1 Мойсея 31
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Перечув же Яков слова синів Лабанових, що мовляли: Узяв Яков усе, що було в батька нашого, і з того, що було в батька нашого, вбивсь у всю славу його.
1Jakob vernam, dat de zonen van Laban zeiden: Jakob heeft zich meester gemaakt van heel het vermogen van onzen vader, en zich uit de bezittingen van onzen vader al die rijkdom verworven.
2І дививсь Яков на лице Лабанове, аж воно до його не таке, як перше.
2Ook zag Jakob aan Labans gezicht, dat hij hem niet meer zo gunstig gezind was als vroeger.
3Каже ж Господь Яковові: Вертайсь на батьківщину твою, і до роду твого, і буду з тобою.
3Daarenboven sprak Jahweh tot Jakob: Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw familie; Ik zal u bijstaan.
4Послав же Яков, і покликав Лею й Рахелю на поле, де були стада.
4Toen zond Jakob een boodschap naar Rachel en Lea, en liet haar naar het veld bij zijn kudde roepen.
5І каже їм: Бачу я лице батька вашого, що не таке до мене, як перше; Бог же панотця мого був зо мною.
5Hij zeide tot haar: Ik zie, dat uw vader mij niet meer zo gunstig gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader staat mij bij.
6І самі знаєте, що всьою снагою моєю працював я батькові вашому.
6Gij weet zelf, dat ik naar best vermogen uw vader gediend heb,
7Батько ж ваш ошукав мене, і переміняв плату мою десять раз; та не попустив йому Бог ушкодити менї.
7ofschoon uw vader mij heeft bedrogen, en wel tienmaal mijn loon heeft gewijzigd. Maar God stond hem niet toe, mij te benadelen.
8Як скаже було так: Пестрі будуть плата твоя; тодї котяться вівцї всї пестрими; як же скаже: Крапасті будуть плата твоя, тодї котяться всї вівцї крапастими.
8Wanneer hij zeide: de gevlekte dieren zullen uw loon zijn, wierp de hele kudde gevlekte jongen. En als hij zeide: de gestreepte dieren zullen uw loon zijn, wierp de hele kudde gestreepte.
9Так одняв Бог усю скотину в батька вашого й дав менї.
9Zo ontnam God aan uw vader wat hij bezat, en gaf het aan mij.
10І сталось того часу, як вівцї гуляли, зняв я очі мої й бачив уві снї: се, которі барани і козли спинались на вівцї й кози, були переполасі крапасті й рябі.
10Ook gebeurde het eens in de bronstijd der kudde, dat ik in een droom mijn ogen opsloeg en zag, hoe de gestreepte, gespikkelde en gevlekte bokken de geiten besprongen.
11І рече менї ангел Божий уві снї: Якове! Я ж кажу: Ось я!
11En de engel van Jahweh sprak tot mij in de droom: Jakob! Ik antwoordde: Hier ben ik!
12І рече: Споглянь лишень очима твоїми, та подивись: усї барани й козли, що спинаються на вівцї й кози, переполасі, пестрі й крапасті; вбачав бо я все, що Лабан тобі витворяє.
12Hij sprak: Sla uw ogen op en zie, hoe alle bokken, die de geiten bespringen, gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want Ik heb alles gezien, wat Laban u aandoet.
13Я Бог з Бетеля, де намастив єси стовпа і обрікся єси менї словом. Тепер же встань, ізійди з сієї країни, та вертайсь на країну рідну.
13Ik ben de God van Betel, waar gij de gedenksteen hebt gezalfd, en Mij een gelofte hebt gedaan. Maak u nu gereed, om uit dit land te vertrekken en terug te keren naar uw geboortegrond.
14І відказуючи Рахеля й Лея, сказали йому: Хиба є тутеньки нам частина й наслїддє в госпо́дї, в батька нашого?
14Rachel en Lea antwoordden hem: Hebben we soms nog deel of erfenis in het huis van onzen vader?
15Хиба ж не за чужениць уважає нас він? Попродав бо нас і зажер срібло наше.
15Zijn we door hem niet als vreemden beschouwd. Ja, hij heeft ons verkocht, en bovendien onze bruidsprijs verteerd.
