1 Мойсея 49
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І прикликав Яков сини свої і каже:
1Daarna riep Jakob zijn zonen en sprak: Verzamelt u en ik zal u verkonden, Wat u in de verre toekomst geschiedt.
2Ой синове Якова! Скуптеся докупи, та послухайте, що скаже вам отець Ізраїль.
2Komt bijeen en luistert, zonen van Jakob; Hoort naar Israël, uw vader!
3Ти, мій первенче, Рубене, сило моя перва! Ти й поважен, ти й потужен, всїх ти переважив,
3Ruben, gij mijn eerstgeborene, Mijn kracht en eersteling van mijn mannelijke rijpheid: De eerste moest ge in hoogheid zijn, De eerste in macht.
4Та филюєшся водою, задню пасти будеш; лїг бо на отецьке ложе, ложе ти зневажив, і зневажив і споганив батькову постелю!
4Maar ge zijt een schuimende beek, Gij zult die voorrang niet hebben: Want ge hebt het bed van uw vader beklommen, Toen mijn sponde ontwijd.
5Симеоне й ти Левію! Браттє ви між браттєм, та сестра знаряддє в зрадї кривдї стала.
5Simeon en Levi, echte broers: List en geweld zijn hun zwaarden:
6Не ввійду я в вашу раду, поки й тху тихого, і до змови не пристану серцем чистим, чесним. Бо вони людей в завзяттї мучили, вбивали, в безумі свойму терзали навіть і скотину.
6Mijn geest wil in hun plannen niet treden, Mijn hart heeft geen deel aan hun raad. Want in hun toorn hebben zij mannen verslagen, In hun moedwil stieren verminkt!
7Проклинаю їх нелюдське дике їх завзяттє; їх в Ізраїлї розсїю, звергну у Якові.
7Vervloekt hun toorn, zo heftig, Hun gramschap, zo fel: Ik zal ze verdelen in Jakob, Ze verstrooien in Israël!
8Юда! Тебе возхвалить рідне браттє ревно, і вклонятись тобі будуть батька твого дїти.
8Juda, u prijzen uw broeders; Uw hand drukt op de nek van uw vijand, De zonen van uw vader buigen zich voor u neer!
9Юда левчук голодний; ситим будеш, синку, і хижацтвом пійдеш в гору; левом опочинеш: Мов той лев заляжеш спати, страшен, як левиця; хто зосьмілиться збудити, сон його стрівожить?
9Juda, als een leeuwenwelp Stijgt gij omhoog na de buit, mijn zoon! Hij kromt zich, hij vlijt zich neer als een leeuw, En als een leeuwin: wie durft hem wekken?
10В Юди не похитнеться берло між колїньми, докіль мир постане в людях, чаяннє в народах.
10De schepter zal van Juda niet wijken, De staf niet tussen zijn voeten, Totdat Hij komt, wien ze behoort, En voor wien de volken zich bukken.
11В виноградї він привяже знїжене ослятко, у найкращому, ослицї мазану дитину. У винї одежу виправ, платтє у червонім.
11Dan bindt hij zijn lastdier aan de wijnstok, Het veulen van zijn ezelin aan de wingerd; Dan wast hij zijn kleren in wijn, En in het druivensap zijn gewaad;
12Од вина потуманїли ясні очі в його, од молока побілїли в його ситі зуби.
12Van wijn worden zijn ogen dan donker, Van de melk zijn tanden wit!
13Зебулон седить над морем, судна знай вітає; його слуги пробувати будуть і в Сидонї.
13Zabulon woont langs de oever der zee, En aan het strand bij de schepen; Hij keert Sidon de rug toe!
14Іссахар — осел костлявий між двома хлївами.
14Issakar is een bonkige ezel, Die tussen de kudde blijft liggen;
15Бачить, що в землї родющій люба річ спочити; і на паньщинї гне спину під тягар, працює.
15Daar hij het rusten heerlijk vindt, En lieflijk het land: Kromt hij zijn rug om te dragen, En verricht hij slavendienst!
16Дан свій люд судити буде, рід свій в Якові.
16Dan richt zijn volk Als een van Israëls stammen.
