ΓΕΝΕΣΙΣ
Chapter 43
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΓΕΝΕΣΙΣ 43

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ὁ δὲ λιμὸς ἐνίσχυσεν ἐπὶ τῆς γῆς.
1Maar de hongersnood bleef het land teisteren.
2Ἐγένετο δὲ ἡνίκα συνετέλεσαν καταφαγεῖν τὸν σῖτον, ὃν ἤνεγκαν ἐξ Αἰγύπτου, καὶ εἶπεν αὐτοῖς ὁ πατὴρ αὐτῶν, πάλιν πορευθέντες πρίασθε ἡμῖν μικρὰ βρώματα.
2En toen al het koren op was, dat zij van Egypte hadden meegebracht, zei hun vader tot hen: Gaat voor ons weer wat levensmiddelen kopen.
3Εἶπε δὲ αὐτῷ Ἰούδας, λέγων, διαμαρτυρίᾳ μεμαρτύρηται ἡμῖν ὁ ἄνθρωπος ὁ κύριος τῆς γῆς, λέγων, οὐκ ὄψεσθε τὸ πρόσωπόν μου, ἐὰν μὴ ὁ ἀδελφὸς ὑμῶν ὁ νεώτερος μεθʼ ὑμῶν ᾖ.
3Maar Juda sprak tot hem: Die man heeft ons uitdrukkelijk gewaarschuwd: Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als ge uw broer niet meebrengt.
4Εἰ μὲν οὖν ἀποστέλλῃς τὸν ἀδελφὸν ἡμῶν μεθʼ ἡμῶν, καταβησόμεθα, καὶ ἀγοράσομέν σοι βρώματα.
4Zo gij dus onzen broer met ons meegeeft, zullen wij levensmiddelen voor u gaan kopen;
5Εἰ δὲ μὴ ἀποστέλλῃς τὸν ἀδελφὸν ἡμῶν μεθʼ ἡμῶν, οὐ πορευσόμεθα· ὁ γὰρ ἄνθρωπος εἶπεν ἡμῖν, λέγων, οὐκ ὄψεσθέ μου τὸ πρόσωπον, ἐὰν μὴ ὁ ἀδελφὸς ὑμῶν ὁ νεώτερος μεθʼ ὑμῶν ᾖ.
5maar zo ge hem niet laat gaan, vertrekken we niet. Want die man heeft ons gezegd: Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als uw broer niet bij u is.
6Εἶπε δὲ Ἰσραὴλ, τί ἐκακοποιήσατέ με, ἀναγγείλαντες τῷ ἀνθρώπῳ ὅτι ἐστὶν ὑμῖν ἀδελφός;
6Israël hernam: Waarom hebt gij mij dit leed aangedaan, met dien man te vertellen, dat gij nog een broer hadt.
7Οἱ δὲ εἶπαν, ἐρωτῶν ἐπηρώτησεν ἡμᾶς ὁ ἄνθρωπος καὶ τὴν γενεὰν ἡμῶν, λέγων, εἰ ἔτι ὁ πατὴρ ὑμῶν ζῇ, καὶ εἰ ἔστιν ὑμῖν ἀδελφός· καὶ ἀπηγγείλαμεν αὐτῷ κατὰ τὴν ἐπερώτησιν ταύτην· μὴ ᾔδειμεν ὅτι ἐρεῖ ἡμῖν, ἀγάγετε τὸν ἀδελφὸν ὑμῶν;
7Zij antwoordden: Die man vroeg ons uitdrukkelijk naar ons en onze familie. Hij zeide: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een anderen broer? Alleen op die vragen hebben we hem geantwoord. Konden we dan weten, dat hij zou zeggen: brengt uw broer hier?
8Εἶπε δὲ Ἰούδας πρὸς Ἰσραὴλ τὸν πατέρα αὐτοῦ, ἀπόστειλον τὸ παιδάριον μετʼ ἐμοῦ· καὶ ἀναστάντες πορευσόμεθα, ἵνα ζῶμεν καὶ μὴ ἀποθάνωμεν καὶ ἡμεῖς, καὶ σὺ, καὶ ἡ ἀποσκευὴ ἡμῶν.
8En Juda drong bij zijn vader Israël aan: Geef den jongen maar met mij mee, en laten we vertrekken; dan kunnen we in leven blijven en behoeven we niet te sterven, wij, gijzelf en onze kinderen.
9Ἐγὼ δὲ ἐκδέχομαι αὐτόν· ἐκ χειρός μου ζήτησον αὐτόν· ἐὰν μὴ ἀγάγω αὐτὸν πρός σε, καὶ στήσω αὐτὸν ἐναντίον σου, ἡμαρτηκὼς ἔσομαι εἰς σὲ πάσας τὰς ἡμέραν.
