ΓΕΝΕΣΙΣ 31
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ἤκουσε δὲ Ἰακὼβ τὰ ῥήματα τῶν υἱῶν Λάβαν, λεγόντων, εἴληφεν Ἰακὼβ πάντα τὰ τοῦ πατρὸς ἡμῶν, καὶ ἐκ τῶν τοῦ πατρὸς ἡμῶν πεποίηκε πᾶσαν τὴν δόξαν ταύτην.
1Jakob vernam, dat de zonen van Laban zeiden: Jakob heeft zich meester gemaakt van heel het vermogen van onzen vader, en zich uit de bezittingen van onzen vader al die rijkdom verworven.
2Καὶ εἶδεν Ἰακὼβ τὸ πρόσωπον τοῦ Λάβαν, καὶ ἰδοὺ οὐκ ἦν πρὸς αὐτὸν ὡσεὶ χθὲς καὶ τρίτην ἡμέραν.
2Ook zag Jakob aan Labans gezicht, dat hij hem niet meer zo gunstig gezind was als vroeger.
3Εἶπε δὲ Κύριος πρὸς Ἰακὼβ, ἀποστρέφου εἰς τὴν γῆν τοῦ πατρός σου, καὶ εἰς τὴν γενεάν σου, καὶ ἔσομαι μετὰ σοῦ.
3Daarenboven sprak Jahweh tot Jakob: Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw familie; Ik zal u bijstaan.
4Ἀποστείλας δὲ Ἰακὼβ ἐκάλεσε Λείαν καὶ Ῥαχὴλ εἰς τὸ πεδίον, οὗ ἦν τὰ ποίμνια.
4Toen zond Jakob een boodschap naar Rachel en Lea, en liet haar naar het veld bij zijn kudde roepen.
5Καὶ εἶπεν αὐταῖς, ὁρῶ ἐγὼ τὸ πρόσωπον τοῦ πατρὸς ὑμῶν, ὅτι οὐκ ἔστι πρὸς ἐμοῦ, ὡς ἐχθὲς καὶ τρίτην ἡμέραν· ὁ δὲ Θεὸς τοῦ πατρός μου ἦν μετʼ ἐμοῦ.
5Hij zeide tot haar: Ik zie, dat uw vader mij niet meer zo gunstig gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader staat mij bij.
6Καὶ αὐταὶ δὲ οἴδατε, ὅτι ἐν πάσῃ τῇ ἰσχύϊ μου δεδούλευκα τῷ πατρὶ ὑμῶν.
6Gij weet zelf, dat ik naar best vermogen uw vader gediend heb,
7Ὁ δὲ πατὴρ ὑμῶν παρεκρούσατό με, καὶ ἤλλαξε τὸν μισθόν μου τῶν δέκα ἀμνῶν· καὶ οὐκ ἔδωκεν αὐτῷ ὁ Θεὸς κακοποιῆσαί με.
7ofschoon uw vader mij heeft bedrogen, en wel tienmaal mijn loon heeft gewijzigd. Maar God stond hem niet toe, mij te benadelen.
8Ἐὰν οὕτως εἴπῃ, τὰ ποικίλα ἔσται σου μισθὸς, καὶ τέξεται πάντα τὰ πρόβατα ποικίλα· ἐὰν δὲ εἴπῃ, τὰ λευκὰ ἔσται σου μισθὸς, καὶ τέξεται πάντα τὰ πρόβατα λευκά.
8Wanneer hij zeide: de gevlekte dieren zullen uw loon zijn, wierp de hele kudde gevlekte jongen. En als hij zeide: de gestreepte dieren zullen uw loon zijn, wierp de hele kudde gestreepte.
9Καὶ ἀφείλετο ὁ Θεὸς πάντα τὰ κτήνη τοῦ πατρὸς ὑμῶν, καὶ ἔδωκέ μοι αὐτά.
