創世記
Chapter 21
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1主は言われたとおりにサラを顧みられ、主は語られたとおりにサラになされた。
1En Jahweh trok Zich Sara aan, zoals Hij gezegd had; Jahweh deed Sara zijn belofte gestand.
2サラは身ごもり、神がアブラハムに告げられた定めの時に、年老いたアブラハムに男の子を産んだ。
2Zij werd zwanger, en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, juist op de tijd, die God had voorzegd.
3アブラハムは、自分に生まれた息子、サラが彼に産んだ息子をイサクと名付けた。
3Abraham noemde den zoon, die hem was geboren, en dien Sara hem geschonken had, Isaäk.
4アブラハムは、神が彼に命じられたとおり、息子イサクが生まれて八日目に割礼を施した。
4En Abraham besneed zijn zoon Isaäk, toen hij acht dagen oud was, zoals God hem bevolen had.
5息子イサクが生まれたとき、アブラハムは百歳であった。
5Abraham was bij de geboorte van zijn zoon Isaäk honderd jaar oud.
6サラは言った。「神は私を笑わせてくださいました。これを聞く者は皆、私と一緒に笑うでしょう。」
6Sara zeide: God heeft mij reden tot lachen gegeven; en ook iedereen, die het hoort, zal lachen.
7彼女はまた言った。「サラが子に乳を飲ませると、誰がアブラハムに言えただろう。だが私は、年老いた彼に男の子を産んだ。」
7En zij zeide: Wie had tot Abraham durven zeggen: Sara zal nog kinderen voeden? Toch heb ik een zoon gebaard op zijn oude dag.
8その子は育ち、乳離れした。イサクが乳離れした日に、アブラハムは盛大な宴会を催した。
8Het kind groeide op, en werd aan de borst ontwend; en toen Isaäk van de borst werd afgenomen, richtte Abraham een groot feestmaal aan.
9サラは、エジプト人ハガルがアブラハムに産んだ息子が、イサクをからかっているのを見た。
9Maar toen Sara den zoon, dien Hagar de Egyptische aan Abraham geschonken had, haar eigen zoon Isaäk zag uitlachen,
10それで彼女はアブラハムに言った。「この女のしもべとその息子を追い出してください。この女のしもべの息子は、私の息子イサクと一緒に跡継ぎになるべきではありません。」
10sprak ze tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg; want de zoon van die slavin mag geen erfgenaam worden met mijn zoon Isaäk.
11自分の息子のことだったので、このことはアブラハムにとって非常につらかった。
11Dit woord verdroot Abraham om zijn zoon.
12神はアブラハムに言われた。「この少年とあなたの女のしもべのことで、つらく思ってはならない。サラがあなたに言うことはすべて、彼女の声に聞き従いなさい。イサクから出る者が、あなたの子孫と呼ばれるからである。
12Maar God sprak: Wees niet verdrietig om den knaap en om uw slavin. Willig alles in, wat Sara u zegt; want alleen wat van Isaäk afstamt, zal uw nakomelingschap worden genoemd.
13女のしもべの息子もまた、わたしは一つの民族とする。彼もあなたの子だからである。」
13Toch zal Ik ook van den zoon der slavin een volk maken, omdat hij uw kind is.
14アブラハムは朝早く起き、パンと水の皮袋を取り、ハガルに与えて彼女の肩に載せ、少年も託して、彼女を送り出した。彼女は立ち去り、ベエル・シェバの荒野をさまよった。
14Daarom nam Abraham de volgende morgen brood en een zak water, gaf ze aan Hagar, zette het kind op haar schouder, en zond haar weg. Zij ging heen, maar verdwaalde in de woestijn van Beër-Sjéba.
15皮袋の水が尽きると、彼女は少年を一本の灌木の下に置いた。
15Toen het water uit de zak op was, legde zij den jongen onder een der struiken neer.
16彼女は離れて行き、弓の届くほど遠くに座った。「少年が死ぬのを見たくない」と思ったからである。彼女はその向こうに座り、声を上げて泣いた。
16Zelf ging zij op een boogschot afstand daar tegenover zitten; want ze zei: Ik kan het kind niet zien sterven. En terwijl ze zo tegenover hem zat, begon ze hardop te snikken.
17神は少年の声を聞かれた。 神の使いは天からハガルを呼んで言った。「ハガルよ、どうしたのか。恐れてはならない。神は、あそこにいる少年の声を聞かれたからである。
17God hoorde ook den knaap schreien; en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar, en zeide tot haar: Wat is er toch Hagar? Wees maar niet bang; want God heeft het schreien van den jongen gehoord; dat betekent immers zijn naam.
