ΓΕΝΕΣΙΣ 14
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ἐγένετο δὲ ἐν τῇ βασιλείᾳ τῇ Ἀμαρφὰλ βασιλέως Σενναὰρ, καὶ Ἀριὼχ βασιλέως Ἑλλασὰρ, Χοδολλογομὸρ βασιλεὺς Ἐλὰμ, καὶ Θαργὰλ βασιλεὺς ἐθνῶν,
1Het gebeurde in die dagen, dat Amrafel de koning van Sjinar, Arjok de koning van Ellasar, Kedor-Laómer de koning van Elam, en Tidal de koning der volken,
2ἐποίησαν πόλεμον μετὰ Βαλλὰ βασιλέως Σοδόμων, καὶ μετὰ Βαρσὰ βασιλέως Γομόῤῥας, καὶ μετὰ Σενναὰρ βασιλέως Ἀδαμὰ, καὶ μετὰ Συμοβὸρ βασιλέως Σεβωεὶμ, καὶ βασιλέως Βαλάκ· αὕτη ἐστὶ Σηγώρ.
2oorlog voerden tegen Béra den koning van Sodoma, Birsja den koning van Gomorra, Sjinab den koning van Adma, Sjeméber den koning van Seboim en den koning van Béla (dat is Sóar),
3Πάντες οὗτοι συνεφώνησαν ἐπὶ τὴν φάραγγα τὴν ἁλυκήν· αὕτη ἡ θάλασσα τῶν ἁλῶν.
3en dat al deze laatsten met vereende krachten optrokken naar de vlakte van Siddim, dat is de Zoutzee.
4Δώδεκα ἔτη αὐτοὶ ἐδούλευσαν τῷ Χοδολλογομόρ· τῷ δὲ τρισκαιδεκάτῳ ἔτει ἀπέστησαν.
4Twaalf jaar lang hadden zij Kedor-Laómer gediend, maar in het dertiende jaar waren zij in opstand gekomen.
5Ἐν δὲ τῷ τεσσαρεσκαιδεκάτῳ ἔτει ἦλθε Χοδολλογομὸρ καὶ οἱ βασιλεῖς μετʼ αὐτοῦ, καὶ κατέκοψαν τοὺς γίγαντας τοὺς ἐν Ἀσταρὼθ, καὶ Καρναῒν, καὶ ἔθνη ἰσχυρὰ ἅμα αὐτοῖς, καὶ τοὺς Ὀμμαίους τοὺς ἐν Σαυῇ τῇ πόλει.
5In het veertiende jaar waren Kedor-Laómer en de koningen, die zijn bondgenoten waren, opgerukt, hadden de Refaieten bij Asjterot-Karnáim verslagen, de Zoezieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van Kirjatáim,
6Καὶ τοὺς Χοῤῥαίους τοὺς ἐν τοῖς ὄρεσι Σηεὶρ, ἕως τῆς τερεβίνθου τῆς Φαρὰν, ἥ ἐστιν ἐν τῇ ἐρήμῳ.
6en de Chorieten in het gebergte van Seïr tot aan de eik van Paran, aan de rand der woestijn.
7Καὶ ἀναστρέψαντες ἦλθον ἐπὶ τὴν πηγὴν τῆς κρίσεως· αὕτη ἐστὶ Κάδης· καὶ κατέκοψαν πάντας τοὺς ἄρχοντας Ἀμαλὴκ, καὶ τοὺς Ἀμοῤῥαίους τοὺς κατοικοῦντας ἐν ʼΑσασονθαμὰρ
7Op hun terugtocht waren zij naar En-Misjpat getrokken, dat is Kadesj, en hadden al de vorsten der Amalekieten verslagen en eveneens de Amorieten, die in Chasason-Tamar wonen.
