1 Мойсея 24
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Авраам же був старий, у лїтах приклонних, і Господь благословив Авраама в усьому.
1Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahweh had Abraham in alles gezegend.
2І каже Авраам рабові свойму, найстаршому в господї в його, що правив усїм достатком його: Ось положи руку твою під стегно моє.
2Daarom sprak Abraham tot den oudsten dienaar van zijn huis, die het opzicht had over heel zijn bezit: Leg uw hand onder mijn heup;
3І заклену тебе Господом, Богом небесним і Богом земним, що не візьмеш синові мойму жени з дочок Канаанських, що між ними живу.
3want ik wil u doen zweren bij Jahweh, den God des hemels en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult kiezen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon;
4А тільки в землю мою, де я родивсь, пійдеш і до роду мого, та й візьмеш жену синові мойму Ізаакові відти.
4maar dat gij naar mijn land en mijn familie zult gaan, om dáár een vrouw voor mijn zoon Isaäk te zoeken.
5Каже ж до його раб: Коли б то не схотїла йти молодиця слїдом за мною в землю сю, чи вернути сина твого в землю, що з неї вийшов єси?
5De dienaar antwoordde: Maar als nu de vrouw mij niet wil volgen naar dit land, moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land, waaruit gij zijt weggetrokken?
6Каже ж до його Авраам: Остерегайся вертати сина мого туди.
6Maar Abraham zeide hem: Pas op, dat ge mijn zoon daar niet terugbrengt.
7Господь, Бог неба й Бог землї, що вивів мене з господи панотця мого із землї, що в нїй родився, той що глаголав менї, і що клявся менї глаголючи: Тобі оддам землю сю й насїнню твойму, той пошле ангела свого перед тобою, дак і візьмеш жену синові мойму Ізаакові звідти.
7Jahweh, de God des hemels, die mij uit mijn vaderlijk huis en uit mijn geboorteland heeft geleid, en die mij gezegd en bezworen heeft: “Aan uw nageslacht geef Ik dit land”: Hij zal zijn engel voor u uit zenden, en u daar voor mijn zoon een vrouw laten vinden.
8Коли ж би не схотїла молодиця пійти за тобою, чист будеш од закляття мого; тільки сина мого не вертай туди.
8Mocht die vrouw u niet willen volgen, dan verplicht mijn eed u niet langer; maar in geen geval moogt ge mijn zoon daar terugbrengen.
9І положив раб руку свою під стегно Авраамові, панові свойму, та й клявсь йому про сю річ.
9Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van Abraham, zijn meester, en zwoer hem de gevraagde eed.
10І взяв раб десятеро верблюдів з між верблюд пана свого і з усякого добра в господаря свого, та й пійшов, бо всї добра господаря його були в його руцї, та знявсь і пійшов у Месопотамію, у Нахорів город.
10Nu nam de dienaar tien kamelen uit de kudde van zijn meester, pakte allerlei kostbaarheden van zijn meester bijeen, trok op en reisde naar Aram-Naharáim, naar de stad van Nachor.
11І поставив верблюди під городом навколїшки коло колодязя водяного надвечір, як виходять жінки брати воду.
11Buiten de stad bij de waterput liet hij de kamelen neerknielen; het was tegen de avond, dus tegen de tijd, dat de vrouwen naar buiten gaan, om water te putten.
12І каже: Господе, Боже пана мого Авраама, погоди менї сьогоднї і сотвори милость панові мойму Авраамові.
12Toen sprak hij: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ik bid U, laat mij nu slagen, en wees Abraham, mijn meester, genadig.
13Оце я став коло колодязя водяного, дочки ж міських людей виходити муть брати воду.
13Zie, ik sta bij de bron, en de dochters van de burgers der stad komen naar buiten, om water te putten.
14І нехай буде дївчина, що їй скажу: Нахили водоносного глека твого напитись менї, і промовить менї: Пий, я й верблюди твої понаповаю, нехай вона буде та, що наготовив рабові твойму Ізаакові, і по сьому відатиму, що сотворив єси милость панові мойму, Авраамові.