18立ち上がり、少年を起こして、あなたの手で彼をしっかり支えなさい。わたしは彼を大いなる民族とするからである。」
18Sta op, neem den knaap op, en houd hem goed vast; want Ik zal een groot volk van hem maken.
19神が彼女の目を開かれたので、彼女は水の井戸を見た。彼女は行って皮袋に水を満たし、少年に飲ませた。
19Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij ging de zak met water vullen, en gaf den jongen te drinken.
20神は少年と共におられ、彼は成長した。彼は荒野に住み、弓を射る者となった。
20En God was met den knaap. Toen hij groot was geworden, vestigde hij zich in de woestijn, en werd een boogschutter.
21彼はパランの荒野に住んだ。彼の母はエジプトの地から彼のために妻を迎えた。
21Hij woonde in de woestijn van Paran, en zijn moeder nam hem een vrouw uit het land van Egypte.
22そのころ、アビメレクとその軍の長フィコルはアブラハムに言った。「あなたがすることすべてに、神はあなたと共におられる。
22Het was ongeveer in dezelfde tijd, dat Abimélek en zijn legerhoofd Pikol tot Abraham zeiden: God is met u bij al wat ge doet.
23だから今、ここで神にかけて私に誓ってほしい。私にも、私の子にも、私の子孫にも、決して偽りを行わないと。私があなたに示した慈しみに応じて、私と、あなたが寄留しているこの地に対して、あなたも行ってほしい。」
23Zweer mij hier dus bij God, dat ge mij, noch mijn geslacht en mijn stam, ontrouw zult worden; maar dat ge mij en het land, waarin ge als gast verblijft, dezelfde vriendschap zult bewijzen, als ik u heb getoond.
24アブラハムは言った。「私は誓います。」
24En Abraham zeide: Ik zweer het.
25アブラハムは、アビメレクのしもべたちが力ずくで奪い取った水の井戸のことで、アビメレクに苦情を言った。
25Maar tegelijk deed Abraham bij Abimélek zijn beklag, dat de knechten van Abimélek zich met geweld van zijn waterput hadden meester gemaakt.
26アビメレクは言った。「誰がそんなことをしたのか、私は知らない。あなたも私に告げず、私も今日まで聞いていなかった。」
26Abimélek zeide: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ge hebt er mij ook nooit van gesproken, en ik heb er tot nu toe niets van gehoord.
27アブラハムは羊と牛を取ってアビメレクに与え、二人は契約を結んだ。
27Daarop haalde Abraham schapen en runderen, gaf ze aan Abimélek ten geschenke, en zij sloten een verbond met elkander.
28アブラハムは羊の群れから、七匹の雌の小羊を別にして置いた。
28Toen Abraham zeven lammetjes had afgezonderd,
29アビメレクはアブラハムに言った。「あなたが別にして置いたこの七匹の雌の小羊は、どういう意味なのか。」
29zei Abimélek tot Abraham: Wat betekenen die zeven lammetjes, die ge afgezonderd houdt?
30彼は言った。「この七匹の雌の小羊を私の手から受け取ってください。私がこの井戸を掘ったことの証しとなります。」
30Hij antwoordde: Zeven lammetjes moet ge van mij aannemen; dit zal mij tot getuigenis dienen, dat ik die put heb gegraven.
31それゆえ、彼はその場所をベエル・シェバと呼んだ。そこで二人が誓いを立てたからである。
31Daarom wordt die plaats Beër-Sjéba genoemd, omdat zij daar beiden een eed hebben gezworen.
32こうして彼らはベエル・シェバで契約を結んだ。アビメレクと軍の長フィコルは立ち上がり、ペリシテ人の地へ帰って行った。
32En nadat zij dus een verbond te Beër-Sjéba hadden gesloten, brak Abimélek met zijn legeroverste Pikol op, en keerde naar het land der Filistijnen terug.
33アブラハムはベエル・シェバに一本のぎょりゅうの木を植え、そこで永遠の神である主の御名を呼び求めた。
33Abraham plantte een tamarisk te Beër-Sjéba, en riep daar de naam van Jahweh aan, den eeuwigen God.
34アブラハムは長い間、ペリシテ人の地に寄留した。
34Nog lang bleef hij in het land der Filistijnen wonen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.