創世記 48
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1これらのことの後、ある人がヨセフに、「見よ、あなたの父は病気です」と告げた。そこでヨセフは、二人の息子マナセとエフライムを連れて行った。
1Enige tijd later berichtte men Josef: Uw vader is ziek. Terstond ging hij naar Jakob, en nam zijn beide zonen, Manasse en Efraïm, met zich mee.
2ある人がヤコブに告げて、「見よ、あなたの息子ヨセフがあなたのところに来ています」と言った。イスラエルは力を振り絞って、寝床の上に座った。
2Toen men Jakob vertelde, dat zijn zoon Josef was gekomen, verzamelde Israël zijn laatste krachten, en richtte zich in zijn bed overeind.
3ヤコブはヨセフに言った。「全能の神が、カナンの地にあるルズで私に現れ、私を祝福して、
3En Jakob sprak tot Josef: De almachtige God is mij te Loez in het land Kanaän verschenen, en heeft mij gezegend.
4私に言われた。『見よ、わたしはあなたを実り豊かにし、あなたを増やし、多くの民の集まりとする。そして、この地をあなたの後に続く子孫に、永遠の所有地として与える。』
4Hij heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar en talrijk maken, u tot een schaar van volken doen groeien, en dit land aan uw nageslacht schenken tot een eeuwig bezit.
5今、私がエジプトのあなたのところに来る前に、エジプトの地であなたに生まれた二人の息子は、私のものだ。エフライムとマナセは、ルベンやシメオンと同じように、私のものとなる。
5Welnu, uw beide zonen, die u in Egypte geboren zijn, voordat ik tot u in Egypte kwam, Efraïm en Manasse, gelden als zonen van mij; Efraïm en Manasse staan voor mij gelijk met Ruben en Simeon.
6彼らの後に生まれる子どもたちは、あなたのものとなる。その相続地では、エフライムとマナセの名に組み入れられる。
6Maar de kinderen, die ge na hen zult krijgen, zullen de uwen zijn, en onder de naam van hun broeders hun erfdeel ontvangen.
7私については、私がパダンから来たとき、カナンの地で、エフラテへ行く道のまだ少し手前で、ラケルが私のそばで死んだ。私はエフラテ、すなわちベツレヘムへの道で、彼女をそこに葬った。」
7Want toen ik uit Paddan-Aram kwam, is uw moeder Rachel in het land Kanaän op enige afstand van Efráta mij ontvallen, en heb ik haar op de weg naar Efráta, dat nu Betlehem heet, moeten begraven.
8イスラエルはヨセフの息子たちを見て、言った。「この子たちは誰か。」
8Toen Israël de zonen van Josef bemerkte, sprak hij: Wie hebt ge daar?
9ヨセフは父に言った。「神がここで私に授けてくださった息子たちです。」 イスラエルは言った。「私のところへ連れて来なさい。彼らを祝福しよう。」
9Josef gaf zijn vader ten antwoord: Het zijn mijn zonen, die God mij hier heeft gegeven. Hij zeide: Breng ze bij mij; ik wil ze zegenen.
10さて、イスラエルの目は年齢のためにかすんでおり、見ることができなかった。ヨセフが彼らを父に近づけると、イスラエルは彼らに口づけし、彼らを抱きしめた。
10Want de ogen van Israël waren verzwakt van ouderdom, zodat hij niet kon zien. Toen Josef ze dus dicht bij hem had gebracht, kuste en omhelsde hij hen.
11イスラエルはヨセフに言った。「私はあなたの顔を見られるとは思っていなかった。見よ、神はあなたの子孫をも私に見させてくださった。」
11En Israël sprak tot Josef: Ik had niet gedacht, dat ik u nog zou weerzien; en zie, nu laat God mij nog uw kinderen aanschouwen.
12ヨセフは父の膝の間から二人を連れ出し、顔を地に伏せてひれ伏した。
12Nu nam Josef ze van zijn knieën weg, en zij bogen zich ter aarde neer.
13ヨセフは二人を取り、エフライムを自分の右手に置いてイスラエルの左手に向かわせ、マナセを自分の左手に置いてイスラエルの右手に向かわせ、彼らを父に近づけた。
13Dan nam Josef hen bij de hand: Efraïm bij de rechterhand, dus links van Israël; Manasse bij de linkerhand, dus rechts van Israël; zo plaatste hij ze vóór hem.
14イスラエルは右手を伸ばして弟エフライムの頭に置き、左手をマナセの頭に置いた。マナセが長男であったが、彼は心得て手を交差させた。
14Maar Israël kruiste zijn armen: hij stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, ofschoon hij de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse, ofschoon hij de eerstgeborene was.
15彼はヨセフを祝福して言った。 「私の先祖アブラハムとイサクが その御前を歩んだ神、 今日まで、生涯にわたって 私を養われた神、
15Toen zegende hij hen en sprak: De God, voor wiens aanschijn mijn vaderen hebben gewandeld, Abraham en Isaäk: De God, die mij heeft behoed van mijn geboorte af, Tot heden toe:
16すべての災いから 私を贖い出された御使いが、 この子らを祝福されるように。 私の名と、先祖アブラハムとイサクの名が 彼らの上に受け継がれるように。 彼らが地のただ中で 大いに増えるように。」
16De Engel, die mij uit alle nood heeft verlost, Zegene deze knapen! Moge in hen mijn naam blijven leven, en de naam van mijn vaderen, Abraham en Isaäk, En mogen zij vruchtbaar en talrijk worden In het land!
17ヨセフは、父が右手をエフライムの頭の上に置いたのを見て、不満に思った。彼は父の手を持ち上げ、エフライムの頭からマナセの頭へ移そうとした。
17Josef zag tot zijn ontsteltenis, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm had gelegd. Hij greep de hand van zijn vader, om ze van het hoofd van Efraïm weg te nemen en op het hoofd van Manasse te leggen.
18ヨセフは父に言った。「そうではありません、父上。この子が長男です。右手をこの子の頭に置いてください。」
18En Josef zei tot zijn vader: Zo niet vader; want dit is de oudste: leg uw rechterhand dus op zijn hoofd.
19しかし、父は拒んで言った。「わかっている、私の子よ、わかっている。彼もまた一つの民となり、彼もまた大いなる者となる。しかし、彼の弟は彼よりも大いなる者となり、その子孫は多くの国々の群れとなる。」
19Maar zijn vader weigerde het, en sprak: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het! Ook hij zal een volk worden, ook hij zal groot zijn; maar zijn jongere broer zal nog groter worden dan hij, en zijn geslacht een ganse schaar van volken.
20彼はその日、二人を祝福して言った。「イスラエルはあなたがたの名を挙げて、『神があなたをエフライムのように、マナセのようにされるように』と祝福するだろう。」こうして彼は、エフライムをマナセの前に置いた。
20En hij zegende hen op die dag, en sprak: Met uw naam zal Israël zegen wensen en zeggen: God make u als Efraïm en Manasse! Zo stelde hij Efraïm boven Manasse.
21イスラエルはヨセフに言った。「見よ、私は死のうとしている。しかし神はあなたがたと共におられ、あなたがたを先祖の地に再び連れ戻してくださる。
21Nu sprak Israël tot Josef: Zie, ik ga sterven; maar God zal met u zijn, en u terugleiden naar het land uwer vaderen.
22さらに私は、あなたの兄弟たちよりも一つ多い分け前をあなたに与えた。それは、私が自分の剣と弓でアモリ人の手から奪い取ったものである。」
22Ik vermaak u één deel meer dan uw broeders; de bergrug, die ik op de Amorieten met mijn zwaard en mijn boog heb veroverd.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.