14Wanneer het meisje, tot wie ik zeg: “reik mij uw kruik, om te drinken”, ten antwoord geeft: “drink, en ook uw kamelen zal ik water geven”; dan zal dàt het meisje zijn, dat Gij voor uw dienaar Isaäk hebt bestemd; en daaraan zal ik erkennen, dat Gij mijn heer genadig zijt.
15І сталось, перш нїж він промовив, аж ось Ребека й виходить, що родилась Бетуїлові, Милчиному синові, жінки Нахорової, брата ж Авраамового, і держачи водоноса на плечі свойму.
15Nog had hij niet uitgesproken, of Rebekka kwam met een kruik op haar schouder naar buiten; zij was de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, de vrouw van Nachor, Abrahams broer.
16Дївиця ж була дуже вродлива, дївувала ще, нїхто не взнав її. Війшовши ж до колодязя, сповнила водоноса свого та й ійде вгору.
16Het was een bijzonder mooi meisje; een maagd, die nog met geen man omgang had gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik, en kwam weer naar boven.
17Побіг же раб на вперейми, та й каже: Дай менї напитись з водоноса твого.
17De dienaar liep op haar toe, en sprak: Laat mij een beetje water drinken uit uw kruik.
18Вона ж каже: Пий, добродїю. І хутенько зняла водоноса на руку, та й дала йому напитись до схочу.
18Zij antwoordde: Drink, heer. En terstond liet zij de kruik op haar hand zakken, en gaf hem te drinken.
19І напоївши каже: І верблюдам твоїм наливати му докіль понапиваються.
19En toen zij hem had laten drinken, zeide zij nog: Ook voor uw kamelen zal ik water putten, tot ze genoeg hebben.
20І хутенько спорожнила водоноса в пійло та й метнулась ізнов до колодязя черпнути води та й улила верблюдам усїм.
20Vlug goot ze haar kruik in de drinkbak leeg, repte zich weer naar de put, om opnieuw te gaan scheppen, en water te putten voor al zijn kamelen.
21Чоловік же придивлявся до неї мовчки, щоб зрозуміти, чи погодив Бог у дорозї йому, чи нї.
21Zwijgend nam de man haar nauwkeuriger op, om te weten, of Jahweh zijn reis had doen slagen, of niet.
22Сталося ж, як перестали всї верблюди пити, узяв чоловік каблучку золоту, вагою в пів секля, та двї запинки на руки їй, у десять секлїв ваги.
22En nadat de kamelen volop hadden gedronken, nam de man een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel, stak die in haar neus, deed om haar polsen twee armbanden ter waarde van tien gouden sikkels,
23І поспитав її та й каже: Чия єси дочка? Скажи менї, чи єсть у панотця твого в господї місце про нас на ночлїги?
23en vroeg: Wiens dochter zijt gij; vertel me dat eens? Is er in het huis van uw vader plaats voor ons, om te overnachten?
24Вона ж каже йому: Дочка я Бетуїлова, сина Милчаного, що його вродила Нахорові.
24Ze gaf hem ten antwoord: Ik ben de dochter van Betoeël, den zoon van Milka, dien zij aan Nachor heeft gebaard.
25І каже йому: І соломи й харчі в нас доволї, і місце є про ночлїги.
25En zij ging voort: We hebben stro en voedsel in overvloed, ook plaats om te overnachten.
26І дякуючи Господу чоловік поклонивсь,
26Toen viel de man op zijn knieën, aanbad Jahweh,
27І каже: Благословен Господь, Бог пана мого Авраама, що не оставив без милостї своєї й правди пана мого, і менї погодив Господь прибути в домівку брата пана мого.
27en sprak: Gezegend zij Jahweh, de God van Abraham, mijn meester, die zijn genade en trouw aan mijn heer niet onthoudt; want Jahweh heeft mij geleid naar het huis van den broer van mijn heer.