9Zo ontnam God aan uw vader wat hij bezat, en gaf het aan mij.
10Καὶ ἐγένετο ἡνίκα ἐνεκίσσων τὰ πρόβατα ἐν γαστρὶ λαμβάνοντα, καὶ εἶδον τοῖς ὀφθαλμοῖς μου ἐν τῷ ὕπνῳ· καὶ ἰδοὺ οἱ τράγοι καὶ οἱ κριοὶ ἀναβαίνοντες ἐπὶ τὰ πρόβατα καὶ τὰς αἶγας, διάλευκοι καὶ ποικίλοι καὶ σποδοειδεῖς ῥαντοί.
10Ook gebeurde het eens in de bronstijd der kudde, dat ik in een droom mijn ogen opsloeg en zag, hoe de gestreepte, gespikkelde en gevlekte bokken de geiten besprongen.
11Καὶ εἶπέ μοι ὁ Ἄγγελος τοῦ Θεοῦ καθʼ ὕπνον, Ἰακώβ· ἐγὼ δὲ εἶπα, τί ἐστι;
11En de engel van Jahweh sprak tot mij in de droom: Jakob! Ik antwoordde: Hier ben ik!
12Καὶ εἶπεν, ἀνάβλεψον τοῖς ὀφθαλμοῖς σου, καὶ ἴδε τοὺς τράγους καὶ τοὺς κριοὺς ἀναβαίνοντας ἐπὶ τὰ πρόβατα καὶ τὰς αἶγας διαλεύκους καὶ ποικίλους καὶ σποδοειδεῖς ῥαντούς· ἑώρακα γὰρ ὅσα σοι Λάβαν ποιεῖ.
12Hij sprak: Sla uw ogen op en zie, hoe alle bokken, die de geiten bespringen, gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want Ik heb alles gezien, wat Laban u aandoet.
13Ἐγώ εἰμι ὁ Θεὸς ὁ ὀφθείς σοι ἐν τόπῳ Θεοῦ, οὗ ἤλειψάς μοι ἐκεῖ στήλην, καὶ ηὔξω μοι ἐκεῖ εὐχήν· νῦν οὖν ἀνάστηθι, καὶ ἔξελθε ἐκ τῆς γῆς ταύτης, καὶ ἄπελθε εἰς τὴν γῆν τῆς γενέσεώς σου, καὶ ἔσομαι μετὰ σοῦ.
13Ik ben de God van Betel, waar gij de gedenksteen hebt gezalfd, en Mij een gelofte hebt gedaan. Maak u nu gereed, om uit dit land te vertrekken en terug te keren naar uw geboortegrond.
14Καὶ ἀποκριθεῖσαι Ῥαχὴλ καὶ Λεία εἶπαν αὐτῷ, μὴ ἔστιν ἡμῖν ἔτι μερὶς ἢ κληρονομία ἐν τῷ οἴκῳ τοῦ πατρὸς ἡμῶν;
14Rachel en Lea antwoordden hem: Hebben we soms nog deel of erfenis in het huis van onzen vader?
15Οὐχ ὡς αἱ ἀλλότριαι λελογίσμεθα αὐτῷ; πέπρακε γὰρ ἡμᾶς, καὶ καταβρώσει κατέφαγε τὸ ἀργύριον ἡμῶν.
15Zijn we door hem niet als vreemden beschouwd. Ja, hij heeft ons verkocht, en bovendien onze bruidsprijs verteerd.
16Πάντα τὸν πλοῦτον καὶ τὴν δόξαν, ἣν ἀφείλετο ὁ Θεὸς τοῦ πατρὸς ἡμῶν, ἡμῖν ἔσται καὶ τοῖς τέκνοις ἡμῶν· νῦν οὖν ὅσα σοι εἴρηκεν ὁ Θεὸς, ποίει.
16Waarachtig, heel het vermogen, dat God onzen vader heeft ontnomen, behoort aan ons en onze kinderen. Doe dus alles wat God u gezegd heeft.