8Ἐξῆλθε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων, καὶ βασιλεὺς Γομόῤῥας, καὶ βασιλεὺς Ἀδαμὰ, καὶ βασιλεὺς Σεβωεὶμ, καὶ βασιλεὺς Βαλάκ· αὕτη ἐστὶ Σηγώρ· καὶ παρετάξαντο αὐτοῖς εἰς πόλεμον ἐν τῇ κοιλάδι, τῇ ἁλυκῇ,
8Nu trok de koning van Sodoma op met den koning van Gomorra, den koning van Adma, den koning van Seboim en den koning van Béla (dat is Sóar), en gezamenlijk stelden zij zich in de vlakte van Siddim in slagorde
9πρὸς Χοδολλογομὸρ βασιλέα Ἐλὰμ, καὶ Θαπγὰλ βασιλέα ἐθνῶν, καὶ Ἀμαρφὰλ βασιλέα Σενναὰρ, καὶ Ἀριὼχ βασιλέα Ἑλλασὰρ, οἱ τέσσαρες βασιλεῖς πρὸς τοὺς πέντε.
9tegenover Kedor-Laómer den koning van Elam, Tidal den koning der volken, Amrafel den koning van Sjinar en Arjok den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.
10Ἡ δὲ κοιλὰς ἡ ἁλυκὴ, φρέατα ἀσφάλτου· ἔφυγε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων καὶ βασιλεὺς Γομόῤῥας, καὶ ἐνέπεσαν ἐκεῖ· οἱ δὲ καταλειφθέντες εἰς τὴν ὀρεινὴν ἔφυγον.
10In de vlakte van Siddim nu waren talrijke asfaltputten; en toen de koningen van Sodoma en Gomorra moesten vluchten, sprongen zij daarin, terwijl de overigen in de bergen ontkwamen.
11Ἔλαβον δὲ τὴν ἵππον πᾶσαν τὴν Σοδόμων καὶ Γομόῤῥας, καὶ πάντα τὰ βρώματα αὐτῶν, καὶ ἀπῆλθον.
11De vijanden maakten alle bezittingen en alle levensmiddelen van Sodoma en Gomorra buit, en trokken af;
12Ἔλαβον δὲ καὶ τὸν Λὼτ τὸν υἱὸν τοῦ ἀδελφοῦ Ἅβραμ, καὶ τὴν ἀποσκευὴν αὐτοῦ, καὶ ἀπῴχοντο· ἦν γὰρ κατοικῶν ἐν Σοδόμοις.
12ook Lot, den zoon van Abrams broer, namen zij met al zijn have en goed op hun terugtocht mee; want hij woonde in Sodoma.
13Παραγενόμενος δὲ τῶν ἀνασωθέντων τις ἀπήγγειλεν Ἅβραμ τῷ περάτῃ· αὐτὸς δὲ κατῴκει παρὰ τῇ δρυῒ τῇ Μαμβρῇ Ἀμοῤῥαίου τοῦ ἀδελφοῦ Ἐσχὼλ, καὶ τοῦ ἀδελφοῦ Αὐνὰν, οἳ ἦσαν συνωμόται τοῦ Ἅβραμ.
13Een vluchteling kwam het Abram, den Hebreër, berichten; deze woonde toen bij de eik van Mamre, den Amoriet, den broer van Esjkol en Aner, die bondgenoten waren van Abram.
14Ἀκούσας δὲ Ἅβραμ ὅτι ᾐχμαλώτευται Λὼτ ὁ ἀδελφοῦς αὐτοῦ, ἠρίθμησε τοὺς ἰδίους οἰκογενεῖς αὐτοῦ τριακοσίους δέκα καὶ ὀκτώ· καὶ κατεδίωξεν ὀπίσω αὐτῶν ἕως Δάν.
14Toen Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was meegevoerd, riep hij zijn beproefde mannen op, de driehonderd achttien, die in zijn huis waren geboren, zette de tot Dan achterna,
15Καὶ ἐπέπεσεν ἐπʼ αὐτοὺς τὴν νύκτα αὐτὸς, καὶ οἱ παῖδες αὐτοῦ, καὶ ἐπάταξεν αὐτοὺς, καὶ κατεδίωξεν αὐτοὺς ἕως Χοβὰ, ἥ ἐστιν ἐν ἀριστερᾷ Δαμασκοῦ.
15overviel ze des nachts van verschillende kanten met zijn dienaars, versloeg ze en joeg ze na tot Choba, ten noorden van Damascus.