16Бо все багатирство й слава, що відняв Бог у батька нашого, наше й дїток наших. Оце ж тепереньки все, що Бог рече, чини.
16Waarachtig, heel het vermogen, dat God onzen vader heeft ontnomen, behoort aan ons en onze kinderen. Doe dus alles wat God u gezegd heeft.
17Зьнявся ж Яков, і посадив сини свої і жени на верблюди.
17Toen stond Jakob op, zette zijn zonen en vrouwen op kamelen,
18І позабирав усю скотину свою й усї добутки, що здобув у Падам-Арамі в Мезопотамії, щоб вертатись до Ізаака, батька свого в Канаан землю.
18en voerde zijn vee en al zijn have, die hij bezat, en heel het vermogen, dat hij in Paddan-Aram had verworven, met zich mee, om naar zijn vader Isaäk in het land Kanaän te vertrekken.
19Як же відлучився Лабан стригти вівцї свої, покрала Рахеля ідоли в батька свого;
19En terwijl Laban afwezig was, om zijn schapen te scheren, stal Rachel de terafim van haar vader.
20І викрався Яков несподївано Лабанові, Араміянинові, не сповістивши його про втеки.
20Jakob bedroog Laban, den Arameër, door zijn vlucht voor hem verborgen te houden.
21І втїк сам з усїм своїм, і перебрів через річку й простував у Галаад гори.
21Zo nam hij de wijk met alles, wat hij bezat, stak de rivier over, en sloeg de weg in naar het gebergte van Gilad.
22Переказано ж Лабанові на третїй день, що Яков утїк.
22Op de derde dag kwam men Laban boodschappen, dat Jakob de vlucht had genomen.
23І взявши сини й браттє своє з собою, здоганяв його семиденним погоном, та й наздогнав його на Галаад горах.
23Aanstonds verzamelde hij zijn verwanten, zette hem zeven dagen lang achterna, en haalde hem bij het gebergte van Gilad in.
24Прийшов же Бог до Лабана Араміянина ночною добою вві снї, і рече йому: Остерегайся звязуватись із Яковом.
24Maar die nacht verscheen God in een droom aan Laban, den Arameër, en sprak tot hem: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
25І наздогнав Лабан Якова. Яков же поставив намети свої на горі, і Лабан отаборив браттє своє на Галаад горах.
25Laban had Jakob ingehaald, toen deze zijn tent had gespannen in het gebergte: en nadat ook Laban zijn tent in het gebergte Gilad had opgeslagen,
26Каже ж Лабан Яковові: Що вкоїв єси? Про що викравсь єси потай мене, та позавозив дочки мої мов бранки?
26zei Laban tot Jakob: Wat hebt ge gedaan, met mij zo te bedriegen en mijn dochters weg te slepen, als waren ze geroofd met het zwaard in de vuist?
27Чого втїкав єси потай мене, та викравсь від мене, не сповістивши мене? Відпустив би тебе з покликами й пісьнями, з тимпанами й гуслями.
27Waarom zijt ge heimelijk gevlucht; waarom hebt ge mij misleid, en mij niets laten weten? Ik zou u uitgeleide hebben gedaan onder jubel en gezang, met tamboerijn en harp.
28І не дозволив єси менї цїлувати внуки мої й дочки мої. Се ж учинив єси по дурному, вдїявши таке.
28Ge hebt me zelfs belet, om mijn zonen en dochters vaarwel te kussen. Hoe dom hebt ge gedaan!
29Тепер би мав я силу покарати тебе, та Бог отця твого вчора вночі рече до мене, словами: Остерегайся звязуватись із Яковом.
29Ik heb het in mijn hand, u kwaad te doen; maar de God van uw vader zeide deze nacht tot mij: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
30Нехай би ти пійшов геть тому́, що тяжко зажуривсь по госпо́дї отця твого, про що ж украв єси боги мої?