9Ik blijf borg voor hem; van mij moogt ge hem terugeisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en weer voor u doe staan, blijf ik voor u mijn leven lang schuldig.
10Εἰ μὴ γὰρ ἐβραδύναμεν, ἤδη ἂν ὑπεστρέψαμεν δίς.
10Hadden we maar niet zo getalmd, dan waren we al voor de tweede keer terug.
11Εἶπε δὲ αὐτοῖς Ἰσραὴλ ὁ πατὴρ αὐτῶν, εἰ οὕτως ἐστὶ, τοῦτο ποιήσατε· λάβετε ἀπὸ τῶν καρπῶν τῆς γῆς ἐν τοῖς ἀγγείοις ὑμῶν, καὶ καταγάγετε τῷ ἀνθρώπῳ δῶρα τῆς ῥητίνης, καὶ τοῦ μέλιτος, θυμίαμά τε καὶ στακτὴν, καὶ τερέινθον, καὶ κάρυα.
11Toen sprak hun vader Israël tot hen: Als het dan moet, doet het dan maar. Neemt het beste van het land in uw zakken mee, en biedt het dien man als geschenk aan: wat balsem en honing, wat gom en hars, met pimpernoten en amandelen.
12Καὶ τὸ ἀργύριον δισσὸν λάβετε ἐν ταῖς χερσὶν ὑμῶν· τὸ ἀργύριον τὸ ἀποστραφὲν ἐν τοῖς μαρσίπποις ὑμῶν ἀποστρέψατε μεθʼ ὑμῶν· μή ποτε ἀγνόημά ἐστι.
12Neemt ook een dubbel bedrag aan geld met u mee. Want ge moet het geld teruggeven, dat boven in uw zakken werd gevonden; misschien was het maar een vergissing.
13Καὶ τὸν ἀδελφὸν ὑμῶν λάβετε· καὶ ἀναστάντες κατάβητε πρὸς τὸν ἄνθρωπον.
13Neemt dan uw broer mee, en gaat terug naar dien man.
14Ὁ δὲ Θεός μου δώῃ ὑμῖν χάριν ἐναντίον τοῦ ἀνθρώπου καὶ ἀποστείλαι τὸν ἀδελφὸν ὑμῶν τὸν ἕνα, καὶ τὸν Βενιαμίν· ἐγὼ μὲν γὰρ καθάπερ ἠτέκνωμαι, ἠτέκνωμαι.
14Geve de almachtige God, dat ge genade vindt bij dien man, en dat hij uw anderen broer en Benjamin met u laat vertrekken. Wat mij betreft, moet ik kinderloos worden, het zij zo.
15Λαβόντες δὲ οἱ ἄνδρες τὰ δῶρα ταῦτα καὶ τὸ ἀργύριον διπλοῦν, ἔλαβον ἐν ταῖς χερσὶν αὐτῶν καὶ τὸν Βενιαμείν· καὶ ἀναστάντες κατέβησαν εἰς Αἴγυπτον· καὶ ἔστησαν ἐναντίον Ἰωσήφ.
15De mannen namen dus het geschenk en een dubbel bedrag aan geld met zich mee, vertrokken met Benjamin naar Egypte, en verschenen voor Josef.
16Εἶδε δὲ Ἰωσὴφ αὐτοὺς, καὶ τὸν Βενιαμὶν τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ τὸν ὁμομήτριον· καὶ εἶπε τῷ ἐπὶ τῆς οἰκίας αὐτοῦ, εἰσάγαγε τοὺς ἀνθρώπους εἰς τὴν οἰκίαν, καὶ σφάξον θύματα, καὶ ἑτοίμασον· μετʼ ἐμοῦ γὰρ φάγονται οἱ ἄνθρωποι ἄρτους τὴν μεσημβρίαν.
16Toen Josef hen met Benjamin zag, beval hij zijn hofmeester: Breng die mannen naar binnen; laat het nodige slachten, en maak een maaltijd gereed; want die mannen zullen vanmiddag bij mij eten.
17Ἐποίησε δὲ ὁ ἄνθρωπος καθὰ εἶπεν Ἰωσήφ· καὶ εἰσήγαγε τοὺς ἀνθρώπους εἰς τὸν οἶκον Ἰωσήφ.
17De man deed zoals Josef beval, en bracht de mannen naar het huis van Josef.