16Καὶ ἀπέστρεψε πᾶσαν τὴν ἵππον Σοδόμων· καὶ Λὼτ τὸν ἀδελφιδοῦν αὐτοῦ ἀπέστρεψε, καὶ πάντα τὰ ὑπάρχοντα αὐτοῦ, καὶ τὰς γυναῖκας, καὶ τὸν λαόν.
16Hij heroverde heel de buit, en voerde ook zijn broer Lot met zijn have, met vrouwen en manschappen terug.
17Ἐξῆλθε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων εἰς συνάντησιν αὐτῷ, μετὰ τὸ ὑποστρέψαι αὐτὸν ἀπὸ τῆς κοπῆς τοῦ Χοδολλογομὸρ, καὶ τῶν βασιλέων τῶν μετʼ αὐτοῦ εἰς τὴν κοιλάδα τοῦ Σαβύ· τοῦτο ἦν τὸ πεδίον τῶν βασιλέων.
17Toen hij nu terugkeerde van zijn overwinning op Kedor-Laómer en de koningen, die zijn bondgenoten waren, trok de koning van Sodoma hem tegemoet naar de vallei van Sjawe, dat het koningsdal is.
18Καὶ Μελχισεδὲκ βασιλεὺς Σαλὴμ ἐξήνεγκεν ἄρτους καὶ οἶνον· ἦν δὲ ἱερεὺς τοῦ Θεοῦ τοῦ ὑψίστου.
18En Melkisédek, de koning van Salem, die priester was van den allerhoogsten God, offerde brood en wijn,
19Καὶ εὐλόγησε τὸν Ἅβραμ, καὶ εἶπεν, εὐλογημένος Ἅβραμ τῷ Θεῷ τῷ ὑψίστῳ, ὃς ἔκτισε τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν.
19zegende hem en sprak: Gezegend zijt gij Abram, door den allerhoogsten God, Den Schepper van hemel en aarde.
20Καὶ εὐλογητὸς ὁ Θεὸς ὁ ὕψιστος, ὃς παρέδωκε τοὺς ἐχθρούς σου ὑποχειρίους σοι· καὶ ἔδωκεν αὐτῷ Ἅβραμ δεκάτην ἀπὸ πάντων.
20En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand heeft geleverd. En Abram gaf hem de tienden van alles.
21Εἶπε δὲ βασιλεὺς Σοδόμων πρὸς Ἅβραμ, δός μοι τοὺς ἄνδρας, τὴν δὲ ἵππον λάβε σεαυτῷ.
21Nu sprak de koning van Sodoma tot Abram: Geef mij de mensen terug, dan kunt gij de goederen voor u behouden.
22Εἶπε δὲ Ἅβραμ πρὸς τὸν βασιλέα Σοδόμων, ἐκτενῶ τὴν χεῖρά μου πρὸς Κύριον τὸν Θεὸν τὸν ὕψιστον, ὃς ἔκτισε τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν,
22Maar Abram zei tot den koning van Sodoma: Ik steek mijn hand tot Jahweh op, den allerhoogsten God, den Schepper van hemel en aarde:
23εἰ ἀπὸ σπαρτίου ἕως σφυρωτῆρος ὑποδήματος λήψομαι ἀπὸ πάντων τῶν σῶν, ἵνα μὴ εἴπῃς, ὅτι ἐγὼ ἐπλούτισα τὸν Ἅβραμ.
23geen draad en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort neem ik aan, opdat gij niet zoudt kunnen zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.
24Πλὴν ὧν ἔφαγον οἱ νεανίσκοι, καὶ τῆς μερίδος τῶν ἀνδρῶν τῶν συμπορευθέντων μετʼ ἐμοῦ Ἐσχὼλ, Αὐνᾶν, Μαμβρῆ· οὗτοι λήψονται μερίδα.
24Dat zij verre van mij! Enkel wat mijn slaven hebben verteerd, en het deel van Aner, Esjkol en Mamre, de mannen, die met mij zijn uitgetrokken: dat mogen ze als hun aandeel behouden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.