1 Мойсея 28
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Прикликав же Ізаак Якова, та й благословив його, і заповідав йому, говорючи: Не мусиш узяти за себе жени з Канаанських дочок.
1Toen riep Isaäk Jakob, zegende hem, en beval hem: Neem geen vrouw uit de kanaänietische meisjes.
2Устань, та й одбіжи в Мезопотамію, в Падан-Арам, в господу Бетуїлову, в батьківщину матері твоєї, та й возьми собі звідти жену з дочок Лабанових, брата матері твоєї.
2Maar maak u gereed, om naar Paddan-Aram te gaan, naar het huis van uw grootvader Betoeël; kies u daar een vrouw uit de dochters van uw oom Laban.
3Бог же мій нехай тебе благословить і намножить, щоб ти був купою народів.
3Moge de almachtige God u zegenen, en u vruchtbaar en talrijk maken, zodat gij tot een grote menigte volken zult uitgroeien.
4І нехай тобі дасть благословеннє Авраамове і насїнню твойму по тобі, щоб одержав у наслїддє землю, де пробуваєш, що оддав Бог Авраамові.
4Hij moge de zegen van Abraham aan u en uw nageslacht schenken, zodat gij het land moogt bezitten, waar ge als vreemdeling woont, maar dat God aan uw vader Abraham gaf.
5Послав же Ізаак Якова, і зійшов він у Падан-Арам, у Мезопотамію, до Лабана Бетуйленка, Араміянина, до брата Ребеки, матері Якова та Езава.
5Zo zond Isaäk Jakob heen, en deze ging naar Paddan-Aram naar Laban, den zoon van den Arameër Betoeël, en broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.
6Бачивши ж Езав, що благословив Ізаак Якова і послав у Мезопотамію, в Падан-Арам, щоб узяти собі звідти жінку, і що благословляючи його заповідав йому говорючи: Не мусиш брати жени з дочок Канаанських,
6Esau had gemerkt, dat Isaäk Jakob had gezegend en hem naar Paddan-Aram had gezonden, om daar een vrouw te nemen; dat hij hem ook bij zijn zegening had verboden, een vrouw uit de kanaänietische meisjes te nemen,
7І що послухав Яков отця свого й матері своєї, та й пійшов у Падан-Арам, у Мезопотамію:
7en dat Jakob aan zijn vader en moeder had gehoorzaamd en naar Paddan-Aram was gegaan.
8І бачивши Езав, що не вподобав дочок Канаанських Ізаак, отець його,
8Esau begreep daaruit, dat de kanaänietische vrouwen aan zijn vader Isaäk mishaagden;
9Пійшов собі Езав до Ізмаїла, та й узяв Магалату, дочку Ізмаїла, сина Авраамового, сестру Небайотову, до жінок своїх.
9daarom begaf hij zich naar Jisjmaël, en nam Machalat, de dochter van Jisjmaël, Abrahams zoon, de zuster van Nebajot tot vrouw bij de andere vrouwen, die hij al had.
10І зійшов геть Яков від Бейер-Себи, від колодязя клятьби, та й помандрував у Гаран.
10Toen Jakob van Beër-Sjéba was afgereisd en naar Charan trok,
11І приблудивсь до одного врочища, та й обночувавсь там, зайшло бо соньце. І взяв між каміннєм каменя на тому врочищі, та й положив його собі в голови, та лїг спати на місцї тому.
11kwam hij op een plaats, waar hij wilde overnachten, omdat de zon reeds was ondergegaan. Hij legde dus een van de stenen, die daar lagen, bij wijze van kussen onder zijn hoofd, en begaf zich op die plaats ter ruste.
12І бачив сон, і се драбину поставлено на землї, верховина ж її сягає до небес, і ангели Божі возходять і низходять по нїй.
12Daar had hij een droom: zie, op de aarde stond een ladder, waarvan de top tot de hemel reikte; en de engelen Gods klommen erop en daalden eraf.
13Господь же стоїть на їй і рече: Я Господь Бог Авраамів, отця твого, і Бог Ізааків. Земля, що на їй лежиш, тобі оддам її і насїнню твойму.
13En zie, Jahweh stond naast hem, en sprak: Ik ben Jahweh, de God van uw vader Abraham En de God van Isaäk! Het land, waarop ge ligt, Zal Ik u en uw nageslacht geven.
14І буде насїннє твоє, як пісок земний і розпросторишся на захід соньця, і на схід соньця, і на північ, і на полудьнє, і благословляться в тобі всї колїна землї, і у насїннї твойму.
14Uw geslacht zal wezen Als het stof van de aarde: Gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, Naar het noorden en het zuiden; In u en uw zaad Zullen alle geslachten der aarde worden gezegend!
15І се я з тобою й оберегати му тебе на всякій дорозї, що нею пійдеш, і верну тебе в ʼцю землю; бо не покину тебе, докіль сотворю все, що глаголав тобі.
15Ik ben met u; Ik zal u behoeden, waar gij ook gaat, En u terugvoeren naar dit land. Neen, Ik zal u niet verlaten, Totdat Ik heb volbracht, wat Ik u heb beloofd!
16І прокинувсь Яков од сну свого, і каже: Певно єсть Господь на врочищі сьому, а я й не знав.
16Jakob ontwaakte uit zijn slaap, en sprak: Waarachtig; Jahweh is hier, en ik wist het niet.
17І злякавсь, і каже: Яке страшне врочище се! Не що інше воно як дом Божий, а се ворота небесні.
17Hij werd met ontzetting vervuld, en sprak: Hoe ontzagwekkend is deze plaats; dit is het huis van God en de poort van de hemel.
18І встав Яков рано в ранцї, і взяв каменя, що положив там у голови собі, та й поставив його стовпа, та й злив олїй на верховину його.
18De volgende morgen nam Jakob de steen, waarop zijn hoofd had gerust, richtte die tot een gedenksteen op, en goot er olie over uit.
19І прозвав Яков урочище то Бетель; прежне прізвище городу було Луз.
19Hij noemde die plaats Betel, terwijl de stad vroeger Loez had geheten.
20І обрік Яков себе оброком, говорючи: Коли Бог буде зо мною, і сохранить мене в дорозї, що ʼце верстаю, і дасть менї хлїб на їду й одежу на одїг,
20Daarna deed Jakob de volgende gelofte: Als God met mij is, mij behoedt op de reis, die ik onderneem, mij voedsel geeft om te eten, een kleed om mij te kleden,
21І верне мене здорового в господу панотцеву, тодї буде Господь менї Богом.
21en mij in vrede terugbrengt naar mijn vaderlijk huis: dan zal Jahweh mij tot God zijn,
22І камінь сей, що поставив стовпа, буде в мене дом Божий, і з усього, що менї даси, десятину давати му тобі.
22de steen, die ik als gedenkteken heb opgericht, een Godshuis worden, en zal ik U het tiende schenken van alles, wat Gij mij geeft!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.