1 Мойсея 16
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Сара ж Аврамова жінка да не роджала йому. Була ж у неї рабиня Египтянка на імя Агара.
1Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Maar zij had een egyptische slavin, Hagar genaamd.
2І рече Сара до Аврама: Се зачинив мене Господь, щоб не роджати; дак увійди до рабинї моєї, щоб у мене були дїти від неї. І послухав Аврам гласу Сариного.
2En Sarai zeide tot Abram: Zie, Jahweh heeft mijn schoot gesloten; ga dus tot mijn slavin: misschien krijg ik kinderen van haar. Abram stemde met Sarai in.
3І взяла Сара, Аврамова жена, Агару, рабиню свою Египтянку, після того, як Аврам седїв осадою десять років у землї Канаанській, та й оддала її за жінку мужові свойму Аврамові.
3En Sarai, Abrams vrouw, nam Hagar, haar egyptische slavin, en gaf ze tot vrouw aan Abram, haar man; Abram woonde toen al tien jaar in het land Kanaän.
4І ввійшов до Агари, і завагонїла. Як же почулась вона, що завагонїла, почала зневажати господиню свою.
4Hij hield gemeenschap met Hagar, en zij werd zwanger. Toen zij bemerkte, dat zij zwanger was, zag zij minachtend op haar meesteres neer.
5І рече Сара до Аврама: Зневага менї від тебе. Вона ж почуваючись вагітною, зневажає мене. Суди Бог між мною й тобою.
5Daarom sprak Sarai tot Abram: Gij zijt de schuld van mijn smaad. Ik zelf heb mijn slavin in uw schoot gelegd, en nu zij ziet, dat ze zwanger is, veracht ze mij. Moge Jahweh richten tussen mij en u.
6Рече ж Аврам до Сари: Ось рабиня твоя в руках у тебе. Твори їй по твоїй вподобі.
6Abram gaf Sarai ten antwoord: Welnu, uw slavin is in uw macht; doe met haar wat ge wilt. Toen begon Sarai haar te kwellen, zodat zij de vlucht voor haar nam.
7Узялась тодї жорстко за неї Сара, і зійшла та з очей у неї. І знайшов її ангел Господень коло криницї в пустинї, по дорозї в Сур.
7De engel van Jahweh trof haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sjoer.
8І рече: Агаро, Сарина рабине, звідкіля прийшла єси і куди хочеш ійти? І каже: Зійшла з очей Сари, господинї моєї.
8Hij sprak: Hagar, dienstmaagd van Sarai, waar komt ge vandaan, en waar gaat ge heen? Zij zeide: Ik ben op de vlucht voor Sarai, mijn meesteres.
9Рече ж їй ангел Господень: Вернись до господинї твоєї та покорися під руку її.
9De engel van Jahweh sprak toen tot haar: Keer terug naar uw meesteres, en verneder u voor haar.
10Рече ж їй ангел Господень: Намножу я потомство твоє безлїч.
10En de engel van Jahweh ging voort: Uw kroost zal Ik zó talrijk maken, dat men het om zijn menigte niet meer kan tellen.
11І рече їй ангел Господень: Оце ходиш важкою, і вродиш сина, і даси йому імя Ізмаель; бо Господь почув тїсноту твою.
11Nog sprak de engel van Jahweh tot haar: Zie, ge zijt zwanger; een zoon zult ge baren, En hem de naam van Jisjmaël geven; Want Jahweh heeft naar uw schreien gehoord.
12Сей буде дикий чоловік. Рука його проти всякого чоловіка, і всякого чоловіка рука проти його, і седїти ме він у всїх родичів своїх на шиї.
12Hij zal een menselijke woudezel zijn, Zijn hand zal tegen allen wezen, En de hand van allen tegen hem; Verwijderd van al zijn broers zal hij wonen.
13І дала вона імя Господеві, що глаголав до неї: Бог бачений. Бо казала: Я бачила того, хто явивсь менї.
13Toen noemde zij Jahweh, die met haar had gesproken: “Gij zijt een God, dien ik zie”. Want ze zeide: Waarachtig, ik heb God gezien; en ik leef nog, nadat ik gezien heb.
14Тим прозвано криницю ту: „Криницею Живого, що мене бачить.‟ Се між Кадесом і Баредом.
14Die put heet daarom de put Lachai-Roï; hij ligt tussen Kadesj en Béred.
15І вродила Агара Аврамові сина, і дав Аврам імя синові, що вродила йому Агара, Ізмаель.
15Zo schonk Hagar aan Abram een zoon, en Abram noemde den zoon, dien Hagar hem baarde, Jisjmaël.
16Аврамові ж було вісїмдесять і шість год віку, як Агара вродила Авраму Ізмаеля.
16Abram was zes en tachtig jaar oud, toen Hagar hem Jisjmaël baarde.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.