28І побігла дївиця і зʼясувала в господї матері своїй сї речі.
28Het meisje was al naar huis gelopen, en vertelde thuis aan haar moeder, wat er gebeurd was.
29Ребецї ж доводивсь братом на імя Лабан. І метнеться Лабан до чоловіка до колодязя.
29Nu had Rebekka een broer, die Laban heette. Laban liep naar den man, die buiten bij de bron stond;
30І сталось, як побачив каблучку й запинки на руках у сестри своєї, і як почув слова Ребечині, сестри своєї, що каже: Так мовляв менї чоловік, дак прийшов Лабан до чоловіка, аж він стоїть при верблюдах коло колодязя.
30want hij had de neusring gezien met de armbanden om de polsen van zijn zuster, en zijn zuster Rebekka horen vertellen: zo en zo heeft de man met mij gesproken. Hij trad op hem toe, terwijl hij nog met de kamelen bij de bron stond te wachten,
31І каже: Увійди, благословенний од Господа. Чого стоїш ізнадвору? Я ж наготовив господу й місце про верблюди.
31en sprak: Kom, gezegende van Jahweh; waarom blijft ge nog buiten staan, terwijl ik het huis en een plaats voor de kamelen al gereed heb?
32І ввійшов чоловік у господу, і порозсїдлував верблюди, і дав Лабан соломи й сїна верблюдам і води помити ноги йому і людям, що були з ним.
32Hij leidde den man naar huis, zadelde de kamelen af, en gaf ze stro en voer; dan bracht hij voor hem en zijn mannen water, om zich de voeten te wassen.
33І поставив перед ними наїдки. Він же каже: Не їсти му, поки не виповню мого посольства. І каже: Говори.
33Maar toen hem spijzen werden voorgezet, zeide hij: Ik eet niet, eer ik gezegd heb, wat ik moet zeggen. Hij zeide: Spreek op.
34І говорить він: Раб Авраамів я.
34En hij sprak: Ik ben de dienaar van Abraham.
35Господь же благословив пана мого велико, і зробивсь він великим; і дав йому товар і отари, і срібло й золото, і раби і рабинї, і верблюди й осли.
35Jahweh heeft mijn heer overvloedig gezegend, zodat hij rijk is geworden; Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken.
36І вродила Сарра, жона пана мого, сина панові мойму, як була стара, і оддав йому все, що мав.
36En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft mijn heer een zoon gebaard, toen ze reeds oud was; en aan hem heeft hij heel zijn bezit vermaakt.
37І закляв мене пан мій говорючи: Не візьмеш ти жени синові мойму зміж дочок Кананейських, що я седжу в їх землї,
37Nu heeft mijn meester mij een eed laten zweren: Gij moogt voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier land ik woon;
38А в госпо́ду панотця мого пійдеш і до роду мого, і візьмеш мойму синові жону звідти.
38maar ge moet naar het huis van mijn vader gaan en naar mijn stam, om daar een vrouw voor mijn zoon te halen.
39Сказав же я панові мойму: А може не схоче молодиця зі мною йти.
39Ik zeide tot mijn heer: Maar als die vrouw mij niet wil volgen?
40Каже тодї менї: Господь, що перед ним ходжу, пошле ангела свого з тобою, і погодить у дорозї твоїй, і візьмеш ти жену синові мойму з мого роду, і з дому панотця мого.
40Hij antwoordde mij: Jahweh voor wiens aanschijn ik heb geleefd, Hij zal zijn engel met u zenden, en uw reis doen gelukken; gij zult een vrouw voor mijn zoon krijgen uit mijn stam en uit het huis van mijn vader.
41Тодї будеш чист од заклинання мого; коли бо дійдеш до родини моєї, і не дадуть тобі, будеш чист од заклинання мого.
41Eerst dan zijt gij van de eed, die ik u opleg, ontslagen, als ge bij mijn stam zijt gekomen, en men er u geen geven wil; dan verplicht mijn eed u niet meer.