30Maar als ge zijt heengegaan, enkel omdat ge zo vurig naar uw vaderlijk huis verlangt, waarom hebt ge dan mijn goden gestolen? Toen gaf Jakob Laban ten antwoord:
31Відказав же Яков і рече до Лабана: Бо злякався, думаючи, що поодіймаєш дочки твої в мене і усе моє,
31Omdat ik bang was en dacht, dat gij mij anders met geweld uw dochters zoudt ontnemen.
32У кого ж ізнайдеш боги твої, той не жити ме на сьвітї. Перед нашою браттєю познавай, що твоє в мене, та й бери собі. Не знав же Яков, що Рахеля покрала боги.
32Maar hij, bij wien gij uw goden vindt, blijft niet in leven! Onderzoek dus in tegenwoordigheid van onze verwanten, wat er van u bij mij wordt gevonden, en neem dat mee. Want Jakob wist niet, dat Rachel ze gestolen had.
33Увійшовши ж Лабан у Яковів намет і в Леїну кущу, і в кущу двох рабинь, не знайшов. Увійшов же й у намет Рахелин.
33Laban ging dus de tent van Jakob binnen, en daarna de tenten van Lea en van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Uit de tent van Lea gekomen, ging hij de tent van Rachel binnen.
34Рахеля ж узяла ідоли, та й підложила під верблюдове сїдло, та й сїла на них. І обшарив Лабан усю кущу, та й не знайшов.
34Maar Rachel had de terafim weggenomen, ze in het zadel van haar kameel verstopt, en was er op gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, maar vond niets.
35І каже батькові свойму: Не гнївись, панотченьку, що не можу встати перед тобою; бо звичайне женське в мене. Шукав же він та й не знайшов ідолів.
35Want ze zei tot haar vader: Mijn heer neme het mij niet kwalijk, dat ik niet voor u kan opstaan; want het gaat me naar de wijze der vrouwen. Hoe hij ook zocht, hij vond de terafim niet.
36Прогнївився ж Яков і звязавсь у сварку з Лабаном: Яка провина моя? Який гріх мій, що вганяв єси так гаряче за мною?
36Toen ontstak Jakob in toorn, en beet Laban nijdig toe: Wat is eigenlijk mijn vergrijp en mijn misdaad, dat ge me zo verwoed achtervolgt,
37Переглянув єси всї речі домові в мене, що ж ізнайшов єси з усїх річей дому твого? Поклади тутеньки перед браттєю твоєю й браттєю моєю, щоб розсудили між обома нами.
37en heel mijn hebben en houden doorsnuffelt? Hebt ge soms iets van uw eigen huisraad gevonden? Leg het dan neer voor mijn en uw verwanten, en laten zij tussen ons beiden beslissen.
38Двайцять років оце вже я з тобою. Вівцї твої й кози твої не звергали, і баранїв із отари твоєї не їв я.
38Twintig jaar lang ben ik bij u geweest. Uw schapen en geiten hebben geen misdracht gehad, de rammen van uw kudden heb ik niet opgegeten.
39Зьвіроїдини не принїс до тебе; із мого нїс я втрату сю; з мого власного вимагав єси, чи вхоплено в день, чи в ночі.
39Wat door wilde dieren verscheurd werd, heb ik op u niet verhaald, maar het telkens vergoed. Van mij hebt ge terug durven eisen, wat mij des daags of des nachts werd ontstolen.
40У день бо пекла мене спека, в ночі морозила холоднеча, і сон утїкав од очу в мене.
40Overdag verging ik van hitte en van koude des nachts, en de slaap vluchtte weg van mijn ogen.
41Так пробував я двайцять років у твоїй господї. Парубкував я чотирнайцять років задля двох дочок твоїх і шість років за вівцї твої, ти ж переміняв плату мою десять раз.
41Twintig jaar lang ben ik nu in uw huis; veertien jaar diende ik u om uw twee dochters, zes jaar om uw kudde, en mijn loon hebt ge wel tienmaal veranderd.
42Коли б не Бог отця мого, Бог Авраамів, та не страх Ізааків був ізо мною, певно тепер в порожнї випустив би єси мене. Бідуваннє моє й працю рук моїх побачив Бог і докорив тебе вчора в ночі.
42Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Isaäk, mij niet had geholpen, dan hadt ge me nu met lege handen laten gaan. Maar God heeft mijn ellende en mijn moeizame arbeid gezien, en in de afgelopen nacht heeft Hij vonnis gewezen.
43Відказав же Лабан, і каже до Якова: Дочки, мої дочки, і дїти, мої дїти, і скотина, моя скотина, і все, що видиш, то моє; що ж можу я заподїяти сим дочкам моїм або дїтям, що вони породили?
43Toen nam Laban het woord, en zeide tot Jakob: Het zijn mijn eigen dochters en zonen, het is mijn eigen vee, en alles wat gij hier ziet, is van mij. Hoe zou ik dan nu mijn eigen dochters leed kunnen doen, of haar zonen, die zij hebben gebaard?
44Оце ж нумо чинити умову, я й ти, і нехай він буде за сьвідка між мною й тобою.
44Kom, laten we liever een verbond met elkaar sluiten; en al is er ook niemand anders bij, zie God zal getuige zijn tussen mij en u.
45І взявши Яков каменя, поставив його на спомин.
45Toen nam Jakob een steen, en richtte die als gedenkteken op.
46Каже ж Яков до браттї своєї: Назбирайте каміння. І назбирали каміння й зробили могилу і трапезували там на могилї.
46En Jakob sprak tot zijn verwanten: Raapt stenen bijeen. Ze verzamelden dus stenen, maakten een steenhoop, en hielden daar op die steenhoop een maaltijd.
47І прозвав його Лабан Егар-Сагадута; Яков же прозвав його Галлед.
47Laban noemde hem Jegar-Sahadoeta, en Jakob noemde hem Gal-Ed.
48Каже ж Лабан до Якова: Ся могила, се сьвідок між мною й тобою. Тим і прізвище дано могилї Галлед.
48Nu sprak Laban: Deze steenhoop zij heden een getuige tussen mij en u. Daarom noemde hij hem Gal-Ed
49І Мизпа від того, що Лабан сказав: Нехай вартує Господь між мною й тобою, як ми розійдемось різно одни з одним.
49en Mispa. Want hij ging voort: Jahweh zij de Wacht tussen mij en u, wanneer we ons van elkander hebben gescheiden:
50Коли зневажати меш дочок моїх або візьмеш над мої дочки жен, не чоловік буде між нами, нї! Бог сьвідок між мною й тобою.
50“Ge zult mijn dochters nooit mishandelen, en geen andere vrouwen nemen buiten mijn dochters”. En al is er ook niemand bij, zie, God is getuige tussen mij en u.
51І каже Лабан Яковові: Дивись на сю могилу і дивись на стовпа, що я поставив між мною й тобою.
51En Laban vervolgde tot Jakob: Zie deze steenhoop en deze gedenksteen, die ik heb opgericht, staan tussen ons in.
52Ся могила сьвідок і сей стовп сьвідок, що не перейду за сю могилу до тебе, і ти не перейдеш за сю могилу і за сього стовпа до мене на шкоду.
52Deze steenhoop is getuige, en getuige is ook deze gedenksteen: “Ik zal nooit voorbij deze steenhoop met kwade bedoelingen naar u toe komen, en gij voorbij deze steenhoop en deze gedenksteen niet naar mij!
53Бог Авраамів і Бог Нахорів, Бог їх отця, суди між нами. І клявсь Яков страхом отця свого Ізаака.
53De God van Abraham, en de God van Nachor moge oordelen tussen ons beiden”. En Jakob zwoer het bij den Gevreesde van Isaäk, zijn vader.
54І принїс Яков жертву на горі, і покликав браттє своє до вживання хлїба солї, і вживали хлїб сїль, та й обночувались на горі.
54Nu slachtte Jakob een offerande op de berg, en nodigde zijn verwanten tot de maaltijd uit; en nadat zij hadden gegeten, bleven ze op de berg overnachten.
55Уставши ж Лабан рано в ранцї, цїлував сини й дочки свої і благословив їх, і рушив у дорогу, і вернувсь на займище своє.
55De volgende morgen brak Laban op, kuste zijn zonen en dochters vaarwel, zegende hen en ging heen, om naar zijn woonplaats terug te keren.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.