17Дан лежати на дорозї гадиною буде. Вкусить він коня за ногу, скине й їздеця він; навпаки впаде злякавшись, у сїдлї не всидить.
17Dan is een slang op de weg, Een adder op het pad; Hij bijt het paard in de hielen, En zijn berijder slaat achterover.
18На твою вповаю поміч, Господе, мій Боже!
18-
19Гад — напре на його військо, він побє потужне.
19Gad: roverbenden stormen op hem aan, Maar hij zit hen op de hielen!
20Ассер у життї роскішнім їсти ме хлїб з туком, ласощі царські усїм він вистачати буде.
20Aser: heerlijk is zijn brood, Hij biedt koninklijke lekkernijen.
21Нафталїй гіллє розкине пишним дубом.
21Neftali: een wijdvertakte terebint, Die een prachtige kruin draagt!
22Йосиф же, се вітка добра з дерева, що родить над криницею, да й стеле яблука по муру.
22Een jonge vruchtboom is Josef, Een jonge vruchtboom aan de bron: Zijn ranken klimmen over de muur.
23Нацїлялись в його з лука, стрелили, та лук свій
23Hoe men hem uitdaagt en tart, Hoe de boogschutters hem ook bekampen:
24Він удержав у потузї. Руцї не послабли.
24Zijn boog blijft sterk, De spieren van zijn arm blijven lenig: Door de hulp van den Sterke van Jakob, Door de Naam van zijn Hoeder, Israëls Rots!
25Всемогущий благодатно, синку, тебе кропить з неба гарними дощами, із землї годує.
25Van den God van uw vader, die u helpt, Van den almachtigen God, die u zegent: Stromen zegeningen van de hemel daarboven, Zegeningen van de diepten beneden, Zegeningen van borsten en schoot,
26Ті ж бо всї благословення, що дознав отець твій, взяли гору над горами, вічними холмами. Ой нехай же на голову всї Йосифові зійдуть і на тїмє осяйного князя між братами!
26Zegeningen van uw vader! Ze gaan de zegeningen der oude bergen te boven, De kostbare gaven der eeuwige heuvelen; Zij dalen op het hoofd van Josef neer, Op de schedel van den vorst zijner broeders.
27Бенямин, се в нас вовцюга, наситу не знає; вранцї — він жере поживу, в вечір — здобич дїлить.
27Benjamin is een roofgierige wolf. Des morgens verslindt hij de buit, En des avonds verdeelt hij de roof!
28Усе це дванайцятеро поколїнь Ізрайлевих, і се промовив до них отець і благословив їх кожного, по благословенню його благословив їх.
28Dit zijn al de stammen van Israël, twaalf in getal. En zo sprak hun vader hen toe, toen hij hen zegende, en ieder van hen zijn bijzondere zegen verleende.
29І заповідав їм, і каже їм: Я пригорнусь до народу мого. Поховайте мене з отцями моїми в печері, що на полї Ефроновому Гетієвому,
29Daarna gaf Jakob hun het volgende bevel: Wanneer ik bij mijn volk ben verzameld, begraaft mij dan bij mijn vaderen in de grot, op de akker van Efron, den Chittiet.
30В печері, що на полї Макпелевому, що перед Мамрійщиною в Канаан землї, що купив Авраам у Ефрона Гетія у державу на гробовище.
30Het is de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, in het land Kanaän; de akker, die Abraham als een familiegraf van Efron, den Chittiet, heeft gekocht.
31Там поховано Авраама й Сарру, жону його; там поховано Ізаака й Ребеку, жену його, і там поховав я Лею.
31Daar heeft men Abraham en zijn vrouw Sara begraven; daar heeft men Isaäk met zijn vrouw Rebekka begraven; en daar heb ik ook Lea begraven.
32Куплене поле й печера на йому в синів Гетових.
32Het is het stuk land, dat van de zonen van Chet is gekocht met de grot, die erop ligt.
33І переставши Яков чинити заповіт синам своїм, простягнув нозї свої на постелї і розлучивсь із душею, та й пригорнувсь до народу свого.
33Toen Jakob de opdracht aan zijn zonen ten einde had gebracht, trok hij zijn voeten terug op het bed, gaf de geest en werd verzameld bij zijn volk.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.