イザヤ書 33
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1自分は滅ぼされなかったのに、滅ぼす者よ、 だれにも裏切られなかったのに、裏切る者よ、あなたに災いがある。 あなたが滅ぼすことを終えた時、あなたは滅ぼされ、 裏切ることを終えた時、あなたは裏切られる。
1Wee u verwoester, zelf niet verwoest, Rover, dien men nog niet heeft beroofd: Zijt ge klaar met verwoesten, dan wordt ge verwoest, Hebt ge voldoende geroofd, dan berooft men ook u!
2主よ、われわれに恵みを示してください。われわれはあなたを待ち望む。 朝ごとにわれわれの力となり、 苦難の時には、われわれの救いとなってください。
2O Jahweh, wees ons genadig, Wij vertrouwen op U; Wees iedere morgen opnieuw onze hulp, Onze redding in tijden van nood.
3とどろく音を聞いて、諸国の民は逃げ、 あなたが立ち上がられると、国々は散らされる。
3Voor uw machtige donder vluchten de naties, Als Gij opstaat, stuiven de volken uiteen;
4あなたがたから奪われた物は、毛虫が集めるように集められ、 いなごが飛びつくように、人々はそれに飛びつく。
4Dan oogst men buit, zoals de sprinkhanen oogsten, Dan valt men er als de vraten op aan.
5主は高くあがめられる。高い所に住み、 シオンを公正と義で満たされる。
5Verheven zijt Gij, o Jahweh, die woont in de hoge, Die Sion met recht en gerechtigheid hebt vervuld;
6あなたの時代には安定があり、救いと知恵と知識が豊かにある。 主を恐れることが、あなたの宝である。
6Uw onwankelbare trouw was hem een weelde van heil, Wijsheid en kennis, en de vreze van Jahweh waren zijn schat.
7見よ、彼らの勇士たちは外で叫び、 平和の使者たちは激しく泣いている。
7Maar nu staan de Offerhaard-mannen buiten te jammeren. De vredeboden bitter te wenen:
8大路は荒れ果て、 旅人は絶えた。 契約は破られ、 町々は侮られ、 人は顧みられない。
8“Hij heeft de verdragen geschonden, De steden beschimpt, en niemand ontzien!” De wegen liggen verlaten, geen reizigers meer,
9地は嘆き、衰える。 レバノンは恥じて、しおれる。 シャロンは荒野のようになり、 バシャンとカルメルは葉を落とす。
9Het land treurt en kwijnt, de Libanon schaamt zich; Als een wildernis ligt de Sjaron verdord, Basjan en Karmel staan kaal.
10主は言われる。「今、わたしは立ち上がる。 今、わたしは自らを高く上げる。 今、わたしは高くされる。
10Maar nu zal Ik opstaan, spreekt Jahweh; Nu rijs Ik omhoog, nu richt Ik mij op:
11あなたがたはもみ殻を身ごもり、 刈り株を産む。 あなたがたの息は、あなたがたを焼き尽くす火となる。
11Gij gaat zwanger van stro, en kaf zult ge baren, Mijn adem zal als een vuur u verslinden!
12諸国の民は石灰が焼かれるようになり、 刈り取られた茨が火で焼かれるようになる。
12De volkeren zullen verbranden als kalk, Worden uitgetrokken als doornen, en verteerd door het vuur.
13遠くにいる者たちよ、わたしが行ったことを聞け。 近くにいる者たちよ、わたしの力を認めよ。」
13Die verre zijt, hoort wat Ik doe, Beseft, die nabij zijt, mijn kracht!
14シオンの罪人たちは恐れ、 神を恐れない者たちは震えに捕らえられた。 われわれのうち、だれが焼き尽くす火とともに住めるのか。 われわれのうち、だれが永遠に燃える炎とともに住めるのか。
14En op Sion zullen de zondaars sidderen, De godvergetenen rillen: “Wie onzer kan ‘t houden bij het verslindende vuur, Wie onzer kan ‘t houden bij de eeuwige gloed!”
15義を行って歩み、 誠実なことを語る者、 虐げによって得る利益を退け、 手を振って賄賂を受け取らず、 流血の企てを聞かないように耳をふさぎ、 悪を見ないように目を閉じる者。
15Maar die in gerechtigheid wandelt, niet veinst bij zijn spreken, Afgeperste winsten versmaadt, zijn handen dichtknijpt voor omkoperij; Die zijn oren stopt, om geen moordplan te horen, Zijn ogen sluit, om geen misdaad te zien:
16その人は高い所に住む。 岩の要塞が、その守りの場所となる。 そのパンは与えられ、 その水は絶えることがない。
16Zo een zal op de hoogten wonen, De burcht op de rotsen zijn toevlucht zijn; Brood zal hem worden gereikt, Water hem nimmer ontbreken.
17あなたの目は麗しい王を見、 遠く広がる地を見る。
17Dan zullen uw ogen den Koning in zijn glorie aanschouwen, En een land van onmetelijke omvang zien;
18あなたの心は、かつての恐怖を思い巡らす。 数えた者はどこにいるのか。 貢ぎを量った者はどこにいるのか。 塔を数えた者はどこにいるのか。
18Dan denkt uw hart aan de verschrikkingen terug: Waar is de schatter, de ijker; waar hij die torens kwam tellen?
19あなたはもはや荒々しい民を見ない。 その言葉は難しく、聞き取ることができず、 その聞き慣れない言葉は理解できない。
19Dan zult ge dat brutale volk niet meer zien, Dat volk met zijn duistere, onbegrijpelijke taal, Met zijn brabbelende tong, Die ge niet kondt verstaan.
20われわれの定められた祭りの町、シオンを見よ。 あなたの目は、静かな住まいであるエルサレムを見る。 それは移されることのない天幕である。 その杭は決して抜かれず、 その綱は一本も切られない。
20Maar ge zult Sion aanschouwen, de stad waar wij één zijn; Uw ogen zullen Jerusalem zien, de veilige stede, De tent die nooit wordt verplaatst, Wier pinnen niet worden uitgerukt, wier koorden niet springen.
21そこでは、主が威厳をもってわれわれとともにおられる。 そこは広い川と流れのある場所となる。 そこを、櫂でこぐ船が行くことはなく、 威容を誇る船が通ることもない。
21Neen, Jahweh zal daar onze Machtige zijn, In plaats van stromen en brede rivieren, Waarop geen galjoenen meer varen, Geen trotse bodems meer stevenen.
22主はわれわれの裁判官。 主はわれわれに律法を与える方。 主はわれわれの王。 主がわれわれを救う。
22Want Jahweh zal onze rechter zijn, Jahweh onze bestuurder en koning:
23あなたの船の綱は緩み、 帆柱の根元をしっかり支えることも、 帆を張ることもできない。 その時、多くの分捕り物が分けられ、 足の不自由な者さえ獲物を奪う。
23Hij zal ons redden, al hangen uw touwen slap, Al houden ze de masten niet vast, en spannen de zeilen niet uit. Dan maken zelfs blinden nog buit, En plunderen de lammen.
24そこに住む者は、「私は病んでいる」と言わない。 そこに住む民の咎は赦される。
24En niemand der burgers zal zeggen: Ik ben ziek; Het volk, dat er woont, is zijn zonde vergeven!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.