17Ἀναστὰς δὲ Ἰακὼβ ἔλαβε τὰς γυναῖκας αὐτοῦ καὶ τὰ παιδία αὐτοῦ ἐπὶ τὰς καμήλους·
17Toen stond Jakob op, zette zijn zonen en vrouwen op kamelen,
18Καὶ ἀπήγαγε πάντα τὰ ὑπάρχοντα αὐτῷ, καὶ πᾶσαν τὴν ἀποσκευὴν αὐτοῦ, ἣν περιεποιήσατο ἐν τῇ Μεσοποταμίᾳ, καὶ πάντα τὰ αὐτοῦ, ἀπελθεῖν πρὸς Ἰσαὰκ τὸν πατέρα αὐτοῦ εἰς γῆν Χαναάν.
18en voerde zijn vee en al zijn have, die hij bezat, en heel het vermogen, dat hij in Paddan-Aram had verworven, met zich mee, om naar zijn vader Isaäk in het land Kanaän te vertrekken.
19Λάβαν δὲ ᾤχετο κεῖραι τὰ πρόβατα αὐτοῦ· ἔκλεψε δὲ Ῥαχὴλ τὰ εἴδωλα τοῦ πατρὸς αὐτῆς.
19En terwijl Laban afwezig was, om zijn schapen te scheren, stal Rachel de terafim van haar vader.
20Ἔκρυψε δὲ Ἰακὼβ Λάβαν τὸν Σύρον, τοῦ μὴ ἀναγγεῖλαι αὐτῷ, ὅτι ἀποδιδράσκει.
20Jakob bedroog Laban, den Arameër, door zijn vlucht voor hem verborgen te houden.
21Καὶ ἀπέδρα αὐτὸς, καὶ τὰ αὐτοῦ πάντα, καὶ διέβη τὸν ποταμὸν, καὶ ὥρμησεν εἰς τὸ ὄρος Γαλαάδ.
21Zo nam hij de wijk met alles, wat hij bezat, stak de rivier over, en sloeg de weg in naar het gebergte van Gilad.
22Ἀνηγγέλη δὲ Λάβαν τῷ Σύρῳ τῇ ἡμέρᾳ τῇ τρίτῃ, ὅτι ἀπέδρα Ἰακώβ.
22Op de derde dag kwam men Laban boodschappen, dat Jakob de vlucht had genomen.
23Καὶ παραλαβὼν τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ μεθʼ ἑαντοῦ, ἐδίωξεν ὀπίσω αὐτοῦ ὁδὸν ἡμερῶν ἑπτά· καὶ κατέλαβεν αὐτὸν ἐν τῷ ὄρει Γαλαάδ.
23Aanstonds verzamelde hij zijn verwanten, zette hem zeven dagen lang achterna, en haalde hem bij het gebergte van Gilad in.
24Ἦλθε δὲ ὁ Θεὸς πρὸς Λάβαν τὸν Σύρον καθʼ ὕπνον τὴν νύκτα, καὶ εἶπεν αὐτῷ, Φύλαξαι σεαυτὸν μή ποτε λαλήσῃς μετὰ Ἰακὼβ πονηρά.
24Maar die nacht verscheen God in een droom aan Laban, den Arameër, en sprak tot hem: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
25Καὶ κατέλαβε Λάβαν τὸν Ἰακώβ· Ἰακὼβ δὲ ἔπηξεν τὴν σκηνὴν αὐτοῦ ἐν τῷ ὄρει· Λάβαν δὲ ἔστησε τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ ἐν τῷ ὄρει Γαλαάδ.
