Numeri 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Jahweh sprak in de woestijn van de Sinaï tot Moses in de eerste maand van het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte:
1І рече Господь Мойсейові в Синайському степу, в другому роцї по виходї із землї Египецької, у первому місяцї:
2De Israëlieten moeten het Pascha vieren op de daarvoor vastgestelde tijd.
2Нехай сьвяткують сини Ізрайлеві в призначений час паску.
3Op de veertiende dag van deze maand, bij het vallen van de avond, moeten zij het op de juiste tijd vieren, en daarbij al de voorschriften en wetten erover in acht nemen.
3На чотирнайцятий день місяця сього, між двома вечорами, сьвяткувати муть вони; по всїм установам її і по всїм приписам її мусите сьвяткувати її.
4Moses beval dus de Israëlieten, het Pascha te vieren.
4І промовив Мойсей до синів Ізрайлевих, щоб сьвяткували паску.
5En de Israëlieten vierden het in de woestijn van de Sinaï op de veertiende dag der eerste maand, bij het vallen van den avond, en zij namen alles in acht, wat Jahweh Moses bevolen had.
5І сьвяткували вони паску на чотирнайцятий день первого місяця, між двома вечорами, у Синайському степу; як заповідав Господь Мойсейові, так і чинили сини Ізрайлеві.
6Maar er waren toen enige mannen, die zich aan een lijk hadden verontreinigd, en dus op die dag het Pascha niet konden vieren. Die mannen verschenen die dag voor Moses en Aäron,
6Та були такі люде, що опоганились від трупа людського, і не можна їм було сьвяткувати паски в той день; і приступили вони в той день перед Мойсея та перед Арона.
7en zeiden tot hen: Wij hebben ons aan een lijk verontreinigd. Maar waarom is het ons nu niet vergund, het offer van Jahweh te brengen op de vastgestelde tijd te midden van de Israëlieten?
7І сказали сї люде до його: Ми нечисті від людського трупу; чому не вільно нам приносити дари Господеві серед синів Ізрайлевих у призначений час?
8Moses gaf hun ten antwoord: Blijft hier wachten; dan ga ik horen, wat Jahweh over u beveelt.
8І каже до них Мойсей: Пождїть, я послухаю, що повелить Господь задля вас.
9En Jahweh sprak tot Moses:
9І розмовляв Господь з Мойсейом кажучи:
10Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand van u of uw nageslacht zich aan een lijk heeft verontreinigd, of ver weg is op reis, dan moet hij toch het Pascha houden ter ere van Jahweh.
10Промов до синів Ізрайлевих і скажи: Коли хто з вас буде нечистий від трупа, чи буде в далекій дорозї, так усе таки мусить сьвяткувати паску Господеві.
11Ze moeten het dan vieren in de tweede maand, op de veertiende dag, bij het vallen van de avond. Ook zij moeten het met ongedesemde broden en bittere kruiden eten,
11У другому місяцї, на чотирнайцятий день, між двома вечорам, сьвяткувати муть її; з опрісноками й гіркими зіллями їсти муть її.
12mogen er niets van tot de volgende morgen bewaren, geen been er van breken, en moeten alle voorschriften van het Pascha er bij in acht nemen.
12Нїчого не зоставляти муть із неї до ранку, і кісток не ломити муть у їй; по всїм установам паски сьвяткувати муть її.
13Maar wie verzuimt, het Pascha te vieren, ofschoon hij rein is en niet op reis, zal van zijn volk worden afgesneden, omdat hij het offer van Jahweh niet op de vastgestelde tijd heeft gebracht. Zo iemand zal zijn zonde boeten!
13Чоловік же чистий і що не в дорозї, а занедбав сьвяткувати паску, викорениться душа його зміж людей його; бо не принїс жертви Господеві у призначений час; чоловік той нести ме свій гріх.
14Wanneer een vreemdeling bij u woont, en het Pascha ter ere van Jahweh wil vieren, moet ook hij de voorschriften en wetten van het Pascha in acht nemen. Hetzelfde voorschrift geldt voor u allen, voor den vreemdeling zowel als voor het kind van het land.
14А коли пробуває в вас приходень і хоче сьвяткувати паску Господеві, то нехай сьвяткує по установам паски і по приписам її. Установа буде одна про вас, і про приходня, і про землянина.
15Op de dag, dat men de tabernakel had opgericht, bedekte de wolk de tabernakel van de verbondstent, en des avonds rustte er als het ware een vuurgloed op de tabernakel tot aan de morgen.
15Того ж дня, як поставлено храмину, вкривала хмара храмину намету сьвідчення; і звечора була вона над храминою наче поломя аж до ранку.
16Zo bleef het voortdurend: de wolk bedekte hem overdag, en een vuurgloed des nachts.
16Так було щоразу: хмара вкривала її за дня, а наче поломя в ночі.
17Zodra nu de wolk zich boven de tent verhief, trokken de Israëlieten verder, en op de plaats, waar de wolk zich neerliet, sloegen zij hun legerplaats op.
17І як піднялась хмара над наметом, рушали в дорогу сини Ізрайлеві; на тому ж місцї, де хмара спускалась, там отаборувались Ізрайлеві сини.
18Op bevel van Jahweh trokken de Israëlieten verder, op bevel van Jahweh sloegen zij hun legerplaats op, en zolang de wolk op de tabernakel bleef rusten, bleven zij in hun legerplaats.
18По слову Господньому рушали в дорогу сини Ізрайлеві, і по слову Господньому отаборувались; по всї днї як зоставалась хмара над храминою, стояли вони табором.
19Wanneer de wolk langere tijd op de tabernakel bleef rusten, richtten de Israëlieten zich naar Jahweh’s beschikking, en trokken niet verder.
19І як хмара стояла довгий час над храминою, тодї відправляли сини Ізрайлеві службу Господеві й не рушали в дорогу.
20Soms bleef de wolk maar enige dagen boven de tabernakel; ook dan legerden zij zich op Jahweh’s bevel en trokken verder op Jahweh’s bevel.
20І тодї ж стояла хмара тільки кілька день над храминою: — по слову Господньому ставали табором вони, і по слову Господньому рушали дальше.
21Soms bleef de wolk slechts van de avond tot de morgen; maar als de wolk zich des morgens verhief, braken zij op. En of het dag was of nacht, als de wolk zich verhief, braken zij op.
21І бувало, що зоставалась хмара з вечора до ранку, а в раньцї піднялась хмара, тодї рушали вони в дорогу; або один день і одну ніч, і хмара піднялась, то рушали вони дальше;
22En of de wolk twee dagen, of een maand of nog langer, op de tabernakel bleef rusten, zolang zij daarop bleef rusten, bleven de Israëlieten gelegerd en braken niet op; eerst als zij opsteeg, trokken zij verder.
22Або два днї, або місяць, або й довше; як зоставалась хмара над храминою спочиваючи над нею, то стояли сини Ізрайлеві табором і не пускались в дорогу; а як піднялась вона, в гору, тодї йшли в дорогу.
23Dus op bevel van Jahweh sloegen zij hun legerplaats op, en op bevel van Jahweh trokken zij verder. Steeds richtten zij zich naar de beschikking van Jahweh, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
23По слову Господньому становились вони станом, і по слову Господньому рушали дальше; пильнували вони служби Господньої по слову Господньому через Мойсея.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.