18Ἰδόντες δὲ οἱ ἄνδρες ὅτι εἰσήχθησαν εἰς τὸν οἶκον τοῦ Ἰωσήφ, εἶπαν, διὰ τὸ ἀργύριον τὸ ἀποστραφὲν ἐν τοῖς μαρσίπποις ἡμῶν τὴν ἀρχὴν, ἡμεῖς εἰσαγόμεθα, τοῦ συκοφαντῆσαι ἡμᾶς καὶ ἐπιθέσθαι ἡμῖν, τοῦ λαβεῖν ἡμᾶς εἰς παῖδας, καὶ τοὺς ὄνους ἡμῶν.
18Toen de mannen naar het huis van Josef werden gebracht, werden zij bang en zeiden: We worden weggebracht om het geld, dat de vorige maal in onze zakken is teruggevonden. Men wil ons overrompelen en overvallen, ons tot slaven maken, en onze ezels in beslag nemen.
19Προσελθόντες δὲ πρὸς τὸν ἄνθρωπον τὸν ἐπὶ τοῦ οἴκου τοῦ Ἰωσὴφ, ἐλάλησαν αὐτῷ ἐν τῷ πυλῶνι τοῦ οἴκου,
19Zij traden op den hofmeester van Josef toe, spraken hem aan bij de deur van het huis, en zeiden tot hem:
20λέγοντες, δεόμεθα, κύριε· κατέβηεν τὴν ἀρχὴν πρίασθαι βρώματα.
20Met uw verlof, heer; wij waren vroeger al hier, om koren te kopen.
21Ἐγένετο δὲ ἡνίκα ἤλθομεν εἰς τὸ καταλῦσαι, καὶ ἠνοίξαμεν τοὺς μαρσίππους ἡμῶν, καὶ τόδε τὸ ἀργύριον ἑκάστου ἐν τῷ μαρσίππῳ αὐτοῦ· τὸ ἀργύριον ἡμῶν ἐν σταθμῷ ἀπεστρέψαμεν νῦν ἐν ταῖς χερσὶν ἡμῶν.
21Maar toen wij in het nachtverblijf kwamen en onze zakken openden, lag ieders geld boven in zijn zak: ons eigen geld naar het volle bedrag. Dit hebben we nu weer meegebracht,
22Καὶ ἀργύριον ἕτερον ἠνέγκαμεν μεθʼ ἑαυτῶν, ἀγοράσαι βρώματα· οὐκ οἴδαμεν τίς ἐνέβαλεν τὸ ἀργύριον εἰς τοὺς μαρσίππους ἡμῶν.
22tegelijk met het andere geld, dat we bij ons hebben, om levensmiddelen te kopen. Wij weten niet, wie ons geld weer in onze zakken heeft gelegd.
23Εἶπε δὲ αὐτοῖς, ἵλεως ὑμῖν, μὴ φοβεῖσθε· ὁ Θεὸς ὑμῶν, καὶ ὁ Θεὸς τῶν πατέρων ὑμῶν, ἔδωκεν ὑμῖν θησαυροὺς ἐν τοῖς μαρσίπποις ὑμῶν· καὶ τὸ ἀργύριον ὑμῶν εὐδοκιμοῦν ἀπέχω· καὶ ἐξήγαγε πρὸς αὐτοὺς τὸν Συμεών.
23Hij gaf hun ten antwoord: Weest maar gerust, vreest niet; uw God en de God van uw vader heeft heimelijk een schat in uw zakken gelegd; want ik heb uw geld ontvangen. Nadat de man ook Simeon bij hen had gebracht,
24Καὶ ἤνεγκεν ὕδωρ νίψαι τοὺς πόδας αὐτῶν· καὶ ἔδωκε χορτάσματα τοῖς ὄνοις αὐτῶν.
24leidde hij hen naar het huis van Josef, en gaf hun water, om hun voeten te wassen, en voer voor hun ezels.
25Ἡτοίμασαν δὲ τὰ δῶρα, ἕως τοῦ ἐλθεῖν τὸν Ἰωσὴφ μεσημβρίας· ἤκουσαν γὰρ ὅτι ἐκεῖ μέλλει ἀριστᾷν.
25Zij legden hun geschenken gereed in afwachting van Josef, die tegen de middag zou komen; want zij hadden gehoord, dat hij daar zou eten.
26Εἰσῆλθε δὲ Ἰωσὴφ εἰς τὴν οἰκίαν, καὶ προσήνεγκαν αὐτῷ τὰ δῶρα, ἃ εἶχον ἐν ταῖς χερσὶν αὐτῶν, εἰς τὸν οἶκον· καὶ προσεκύνησαν αὐτῷ ἐπὶ πρόσωπον ἐπὶ τὴν γῆν.
