創世記 28
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1イサクはヤコブを呼び、彼を祝福し、彼に命じた。「カナンの娘たちの中から妻をめとってはならない。
1Toen riep Isaäk Jakob, zegende hem, en beval hem: Neem geen vrouw uit de kanaänietische meisjes.
2立ち上がり、パダン・アラムにある、お前の母の父ベトエルの家へ行きなさい。そこから、お前の母の兄ラバンの娘たちの中から妻をめとりなさい。
2Maar maak u gereed, om naar Paddan-Aram te gaan, naar het huis van uw grootvader Betoeël; kies u daar een vrouw uit de dochters van uw oom Laban.
3全能の神がお前を祝福し、お前を実り豊かにし、お前を大いに増やし、お前が多くの民の集まりとなるようにしてくださるように。
3Moge de almachtige God u zegenen, en u vruchtbaar en talrijk maken, zodat gij tot een grote menigte volken zult uitgroeien.
4アブラハムの祝福を、お前と、お前と共にいるお前の子孫に与えてくださるように。神がアブラハムに与えられた地、お前が寄留しているこの地を、お前が受け継ぐことができるように。」
4Hij moge de zegen van Abraham aan u en uw nageslacht schenken, zodat gij het land moogt bezitten, waar ge als vreemdeling woont, maar dat God aan uw vader Abraham gaf.
5イサクはヤコブを送り出した。ヤコブはパダン・アラムへ向かい、アラム人ベトエルの息子ラバンのところへ行った。ラバンは、ヤコブとエサウの母リベカの兄であった。
5Zo zond Isaäk Jakob heen, en deze ging naar Paddan-Aram naar Laban, den zoon van den Arameër Betoeël, en broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.
6さて、エサウは、イサクがヤコブを祝福し、妻をめとらせるために彼をパダン・アラムへ送り出したことを見た。また、彼を祝福したとき、「カナンの娘たちの中から妻をめとってはならない」と命じたこと、
6Esau had gemerkt, dat Isaäk Jakob had gezegend en hem naar Paddan-Aram had gezonden, om daar een vrouw te nemen; dat hij hem ook bij zijn zegening had verboden, een vrouw uit de kanaänietische meisjes te nemen,
7さらに、ヤコブが父と母に聞き従い、パダン・アラムへ行ったことも見た。
7en dat Jakob aan zijn vader en moeder had gehoorzaamd en naar Paddan-Aram was gegaan.
8エサウは、カナンの娘たちが父イサクの目に良くないことを見て、
8Esau begreep daaruit, dat de kanaänietische vrouwen aan zijn vader Isaäk mishaagden;
9イシュマエルのところへ行き、すでにいた妻たちのほかに、アブラハムの息子イシュマエルの娘で、ネバヨトの妹であるマハラテを妻にめとった。
9daarom begaf hij zich naar Jisjmaël, en nam Machalat, de dochter van Jisjmaël, Abrahams zoon, de zuster van Nebajot tot vrouw bij de andere vrouwen, die hij al had.
10ヤコブはベエル・シェバを出発し、ハランへ向かった。
10Toen Jakob van Beër-Sjéba was afgereisd en naar Charan trok,
11彼はある場所に着き、太陽が沈んだので、そこで一晩を過ごした。彼はその場所の石の一つを取り、それを自分の頭の下に置き、その場所で横になって眠った。
11kwam hij op een plaats, waar hij wilde overnachten, omdat de zon reeds was ondergegaan. Hij legde dus een van de stenen, die daar lagen, bij wijze van kussen onder zijn hoofd, en begaf zich op die plaats ter ruste.
12彼は夢を見た。見よ、一つの階段が地に立てられ、その頂は天に届いていた。見よ、神の使いたちがそれを上り下りしていた。
12Daar had hij een droom: zie, op de aarde stond een ladder, waarvan de top tot de hemel reikte; en de engelen Gods klommen erop en daalden eraf.
13見よ、主がその上に立って言われた。「わたしは主、あなたの父アブラハムの神、イサクの神である。あなたが横たわっているこの地を、わたしはあなたとあなたの子孫に与える。
13En zie, Jahweh stond naast hem, en sprak: Ik ben Jahweh, de God van uw vader Abraham En de God van Isaäk! Het land, waarop ge ligt, Zal Ik u en uw nageslacht geven.
14あなたの子孫は地のちりのようになり、あなたは西、東、北、南へと広がるだろう。地上のすべての家族は、あなたとあなたの子孫によって祝福される。
14Uw geslacht zal wezen Als het stof van de aarde: Gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, Naar het noorden en het zuiden; In u en uw zaad Zullen alle geslachten der aarde worden gezegend!
15見よ、わたしはあなたと共にいて、あなたがどこへ行くにもあなたを守り、あなたを再びこの地に連れ戻す。わたしがあなたに約束したことを成し遂げるまで、わたしはあなたを離れない。」
15Ik ben met u; Ik zal u behoeden, waar gij ook gaat, En u terugvoeren naar dit land. Neen, Ik zal u niet verlaten, Totdat Ik heb volbracht, wat Ik u heb beloofd!
16ヤコブは眠りから覚めて言った。「確かに主はこの場所におられる。それなのに、私はそれを知らなかった。」
16Jakob ontwaakte uit zijn slaap, en sprak: Waarachtig; Jahweh is hier, en ik wist het niet.
17彼は恐れて言った。「この場所は何と恐れ多いことか。ここはまさしく神の家。ここは天の門だ。」
17Hij werd met ontzetting vervuld, en sprak: Hoe ontzagwekkend is deze plaats; dit is het huis van God en de poort van de hemel.
18ヤコブは朝早く起き、自分の頭の下に置いた石を取り、それを柱として立て、その頂に油を注いだ。
18De volgende morgen nam Jakob de steen, waarop zijn hoofd had gerust, richtte die tot een gedenksteen op, en goot er olie over uit.
19彼はその場所の名をベテルと呼んだが、その町の最初の名はルズであった。
19Hij noemde die plaats Betel, terwijl de stad vroeger Loez had geheten.
20ヤコブは誓いを立てて言った。「もし神が私と共におられ、私の行くこの旅路で私を守り、食べるパンと着る服を与え、
20Daarna deed Jakob de volgende gelofte: Als God met mij is, mij behoedt op de reis, die ik onderneem, mij voedsel geeft om te eten, een kleed om mij te kleden,
21私が無事に父の家に帰ることができるようにしてくださり、主が私の神となってくださるなら、
21en mij in vrede terugbrengt naar mijn vaderlijk huis: dan zal Jahweh mij tot God zijn,
22柱として立てたこの石は神の家となります。あなたが私に与えてくださるすべてのもののうち、私は必ず十分の一をあなたにささげます。」
22de steen, die ik als gedenkteken heb opgericht, een Godshuis worden, en zal ik U het tiende schenken van alles, wat Gij mij geeft!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.