, mijn dienaar, Jesjoeroen, dien Ik heb uitverkoren!
3Pois derramarei água sobre o sedento, e torrentes sobre a terra seca. Derramarei o meu Espírito sobre a sua descendência, e a minha bênção sobre os seus filhos;
3Ja, Ik giet water over den smachtende uit, En stromen over het droge: Mijn geest stort Ik uit op uw kroost, Mijn zegen over uw spruiten;
4e eles brotarão no meio da relva, como salgueiros junto aos ribeiros de água.
4Ze zullen tieren als gras aan de beken, Als wilgen aan de kabbelende wateren!
5Um dirá: “Eu sou do SENHOR.” Outro será chamado pelo nome de Jacó; e outro escreverá com a sua mão: “Do SENHOR”, e honrará o nome de Israel.’”
5De één zal zeggen: Ik ben van Jahweh! De ander zich noemen Met Jakobs Naam! Een derde schrijft op zijn hand: “Van Jahweh”, En neemt de naam van Israël aan!
6Assim diz o SENHOR, o Rei de Israel, e o seu Redentor, o SENHOR dos Exércitos: “Eu sou o primeiro, e eu sou o último; e além de mim não há Deus.
6Zo spreekt Jahweh, Israëls Koning, Jahweh der heirscharen, zijn Verlosser! Ik ben de Eerste en de Laatste; Buiten Mij is geen god.
7Quem é como eu? Que ele chame, e o declare, e o exponha perante mim, desde que estabeleci o povo antigo? Que eles declarem as coisas vindouras, e o que ainda vai acontecer.
7Wie is aan Mij gelijk: Hij trede vooruit; Laat het hem zeggen, en zich met Mij meten! Wie heeft van oudsher de toekomst voorzegd, En u voorspeld de dingen die komen?
8Não temam, nem se assustem. Não declarei isso a vocês há muito tempo, e não o anunciei? Vocês são minhas testemunhas. Há outro Deus além de mim? De fato, não há. Não conheço nenhuma outra Rocha.”
8Neen, loochent het niet, Misleidt u niet! Heb Ik ze niet tevoren verkondigd, En ze u laten horen! Gij zijt mijn getuigen: Is er een god buiten Mij, Een rots soms, die Ik niet ken?
9Todos os que fazem imagens esculpidas são vaidade. As coisas em que eles se deleitam de nada aproveitam. Suas próprias testemunhas não veem, nem sabem, para que sejam envergonhados.
9Neen, de beeldenmakers zijn allemaal niets, En hun lievelingsbeelden dienen tot niets. Hùn getuigen kunnen niet zien, Begrijpen niets, tot hun eigen beschaming.
10Quem formou um deus, ou fundiu uma imagem que de nada serve?
10Wie een god heeft gemaakt, en een beeld heeft gegoten, Zal er geen enkel voordeel uit trekken.
11Eis que todos os seus companheiros ficarão decepcionados; e os artesãos são meros homens. Que todos eles se reúnam. Que se levantem. Eles temerão. Eles serão envergonhados juntos.
11Zie, die ze volgen, zullen zich schamen, En die ze maken, zijn mensen; Laat ze allen maar komen, naar voren treden: Ze zullen sidderen, met schande bedekt!
12O ferreiro pega um machado, trabalha nas brasas, molda-o com martelos, e o forja com o seu braço forte. Ele tem fome, e a sua força falha; ele não bebe água, e desfalece.
12De smid bewerkt het met zijn moker, En smeedt het in gloeiende kolen; Hij fatsoeneert het met hamers, En beukt het met krachtige arm. Maar dan krijgt hij honger, is aan ‘t eind van zijn krachten, En drinkt hij geen water, dan versmacht hij van dorst.
13O carpinteiro estende uma linha. Ele o marca com um lápis. Ele o molda com plainas. Ele o marca com compassos, e o molda segundo a figura de um homem, com a beleza de um homem, para residir em uma casa.
13De timmerman legt het meetsnoer aan, En tekent het uit met zijn stift; Hij bewerkt het met beitels, Meet het af met de passer. Zo geeft hij het een mensengestalte Naar een mooi mensenmodel. En om het een woning te geven,
14Ele corta cedros para si, e pega o cipreste e o carvalho, e deixa crescer para si uma entre as árvores do bosque. Ele planta um cipreste, e a chuva o nutre.
14Hakt men ceders omver, Haalt pijnboom en eik; Men beproeft zijn kracht op de bomen van het woud, Die de mens had geplant, En de regen deed groeien.
15Então servirá para o homem queimar; e ele pega uma parte e se aquece. Sim, ele a queima e assa pão. Sim, ele faz um deus e o adora; ele faz uma imagem esculpida, e se prostra diante dela.
15De mens gebruikt het voor brandhout, Neemt er een deel van, om zich te warmen, Of verstookt het, om er brood mee te bakken. Van de rest maakt hij een afgod, om te aanbidden, Snijdt er een beeld uit, En knielt er voor neer.
