Numeri 27
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Maar nu traden de dochters van Selofchad, den zoon van Chéfer, den zoon van Gilad, den zoon van Makir, den zoon van Manasse, den zoon van Josef naar voren; de namen van zijn dochters waren: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
1І приступили дочки Зелофхада, сина Гефера, сина Гілеада, сина Макіри, сина Манассії, із родини Манассії, сина Йосифа, і се імена дочок його: Махля, Ноя та Хогля, та Милка та Тирза.
2Zij plaatsten zich voor Moses en den priester Elazar, en voor de aanvoerders en heel de gemeenschap bij de ingang van de openbaringstent en zeiden:
2І стали вони перед Мойсейом та Єлеазаром сьвященником і перед князями й перед усією громадою, коло входу в соборний намет, і промовили:
3Onze vader is in de woestijn gestorven. Maar hij behoorde niet tot de aanhang van Kore, die opstand maakte tegen Jahweh; maar hij is om zijn eigen zonde gestorven, zonder zonen na te laten.
3Батько наш умер у степу, хоть і не було його між ротою, що зібралась проти Господа в ротї Кораговій, та за свій гріх вмер він; синів же у його не було.
4Waarom moet nu de naam van onzen vader uit zijn geslacht verdwijnen, omdat hij geen zoon heeft gehad? Geef ons dus eigendom onder de broeders van onzen vader.
4Чому ж би мало пропасти імя панотця нашого з роду його за те, що нема сина в його? Дай нам власність між братами батька нашого!
5Moses bracht haar rechtsvraag voor Jahweh.
5І принїс Мойсей справу їх перед Господа.
6En Jahweh sprak tot Moses:
6І рече Господь Мойсейові:
7De dochters van Selofchad hebben gelijk. Ge moet haar onder de broeders van haar vader een erfelijk grondbezit geven, en het erfdeel van haar vader op haar doen overgaan.
7Праведно дочки Зелофхадові говорять; треба ж тобі надїлити їм наслїдню державу між братами батька їх і нехай перейде на них батьківщина їх.
8En aan de Israëlieten moet ge zeggen: Wanneer iemand sterft, zonder een zoon na te laten, moet ge zijn erfdeel op zijn dochters doen overgaan.
8А синам Ізраїля казати меш: Коли вмер чоловік і нема в його сина, так мусите перевести наслїддє його на дочку його.
9Zo hij ook geen dochters heeft, moet gij zijn erfdeel aan zijn broers geven.
9А коли нема в його дочки, так оддасьте наслїддє його братові його.
10Heeft hij geen broers, dan moet gij het aan de broers van zijn vader geven.
10А коли нема в його братів, так оддасьте наслїддє його батьковим братам його.
11Had ook zijn vader geen broers, dan moet gij zijn erfdeel geven aan die hem in zijn geslacht het naast verwant is; die zal het dan erven. Dit is voor de Israëlieten een wettelijk voorschrift geworden, zoals Jahweh het Moses bevolen heeft.
11А коли нема братів у батька його, так оддасьте наслїддє родичові його, найближшому в родинї його, і держати ме його він. І буде се синам Ізрайлевим правосудня установа, як заповідав Господь Мойсейові.
12Jahweh sprak tot Moses: Bestijg dit Abarimgebergte, en werp een blik op het land, dat Ik de Israëlieten zal geven.
12І рече Господь Мойсейові: Ізійди на Абарім гору, і побачиш землю, що я надїлив синам Ізрайлевим.
13Wanneer ge het gezien hebt, zult ook gij bij uw volk worden verzameld, evenals uw broeder Aäron,
13І як побачиш, так прилучишся до народу твого, як прилучивсь Арон, твій брат;
14omdat gij u in de woestijn Sin bij de opstand van de gemeenschap tegen mijn bevel hebt verzet, en Mij door het water voor hun ogen niet als heilig hebt behandeld. Dit is het water van Meribat-Kadesj in de woestijn van Sin geweest.
14Бо збунтувались ви проти слова мого в Зин степу, в час сварки громадської, щоб явити сьвятость мою перед очима їх (се єсть при водах Мериви, у Кадесї, в Зин степу).
15Moses zei tot Jahweh:
15І промовив Мойсей до Господа, кажучи:
16Jahweh, de God over het leven van alle schepselen, stelle dan iemand over de gemeenschap aan,
16Господе, Боже духів усякого тїла, постав над громадою чоловіка,
17die voor hen uitgaat en ingaat, die hen uitleidt en terugvoert, opdat de gemeenschap van Jahweh niet worde als schapen zonder herder.
17Щоб виходив і ввіходив перед ними, і щоб виводив їх і вводив їх, щоб не була громада Господня, як отара, що нема в неї пастуха.
18Toen sprak Jahweh tot Moses: Neem Josuë, den zoon van Noen, een man, die met mijn geest is vervuld, en leg hem uw hand op;
18І рече Господь Мойсейові: Возьми собі Йозея Нуненка; чоловіка, в котрого дух, і положи на його руку твою; і постав його перед Єлеазаром сьвященником і перед усією громадою.
19plaats hem voor den priester Elazar en voor de hele gemeenschap der Israëlieten, en draag hem in hun tegenwoordigheid de leiding over.
19І дай йому поволїння перед очима їх.
20Deel hem iets van uw waardigheid mee, zodat heel de gemeenschap der Israëlieten hem gehoorzaamt;
20І удїли йому достойньства свого, щоб корилась йому вся громада синів Ізрайлевих.
21maar toch zal hij voor den priester Elazar moeten verschijnen, en deze zal voor hem voor het aanschijn van Jahweh de uitspraak der Oerim moeten vragen. En op diens uitspraak zal hij met al de Israëlieten en heel de gemeenschap moeten uittrekken en terugkeren.
21І нехай стане він перед Єлеазаром сьвященником, а той питати ме за його про суд урім перед Господом. По слову його вони виходити муть і по слову його ввіходити муть, він сам і всї сини Ізрайлеві з ним, уся громада.
22Moses deed, wat Jahweh hem bevolen had. Hij nam Josuë, plaatste hem voor den priester Elazar en heel de gemeenschap,
22І вчинив Мойсей, як заповідав йому Господь, і взяв Йозея і поставив його перед Єлеазаром сьвященником і перед усією громадою; і положив руки на його і передав йому повелїння, як заповідав Господь через Мойсея.
23legde hem de handen op, en droeg hem de leiding over; zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
no verse 23 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.