1 Мойсея 32
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І Яков те ж верстав путь свою, і зустьріли його ангели Божі.
1Toen ook Jakob op weg was gegaan, traden hem Gods engelen tegemoet.
2Каже ж тодї Яков, зуздрівши їх: Се Божий полк, урочище те Маганаїм.
2Bij hun aanblik riep Jakob uit: Dit is het leger van God! En hij noemde die plaats Machanáim.
3Послав же Яков посли поперед собою до Езава, брата свого в Сеїр землю, в Едом поле;
3Nu zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau in het land Seïr, dat in het gebied van Edom ligt.
4І наказав їм, говорючи: Такенькі мовляйте панові мойму Езавові: Так говорить раб твій Яков: У Лабана пробував я та й загаявсь там і досї.
4Hij beval hen: Aldus moet ge spreken tot Esau, mijn heer! Zo spreekt uw dienaar Jakob: “Ik heb bij Laban gewoond, en daar tot nu toe vertoefd.
5І придбав я воли й осли, і вівцї, і раби, й рабині, і посилаю тепер тобі панові мойму, звістку, щоб запобігти ласки твоєї в очах твоїх.
5Ik bezit runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen. Ik bericht dit aan mijn heer, om genade in uw ogen te vinden”.
6І вернулись посли до Якова, говорючи: Ходили ми до брата твого Езава, і се він сам іде на зустріч тобі, і чотири ста чоловіка з ним.
6Maar de boden keerden tot Jakob terug met de tijding: Wij zijn uw broer Esau al tegen gekomen; hij trok u al met vierhonderd man tegemoet.
7Злякався ж Яков вельми, і був у турботї; і подїлив людей, що були з ним, і вівцї, й воли, й верблюди на два коші.
7Toen raakte Jakob in hevige angst en benauwdheid. Hij verdeelde het volk, dat hem vergezelde, met de schapen, runderen en kamelen in twee groepen.
8І каже сам собі: Як наступить Езав на один кіш і побє його, тодї другий кіш пійде втеком.
8Want hij dacht: Als Esau de ene groep overvalt en verslaat, dan zal ten minste de andere ontkomen.
9Каже ж Яков: Боже отця мого Авраама й отця мого Ізаака, Господе, ти що заповідав менї: Вертайсь у рідну землю твою та до родини твоєї, і я таланити му тобі,
9En Jakob sprak: O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaäk, Jahweh, die tot mij hebt gezegd: “Keer terug naar uw land en uw familie, en Ik zal u weldaden bewijzen!”
10Не заробив я нїже всїх тих благ і всієї вірностї тієї, що виявив єси рабові твойму; з палицею бо сією перебрів я сю Йордань, а тепер виріс у два коші.
10Ik ben alle weldaden en goedheid niet waardig, die Gij uw dienaar hebt willen bewijzen; want alleen met mijn stok trok ik over deze Jordaan, en nu bezit ik twee legerscharen.
11Визволь мене, благаю тебе, з рук брата мого, з рук Езава! Боюсь бо, щоб не прийшов та не вбив мене, матері із дїтками.
11Ach, red mij toch uit de hand van mijn broer, uit Esau’s hand; want ik ben bang, dat hij komt, om mij met moeder en kinderen te doden.
12Ти ж глаголав єси: Благо тобі сотворю, і вчиню імя твоє яко пісок морський, що не злїчити його задля многостї.
12Gij hebt mij toch beloofd: “Ik zal u overvloedige gunsten bewijzen, en uw nageslacht maken als het zand aan de zee, dat niemand vanwege de massa kan tellen”.
13І переночував там тієї ночі. І взяв із того, що прийшло йому в руки, гостиньця Езавові, братові свойму.
13Terwijl hij daar die nacht nog verbleef, nam hij uit wat hij bezat een geschenk voor zijn broer Esau:
14Кіз двістї, а козлів двайцятеро, овечок двістї, а баранів двайцятеро,
14twee honderd geiten en twintig bokken, twee honderd schapen en twintig rammen,
15Берблюдиць дїйних двайцятеро з їх жеребятами, та корів сорок, та бугаїв десятеро, ослиць двайцятеро, і десяток ослів.
15dertig zogende kamelen met haar jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelsveulens.
16І приручив їх рабам своїм, усяке стадо окроме, і звелїв рабам своїм: Гонїтесь бридьма через річку, та чинїте прогалину між стадом і стадом.
16Elke kudde afzonderlijk vertrouwde hij aan een zijner slaven toe, en zeide hun: Trekt voor mij uit, en laat een afstand open tussen de verschillende kudden.