16Ele queima uma parte no fogo. Com outra parte, ele come carne. Ele assa um assado e se farta. Sim, ele se aquece e diz: “Ah! Estou aquecido. Eu vi o fogo.”
16De helft verbrandt hij in vuur, Op de houtskool roostert hij vlees om te eten; Is hij verzadigd, dan gaat hij zich warmen, en zegt: Ha, ik ben warm en voel vuur!
17Do resto ele faz um deus, a sua imagem esculpida. Ele se prostra diante dela e a adora, e ora a ela, e diz: “Livra-me, pois você é o meu deus!”
17Van het overschot maakt hij een afgod, Een beeld, waarvoor hij kan knielen. Dan werpt hij zich aanbiddend neer, En zegt: Kom mij te hulp; Want gij zijt mijn god!
18Eles não sabem, nem consideram, pois ele fechou os seus olhos, para que não possam ver, e os seus corações, para que não possam entender.
18Ze verstaan het niet, en hebben geen inzicht; Er ligt een waas op hun ogen, zodat ze niet zien, Op hun harten, die er niets van begrijpen.
19Ninguém reflete, nem há conhecimento nem entendimento para dizer: “Queimei uma parte no fogo. Sim, também assei pão em suas brasas. Assei carne e a comi. Farei do resto uma abominação? Vou me prostrar diante de um tronco de árvore?”
19Men denkt er niet verder op na, En ziet het niet eens; Men heeft geen oordeel genoeg om te zeggen: Ik heb de helft in vuur verbrand, Brood op de houtskool gebakken, Vlees geroosterd en opgegeten. Van het overschot maak ik een gruwel, Voor een blok hout kniel ik neer,
20Ele se alimenta de cinzas. Um coração enganado o desviou; e ele não pode livrar a sua alma, nem dizer: “Não há uma mentira na minha mão direita?”
20Wat enkel stof is, jaag ik na! Hun afgedwaald hart verleidt hen er toe; Men kan er zich niet aan onttrekken, en zeggen: Houd ik geen leugen in mijn hand?
21Lembre-se destas coisas, Jacó e Israel, pois você é meu servo. Eu o formei. Você é meu servo. Israel, você não será esquecido por mim.
21Jakob, denk aan dit alles; Israël, want gij zijt mijn dienaar, Ik heb u geschapen, om Mij te dienen; Israël, vergeet Mij toch niet!
22Apaguei as suas transgressões como uma espessa nuvem, e os seus pecados como uma nuvem. Volte para mim, pois eu o redimi.
22Als een nevel vaag Ik uw misdaden weg, als een wolk uw zonden; Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost!
23Cantem, ó céus, pois o SENHOR fez isso! Gritem, ó profundezas da terra! Rompam em cantos, ó montes, ó bosque, e todas as suas árvores, pois o SENHOR redimiu Jacó, e se glorificará em Israel.
23Jubelt hemelen, want Jahweh heeft het gedaan; Juicht, gij diepten der aarde; Bergen, schalt uw jubelzang uit, Gij woud met al uw geboomte: Want Jahweh heeft Jakob verlost, En Israël zijn glorie getoond!
24Assim diz o SENHOR, o seu Redentor, e aquele que o formou desde o ventre: “Eu sou o SENHOR, que faz todas as coisas; que sozinho estende os céus; que por mim mesmo estende a terra;
24Zo spreekt Jahweh, uw Verlosser, Die u vormde van de moederschoot af: Ik ben Jahweh, die alles gemaakt heeft, Die de hemelen spande, Ik alleen; Die de aarde grondde: Wie stond Mij bij?
25que frustra os sinais dos mentirosos, e enlouquece os adivinhos; que faz os sábios recuarem, e torna o seu conhecimento em loucura;
25Die de tekens der zieners verijdelt, De voorspellers als zotten laat staan; Die de wijzen doet vluchten, Hun wetenschap tot dwaasheid maakt;
26que confirma a palavra do seu servo, e cumpre o conselho dos seus mensageiros; que diz de Jerusalém: ‘Ela será habitada’; e das cidades de Judá: ‘Elas serão construídas’, e ‘Eu levantarei as suas ruínas’;
26Maar die het woord van zijn dienaars gestand doet, En de raad van zijn boden volbrengt. Die tot Jerusalem spreekt: Gij moet worden bewoond; Tot de tempel zegt: Gij moet worden gegrond; Tot de steden van Juda: Gij moet worden gebouwd, Ik richt haar puinen weer op.
27que diz às profundezas: ‘Fiquem secas’, e ‘Eu secarei os seus rios’;
27Die tot de afgrond spreekt: Droog uit, Uw stromen laat Ik verzanden;
28que diz de Ciro: ‘Ele é o meu pastor, e realizará toda a minha vontade’, dizendo também de Jerusalém: ‘Ela será construída’; e do templo: ‘Seus alicerces serão lançados.’”
28Hij is het, die tot Cyrus spreekt: Mijn vriend, die heel mijn wil zal volbrengen, En tot Jerusalem zal zeggen: Gij moet worden herbouwd; Tot de tempel: Gij moet worden gegrond!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.