25Laban had Jakob ingehaald, toen deze zijn tent had gespannen in het gebergte: en nadat ook Laban zijn tent in het gebergte Gilad had opgeslagen,
26Εἶπε δὲ Λάβαν τῷ Ἰακὼβ, τί ἐποίησας; ἱνατί κρυφῇ ἀπέδρας, καὶ ἐκλοποφόρησάς με, καὶ ἀπήγαγες τὰς θυγατέρας μου, ὡς αἰχμαλώτιδας μαχαίρᾳ;
26zei Laban tot Jakob: Wat hebt ge gedaan, met mij zo te bedriegen en mijn dochters weg te slepen, als waren ze geroofd met het zwaard in de vuist?
27Καὶ εἰ ἀνήγγειλάς μοι, ἐξαπέστειλα ἄν σε μετʼ εὐφροσύνης, καὶ μετὰ μουσικῶν, καὶ τυμπάνων, καὶ κιθάρας.
27Waarom zijt ge heimelijk gevlucht; waarom hebt ge mij misleid, en mij niets laten weten? Ik zou u uitgeleide hebben gedaan onder jubel en gezang, met tamboerijn en harp.
28Καὶ οὐκ ἠξιώθην καταφιλῆσαι τὰ παιδία μου, καὶ τὰς θυγατέρας μου· νῦν δὲ ἀφρόνως ἔπραξας.
28Ge hebt me zelfs belet, om mijn zonen en dochters vaarwel te kussen. Hoe dom hebt ge gedaan!
29Καὶ νῦν ἰσχύει ἡ χείρ μου κακοποιῆσαί σε· ὁ δὲ Θεὸς τοῦ πατρός σου χθὲς εἶπε πρός με, λέγων, Φύλαξαι σεαυτὸν μή ποτε λαλήσῃς μετὰ Ἰακὼβ πονηρά.
29Ik heb het in mijn hand, u kwaad te doen; maar de God van uw vader zeide deze nacht tot mij: Pas er voor op, Jakob ook maar iets te verwijten.
30Νῦν οὖν πεπόρευσαι· ἐπιθυμίᾳ γὰρ ἐπεθύμησας ἀπελθεῖν εἰς τὸν οἶκον τοῦ πατρός σου· ἱνατί ἔκλεψας τοὺς θεούς μου;
30Maar als ge zijt heengegaan, enkel omdat ge zo vurig naar uw vaderlijk huis verlangt, waarom hebt ge dan mijn goden gestolen? Toen gaf Jakob Laban ten antwoord:
31Ἀποκριθεὶς δὲ Ἰακὼβ εἶπε τῷ Λάβαν, ὅτι ἐφοβήθην· εἶπα γὰρ, μή ποτε ἀφέλῃ τὰς θυγατέρας σου ἀπʼ ἐμοῦ, καὶ πάντα τὰ ἐμά.
31Omdat ik bang was en dacht, dat gij mij anders met geweld uw dochters zoudt ontnemen.
32Καὶ εἶπεν Ἰακὼβ, παρʼ ᾧ ἂν εὕρῃς τοὺς θεούς σου, οὐ ζήσεται ἐναντίον τῶν ἀδελφῶν ἡμῶν· ἐπίγνωθι τί ἐστι παρʼ ἐμοὶ τῶν σῶν, καὶ λάβε· καὶ οὐκ ἐπέγνω παρʼ αὐτῷ οὐθέν· οὐκ ᾔδει δὲ Ἰακὼβ, ὅτι Ῥαχὴλ ἡ γυνὴ αὐτοῦ ἔκλεψεν αὐτούς.
32Maar hij, bij wien gij uw goden vindt, blijft niet in leven! Onderzoek dus in tegenwoordigheid van onze verwanten, wat er van u bij mij wordt gevonden, en neem dat mee. Want Jakob wist niet, dat Rachel ze gestolen had.