42І прийшовши сьогоднї до колодязя, казав я: Господе, Боже пана мого Авраама, коли погодив єси в дорозї моїй, що її оце верстаю,
42Toen ik dan vandaag bij de bron was gekomen, zeide ik: Jahweh, God van mijn heer Abraham; ach, laat toch de reis gelukken, die ik heb ondernomen.
43Ось я став коло колодязя водного, і дочки городянські виходять брати воду, і коли буде дївиця, що ій промовлю: Дай менї напитись із водоноса твого трохи води,
43Zie, ik sta nu bij de waterbron. Wanneer de maagd, die naar buiten komt, om water te putten, en tot wie ik zeg: “geef mij een beetje water te drinken uit uw kruik”,
44І скаже менї: І ти пий, і верблюдам твоїм вільлю, нехай ся буде жена, що наготовив Господь мого пана синові.
44mij ten antwoord geeft: “drink, en ook voor uw kamelen zal ik putten”, dan zal zij de vrouw zijn, die Jahweh voor den zoon van mijn heer heeft bestemd.
45І перш, нїж я промовив у серцї мойму, вже Ребека йшла з водоносом на плечі, і спустилась вона до колодязя, і набрала води. І сказав я їй: Дай, будь ласко, напитись менї.
45Nog had ik bij mezelf niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka naar buiten met haar kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron, om te putten. En toen ik haar zeide: “laat mij wat drinken”,
46І хутенько зняла вона водоноса свого із себе на руку, та й каже: Пий, і верблюди твої понаповаю. От я напивсь і верблюди мої понаповала.
46liet ze dadelijk haar kruik zakken, en sprak: “drink, en ook uw kamelen zal ik water geven”. Ik dronk, en ze liet ook de kamelen drinken.
47І поспитав її, і промовив: Чия дочка єси, повідай менї. Вона ж каже: Дочка я Бетуїла Нахоренка, що вродила йому Милка. І дав я їй каблучку і запинки на руки її.
47Ik vroeg haar: Wiens dochter zijt gij? Zij antwoordde: De dochter van Betoeël, den zoon van Nachor, dien Milka hem geschonken heeft. Toen stak ik een ring in haar neus, en deed armbanden om haar polsen.
48І дякуючи поклонивсь Господу, і благословив Господа Бога пана мого, Авраама, що погодив менї в дорозї праведній, узяти дочку в брата панового синові його.
48Ik viel op mijn knieën om Jahweh te aanbidden, en ik zegende Jahweh, den God van mijn heer Abraham, die mij op de rechte weg had geleid, om voor zijn zoon de dochter van den broer van mijn meester te gaan halen.
49Оце ж, коли ви сотворите милость і правду до пана мого, повідайте менї, щоб я повернувсь або праворуч, або лїворуч.
49Welnu dan, als gij mijn heer liefde en trouw wilt bewijzen, zegt het mij dan; maar zo niet, laat het mij eveneens weten, dan kan ik naar rechts of naar links gaan.
50Відказуючи ж Лабан та Бетуїл сказали: Від Господа прийшло се дїло. Не зможемо тобі сказати проти нї лихого, нї доброго.
50Laban en Betoeël gaven ten antwoord: Dit is een beschikking van Jahweh; we kunnen er niets tegen inbrengen.
51Ось, Ребека перед тобою, возьми її та й піди, і нехай буде вона жоною синові пана твого, яко же глаголав Господь.
51Zie Rebekka staat te uwer beschikking; neem haar met u mee, opdat zij de vrouw wordt van den zoon van uw heer, zoals Jahweh gezegd heeft.
52І сталось, як почув раб Авраамів словеса сї, поклонився до землї Господу.
52Toen de dienaar van Abraham had gehoord wat ze zeiden, wierp hij zich ter aarde voor Jahweh neer.
53І повносив раб сосуди золоті і срібляні, і сукнї, та оддав Ребецї, і подав гостинцї братові її й матері її.