26Toen Josef thuis kwam, boden zij hem de geschenken aan, die zij van huis hadden meegenomen, en bogen zich voor hem ter aarde neer.
27Ἠρώτησε δὲ αὐτοὺς, πῶς ἔχετε; καὶ εἶπεν αὐτοῖς, εἰ ὑγιαίνει ὁ πατὴρ ὑμῶν ὁ πρεσβύτης, ὃν εἴπατε; ἔτι ζῇ;
27Hij vroeg hun, hoe zij het maakten, en zei: Maakt ook uw oude vader, van wien ge mij hebt gesproken, het nog goed; is hij nog in leven?
28Οἱ δὲ εἶπαν, ὑγιαίνει ὁ παῖς σου ὁ πατὴρ ἡμῶν, ἔτι ζῇ. Καὶ εἶπεν, εὐλογημένος ὁ ἄνθρωπος ἐκεῖνος τῷ Θεῷ· καὶ κύψαντες προσεκύνησαν αὐτῷ.
28Zij antwoordden: Onze vader, uw dienaar, maakt het goed, en is nog in leven; en weer bogen zij eerbiedig voor hem ter aarde.
29Ἀναβλέψας δὲ τοῖς ὀφθαλμοῖς αὐτοῦ Ἰωσὴφ, εἶδε Βενιαμὶν τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ τὸν ὁμομήτριον· καὶ εἶπεν, οὗτος ὁ ἀδελφὸς ὑμῶν ὁ νεώτερος, ὃν εἴπατε πρός με ἀγαγεῖν; καὶ εἶπεν, ὁ Θεὸς ἐλεήσαι σε, τέκνον.
29Toen hij rondkeek, en zijn broer Benjamin zag, den zoon van zijn moeder, zei hij: Is dat uw jongste broer, van wien ge mij hebt gesproken? En hij voegde er aan toe: God zij u genadig, mijn zoon.
30Ἐταράχθη δὲ Ἰωσήφ· συνεστρέφετο γὰρ τὰ ἔγκατα αὐτοῦ ἐπὶ τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ, καὶ ἐζήτει κλαῦσαι· εἰσελθὼν δὲ εἰς τὸ ταμεῖον, ἔκλαυσεν ἐκεῖ.
30Dan snelde Josef weg, om uit te schreien; want bij het zien van zijn broer was hij diep ontroerd. Hij ging zijn kamer binnen en snikte het uit.
31Καὶ νιψάμενος τὸ πρόσωπον, ἐξελθὼν ἐνεκρατεύσατο· καὶ εἶπε, παράθετε ἄρτους.
31Na zijn gelaat te hebben gewassen, kwam hij weer de kamer uit. Hij vermande zich en sprak: Dient de maaltijd op!
32Καὶ παρέθηκαν αὐτῷ μόνῳ, καὶ αὐτοῖς καθʼ ἑαυτούς, καὶ τοῖς Αἰγυπτίοις τοῖς συνδειπνοῦσι μετʼ αὐτοῦ καθʼ ἑαυτούς· οὐ γὰρ ἐδύναντο οἱ Αἰγύπτιοι συνεσθίειν μετὰ τῶν Ἐβραίων ἄρτους· βδέλυγμα γάρ ἐστι τοῖς Αἰγυπτίοις.
32Toen diende men voor ieder afzonderlijk het eten op, voor Josef, voor hen, en voor de Egyptenaren, die met hem aten. Want de Egyptenaren mogen niet met de Hebreën eten: dit is voor de Egyptenaren een gruwel.
33Ἐκάθισαν δὲ ἐναντίον αὐτοῦ, ὁ πρωτότοκος κατὰ τὰ πρεσβεῖα αὐτοῦ, καὶ ὁ νεώτερος κατὰ τὴν νεότητα αὐτοῦ· ἐξίσταντο δὲ οἱ ἄνθρωποι ἕκαστος πρὸς τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ.
33Zo zaten de mannen tegenover hem, van den oudste tot den jongste, juist volgens hun leeftijd; verwonderd keken zij elkaar er op aan.
34Ἦραν δὲ μερίδα παρʼ αὐτοῦ πρὸς ἑαυτούς· ἐμεγαλύνθη δὲ ἡ μερὶς Βενιαμεὶν παρὰ τὰς μερίδας πάντων πενταπλασίως πρὸς τὰς ἐκείνων· ἔπιον δὲ καὶ ἐμεθύσθησαν μετʼ αὐτοῦ.
34Hij liet hen van de gerechten bedienen, die voor hem stonden; maar het deel van Benjamin was vijf maal zo groot als dat van ieder der anderen. Zij dronken met hem, en werden vrolijk.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.