33Εἰσελθὼν δὲ Λάβαν ἠρεύνησεν εἰς τὸν οἶκον Λείας, καὶ οὐχ εὗρεν· καὶ ἐξῆλθεν ἐκ τοῦ οἴκου Λείας, καὶ ἠρεύνησε τὸν οἶκον Ἰακὼβ, καὶ ἐν τῷ οἴκῳ τῶν δύο παιδισκῶν, καὶ οὐχ εὗρεν· εἰσῆλθε δὲ καὶ εἰς τὸν οἶκον Ῥαχήλ.
33Laban ging dus de tent van Jakob binnen, en daarna de tenten van Lea en van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Uit de tent van Lea gekomen, ging hij de tent van Rachel binnen.
34Ῥαχὴλ δὲ ἔλαβε τὰ εἴδωλα, καὶ ἐνέβαλεν αὐτὰ εἰς τὰ σάγματα τῆς καμήλου, καὶ ἐπεκάθισεν αὐτοῖς.
34Maar Rachel had de terafim weggenomen, ze in het zadel van haar kameel verstopt, en was er op gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, maar vond niets.
35Καὶ εἶπε τῷ πατρὶ αὐτῆς, μὴ βαρέως φέρε, κύριε· οὐ δυνάμαι ἀναστῆναι ἐνώπιόν σου, ὅτι τὰ κατʼ ἐθισμὸν τῶν γυναικῶν μοι ἐστίν· ἠρεύνησε Λάβαν ἐν ὅλῳ τῷ οἴκῳ, καὶ οὐχ εὗρε τὰ εἴδωλα.
35Want ze zei tot haar vader: Mijn heer neme het mij niet kwalijk, dat ik niet voor u kan opstaan; want het gaat me naar de wijze der vrouwen. Hoe hij ook zocht, hij vond de terafim niet.
36Ὠργίσθη δὲ Ἰακὼβ, καὶ ἐμαχέσατο τῷ Λάβαν· ἀποκριθεὶς δὲ Ἰακὼβ εἶπε τῷ Λάβαν, τί τὸ ἀδίκημά μου; καὶ τί τὸ ἁμάρτημά μου, ὅτι κατεδίωξας ὀπίσω μου,
36Toen ontstak Jakob in toorn, en beet Laban nijdig toe: Wat is eigenlijk mijn vergrijp en mijn misdaad, dat ge me zo verwoed achtervolgt,
37καὶ ὅτι ἠρεύνησας πάντα τὰ σκεύη τοῦ οἴκου μου; τί εὗρες ἀπὸ πάντων τῶν σκευῶν τοῦ οἴκου σου; θὲς ὧδε ἐνώπιον τῶν ἀδελφῶν σου καὶ τῶν ἀδελφῶν μου, καὶ ἐλεγξάτωσαν ἀνὰ μέσον τῶν δύο ἡμῶν.
37en heel mijn hebben en houden doorsnuffelt? Hebt ge soms iets van uw eigen huisraad gevonden? Leg het dan neer voor mijn en uw verwanten, en laten zij tussen ons beiden beslissen.
38Ταῦτά μοι εἴκοσι ἔτη ἐγώ εἰμι μετὰ σοῦ· τὰ πρόβατά σου καὶ αἱ αἶγές σου οὐκ ἠτεκνώθησαν· κριοὺς τῶν προβάτων σου οὐ κατέφαγον.
38Twintig jaar lang ben ik bij u geweest. Uw schapen en geiten hebben geen misdracht gehad, de rammen van uw kudden heb ik niet opgegeten.
39Θηριάλωτον οὐκ ἐνήνοχά σοι· ἐγὼ ἀπετίννυον παρʼ ἐμαυτοῦ κλέμματα ἡμέρας, καὶ κλέμματα νυκτός.
39Wat door wilde dieren verscheurd werd, heb ik op u niet verhaald, maar het telkens vergoed. Van mij hebt ge terug durven eisen, wat mij des daags of des nachts werd ontstolen.
40Ἐγενόμην τῆς ἡμέρας συγκαιόμενος τῷ καύματι, καὶ τῷ παγετῷ τῆς νυκτός· καὶ ἀφίστατο ὁ ὕπνος μου ἀπὸ τῶν ὀφθαλμῶν μου.