53Hij haalde zilveren en gouden sieraden en klederen te voorschijn, en schonk ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder gaf hij kostbare geschenken.
54І їли й пили, і він і чоловіки, що були з ним, та опочили, і повставали в ранцї, і каже: Відпустїте мене до пана мого.
54Toen eerst aten en dronken hij en zijn mannen, en bleven ze overnachten. Zodra men de volgende morgen was opgestaan, sprak hij: Laat mij nu terug gaan naar mijn heer.
55Промовили ж браттє її й мати її: Нехай пробуде дївиця з нами з десяток день, а потім і пійде.
55Maar haar broer en haar moeder zeiden: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven; dan kan ze vertrekken.
56Він же каже до них: Не держіте мене. Господь погодив у дорозї менї; мушу йти до пана мого.
56Maar hij antwoordde hun: Houdt me niet tegen, nu Jahweh mijn reis heeft doen slagen; staat mij dus toe, naar mijn heer te vertrekken.
57Вони ж сказали: Прикличмо дївицю, та й спитаймо її з уст її.
57Ze zeiden: We zullen het meisje roepen, en het haar zelf vragen.
58І прикликали Ребеку, і казали їй: Чи пійдеш з чоловіком сим? Вона ж каже: Пійду.
58Zij riepen Rebekka, en vroegen haar: Wilt ge met dien man meegaan? Zij antwoordde: Ja!
59І відпустили Ребеку, сестру свою, і мамку її, і раба Авраамового, і хто з ним були.
59Nu lieten ze hun zuster Rebekka vertrekken, vergezeld van haar min en den dienaar van Abraham met zijn volk.
60І благословили Ребеку, і промовили до неї: Нехай же родяться від тебе, сестро наша, тисячі тисяч, і потомство твоє нехай підгортає під себе царини ворогів твоїх!
60Zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: Zuster, moogt ge tot duizend maal tienduizenden groeien, En moge uw kroost de poorten bezitten van die het haten.
61Уставши ж Ребека й рабинї її посїдали на верблюди, та й пішли з чоловіком. І взяв раб Ребеку, та й пішов.
61Toen maakten Rebekka en haar dienstmaagd zich klaar, stegen op de kamelen, en sloten zich aan bij den man; de dienaar nam Rebekka mee, en vertrok.
62Ізаак же прийшов з Бейер-Лахай-Рої; жив бо він у землї полуденнїй.
62Intussen was Isaäk naar de woestijn bij de bron van Lachai-Roï getrokken, en woonde hij in het land van de Négeb.
63Вийшов же над вечір Ізаак на поле, розігнати думки. І позирне очима своїми, та й бачить, ідуть верблюда.
63Eens was Isaäk bij het vallen van de avond het veld ingegaan, om zich wat te verzetten; toevallig sloeg hij zijn ogen op, en zie: daar kwamen kamelen aan.
64І позирнувши Ребека очима своїми, побачила Ізаака та й ізскочила з верблюда.
64Ook Rebekka sloeg haar ogen op; en toen zij Isaäk zag, liet zij zich van haar kameel afglijden,
65І каже рабові: Хто сей чоловік, що йде по полю на зустріч нам? Каже ж раб: Се пан мій; вона узявши намітку, закуталась.
65en sprak tot den dienaar: Wie is die man daar, die ons in het veld tegemoet komt? De dienaar antwoordde: Dat is mijn meester. Toen nam ze haar sluier, en bedekte zich.
66І повідав раб Ізаакові все, що вчинив.
66En nadat de dienaar alles, wat hij gedaan had, aan Isaäk had verteld,
67Увійшов же Ізаак у намет матері своєї, і взяв Ребеку, і стала йому жінкою, і влюбив її, і втїшивсь Ізаак по Саррі, матері своїй.
67leidde Isaäk Rebekka naar de tent van Sara zijn moeder, en nam haar tot vrouw. Isaäk kreeg haar lief, en troostte zich over de dood van zijn moeder.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.