17І звелїв первому, говорючи: Як тебе зустьріне брат мій Езав, та спитає в тебе говорючи: Чий єси, і куди йдеш, і чиє се перед тобою?
17En hij beval aan den eersten: Wanneer mijn broer Esau u ontmoet en u vraagt: “wien behoort ge toe, waar gaat ge heen, en van wien is dit alles, wat gij voor u uitdrijft?”
18Кажи: Раба твого Якова. Се подарунок панові мойму Езавові. Ось він і сам позад нас.
18dan moet ge antwoorden: “Het is van Jakob, uw dienaar; het is een geschenk, dat hij zendt aan Esau, mijn heer; zie, hij zelf komt achter ons aan.”
19І звелїв другому й третьому, й усїм, що гнались із стадами. Сими словами мовляйте Езавові, як зустьрінете його,
19Ook den tweeden, den derden en allen, die achter de kudde liepen, beval hij: Ge moet juist hetzelfde zeggen, als ge Esau ontmoet;
20І кажіть: Ось раб твій Яков і йде за нами. Бо каже сам собі: Вгамую його подарунками, що йдуть поперед мене, а потім побачу лице його. Може прийме мене.
20en ge voegt er ook nog aan toe: “Zie, uw dienaar Jakob komt achter ons aan”. Want hij dacht: ik wil hem eerst door het geschenk, dat mij vooruitgaat, verzoenen, en hem dan onder de ogen komen; misschien dat hij mij dan genadig behandelt.
21Так ійшли дарунки поперед його. Сам же переночував ту ніч у коші.
21Zo trok het geschenk voor hem uit, terwijl hij zelf die nacht in de legerplaats bleef.
22Уставши ж тієї ночі, узяв обидві жени свої, і обидві рабинї, й одинайцятеро синїв своїх, і перейшов бридьма брід Ябок.
22Maar nog in diezelfde nacht stond hij op, nam zijn twee vrouwen, zijn beide slavinnen en zijn elf zonen, en stak het wed van de Jabbok over.
23І взяв їх, і перебрів річку, і перевів усе, що мав.
23Hij nam ze mee, en zette ze over de stroom; ook heel zijn bezit bracht hij naar de overkant.
24Остався ж Яков один, і боровсь із ним хтось, аж покіль обутьріло;
24Jakob zelf bleef alleen achter, en een man worstelde met hem tot het morgenrood rees.
25Вбачаючи ж, що не подужа його, ударив його по стегну, по суставу, і потерпів у Якова стегенний сустав, як боровсь із ним.
25Toen deze zag, dat hij hem niet kon overwinnen, stiet hij hem tegen de bovenheup, zodat de heup van Jakob bij de worsteling werd ontwricht.
26І каже той: Пусти мене; бо вже день зоріє. Яков же каже: Не пущу; мусиш благословити мене.
26Nu sprak de man: Laat mij gaan, want het morgenrood rijst. Maar hij antwoordde: Ik laat u niet gaan, tenzij ge mij zegent.
27Рече ж йому: Як на імя тебе? Він же каже: Яков.
27Hij sprak tot hem: Hoe is uw naam? Hij antwoordde: Jakob.
28І рече йому: Від тепер буде тобі імя не Яков, а Ізраїль; ти бо з Богом боровсь і над людьми брати меш гору.
28Hij zeide toen: Voortaan zult ge geen Jakob meer heten, maar Israël; want ge hebt met God en met mensen gestreden, en de overwinning behaald.
29І поспитав Яков його, і каже: Повідай менї, як на імя тебе звати? Про що питаєш, яке моє імя? І благословив його там.
29Nu vroeg Jakob: Zeg mij uw naam! Hij sprak: Hoe vraagt ge nog naar mijn naam. Toen gaf hij hem daar zijn zegen.
30І приложив Яков тому врочищу прізвище: Пенуель, бачив бо я Бога лицем до лиця, тай вирятувалась душа моя.
30Jakob noemde die plaats Penoeël; want ik heb God gezien van aanschijn tot aanschijn, en ben toch in leven gebleven!
31Засяло ж йому соньце, як прийшов за Пенуель; він же кульгав на стегно.
31De zon ging juist op, toen hij Penoeël voorbij was. Hij bleef echter mank aan zijn heup.
32Тим же то й тепер не їдять сини Ізраїлеві жили, що на составі бедра, тому, що боровшийся зрушив жилу на составі бедра Якова.
32Daarom eten tot heden toe de zonen Israëls de heupspier niet, die aan de bovenheup ligt; want hij had Jakob tegen de bovenheup gestoten, tegen de spier van het heupgewricht.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.