40Overdag verging ik van hitte en van koude des nachts, en de slaap vluchtte weg van mijn ogen.
41Ταῦτά μοι εἴκοσι ἔτη ἐγώ εἰμι ἐν τῇ οἰκίᾳ σου· ἐδούλευσά σοι δεκατέσσαρα ἔτη ἀντὶ τῶν δύο θυγατέρων σου, καὶ ἓξ ἔτη ἐν τοῖς προβάτοις σου, καὶ παρελογίσω τὸν μισθόν μου δέκα ἀμνάσιν.
41Twintig jaar lang ben ik nu in uw huis; veertien jaar diende ik u om uw twee dochters, zes jaar om uw kudde, en mijn loon hebt ge wel tienmaal veranderd.
42Εἰ μὴ ὁ Θεὸς τοῦ πατρός μου Ἁβραὰμ, καὶ ὁ φόβος Ἰσαὰκ, ἦν μοι, νῦν ἂν κενόν με ἐξαπέστειλας· τὴν ταπείνωσίν μου, καὶ τὸν κόπον τῶν χειρῶν μου, εἶδεν ὁ Θεός· καὶ ἤλεγξέ σε χθές.
42Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Isaäk, mij niet had geholpen, dan hadt ge me nu met lege handen laten gaan. Maar God heeft mijn ellende en mijn moeizame arbeid gezien, en in de afgelopen nacht heeft Hij vonnis gewezen.
43Ἀποκριθεὶς δὲ Λάβαν εἶπε τῷ Ἰακὼβ, αἱ θυγατέρες, θυγατέρες μου, καὶ υἱοὶ, υἱοί μου, καὶ τὰ κτήνη, κτήνη μου· καὶ πάντα ὅσα σὺ ὁρᾷς, ἐμά ἐστι, καὶ τῶν θυγατέρων μου· τί ποιήσω ταύταις σήμερον ἢ τοῖς τέκνοις αὐτῶν, οἷς ἔτεκον;
43Toen nam Laban het woord, en zeide tot Jakob: Het zijn mijn eigen dochters en zonen, het is mijn eigen vee, en alles wat gij hier ziet, is van mij. Hoe zou ik dan nu mijn eigen dochters leed kunnen doen, of haar zonen, die zij hebben gebaard?
44Νῦν οὖν δεῦρο διαθῶμαι διαθήκην ἐγώ τε καὶ σύ· καὶ ἔσται εἰς μαρτύριον ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ σοῦ· εἶπε δὲ αὐτῷ, ἰδοὺ οὐθεὶς μεθʼ ἡμῶν ἐστιν· ἴδε ὁ Θεὸς μάρτυς ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ σοῦ.
44Kom, laten we liever een verbond met elkaar sluiten; en al is er ook niemand anders bij, zie God zal getuige zijn tussen mij en u.
45Λαβὼν δὲ Ἰακὼβ λίθον, ἔστησεν αὐτὸν στήλην.
45Toen nam Jakob een steen, en richtte die als gedenkteken op.
46Εἶπε δὲ Ἰακὼβ τοῖς ἀδελφοῖς αὐτοῦ, συλλέγετε λίθους· καὶ συνέλεξαν λίθους, καὶ ἐποίησαν βουνόν· καὶ ἔφαγον ἐκεῖ ἐπὶ τοῦ βουνοῦ· καὶ εἶπεν αὐτῷ Λάβαν, ὁ βουνὸς οὗτος μαρτυρεῖ ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ σοῦ σήμερον.
46En Jakob sprak tot zijn verwanten: Raapt stenen bijeen. Ze verzamelden dus stenen, maakten een steenhoop, en hielden daar op die steenhoop een maaltijd.
47Καὶ ἐκάλεσεν αὐτὸν Λάβαν, βουνὸς τῆς μαρτυρίας· Ἰακὼβ δὲ ἐκάλεσεν αὐτὸν, βουνὸς μάρτυς.
47Laban noemde hem Jegar-Sahadoeta, en Jakob noemde hem Gal-Ed.
48Εἶπε δὲ Λάβαν τῷ Ἰακὼβ, ἰδοὺ ὁ βουνὸς οὗτος καὶ ἡ στήλη, ἣν ἔστησα ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ σοῦ· μαρτυρεῖ ὁ βουνὸς οὗτος, καὶ μαρτυρεῖ ἡ στήλη αὕτη· διὰ τοῦτο ἐκλήθη τὸ ὄνομα, βουνὸς μαρτυρεῖ.
48Nu sprak Laban: Deze steenhoop zij heden een getuige tussen mij en u. Daarom noemde hij hem Gal-Ed
49Καὶ ἡ ὅρασις, ἣν εἶπεν, ἐπίδοι ὁ Θεὸς ἀνὰ μέσον ἐμοῦ καὶ σοῦ· ὅτι ἀποστησόμεθα ἕτερος ἀφʼ ἑτέρου.
49en Mispa. Want hij ging voort: Jahweh zij de Wacht tussen mij en u, wanneer we ons van elkander hebben gescheiden:
50Εἰ ταπεινώσεις τὰς θυγατέρας μου, εἰ λάβῃς γυναῖκας πρὸς ταῖς θυγατράσι μου, ὅρα, οὐθεὶς μεθʼ ἡμῶν ἐστιν ὁρῶν· Θεὸς μάρτυς μεταξὺ ἐμοῦ καὶ μεταξὺ σοῦ. Καὶ εἶπε Λάβαν τῷ Ἰακὼβ, ἰδοὺ ὁ βουνὸς οὗτος καὶ μάρτυς ἡ στήλη αὕτη.
50“Ge zult mijn dochters nooit mishandelen, en geen andere vrouwen nemen buiten mijn dochters”. En al is er ook niemand bij, zie, God is getuige tussen mij en u.
no verse 51 in this text
51En Laban vervolgde tot Jakob: Zie deze steenhoop en deze gedenksteen, die ik heb opgericht, staan tussen ons in.
52Ἐάν τε γὰρ ἐγὼ μὴ διαβῶ πρός σε, μήτε σὺ διαβῇς πρός με τὸν βουνὸν τοῦτον καὶ τὴν στήλην ταύτην ἐπὶ κακίᾳ.
52Deze steenhoop is getuige, en getuige is ook deze gedenksteen: “Ik zal nooit voorbij deze steenhoop met kwade bedoelingen naar u toe komen, en gij voorbij deze steenhoop en deze gedenksteen niet naar mij!
53Ὁ Θεὸς Ἁβραὰμ καὶ ὁ Θεὸς Ναχὼρ κρίναι ἀνὰ μέσον ἡμῶν· καὶ ὤμοσεν Ἰακὼβ κατὰ τοῦ φόβου τοῦ πατρὸς αὐτοῦ Ἰσαάκ.
53De God van Abraham, en de God van Nachor moge oordelen tussen ons beiden”. En Jakob zwoer het bij den Gevreesde van Isaäk, zijn vader.
54Καὶ ἔθυσεν θυσίαν ἐν τῷ ὄρει· καὶ ἐκάλεσε τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ, καὶ ἔφαγον καὶ ἔπιον, καὶ ἐκοιμήθησαν ἐν τῷ ὄρει.
54Nu slachtte Jakob een offerande op de berg, en nodigde zijn verwanten tot de maaltijd uit; en nadat zij hadden gegeten, bleven ze op de berg overnachten.
no verse 55 in this text
55De volgende morgen brak Laban op, kuste zijn zonen en dochters vaarwel, zegende hen en ging heen, om naar zijn woonplaats terug te keren.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.