Numeri 20
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen in de eerste maand heel de gemeenschap der Israëlieten in de woestijn Sin was gekomen, vestigde het volk zich te Kadesj. Daar stierf Mirjam, en werd zij begraven.
1І прийшли сини Ізрайлеві цїлою громадою в степ Зин, первого місяця; і остановився народ в Кадесї; і вмерла там Миряма, і поховано її там.
2Eens toen de gemeenschap geen water had, liep men tegen Moses en Aäron te hoop.
2І не стало води для громади, і зібрались вони проти Мойсея і Арона.
3Het volk zocht twist met Moses, en zei: Ach, waren we maar gestorven, toen onze broeders omkwamen voor het aanschijn van Jahweh!
3І сварились люде з Мойсейом і з Ароном, мовляючи: Лучче було б нам померти тодї, як померло браттє наше перед Господом!
4Waarom hebt gij de gemeente van Jahweh naar deze woestijn gevoerd, om ons hier met ons vee te doen omkomen!
4Та на що привели ви громаду Господню в цей степ, щоб і нам тут погибнути і скотинї нашій?
5Waarom hebt gij ons uit Egypte geleid, om ons naar deze dorre streek te brengen, waar geen plek is, om te zaaien, waar geen vijg is, geen wijnstok of granaat, zelfs geen water om te drinken!
5І нащо вивели ви нас із Египту, щоб завести нас у се ледаче врочище? Нема ту нї землї на сїйбу, нї смоківниць, нї винограду, нї гранат, і навіть води нїде напитись.
6Toen liepen Moses en Aäron van de gemeente weg naar de ingang van de openbaringstent, en vielen op hun aangezicht neer. De heerlijkheid van Jahweh verscheen hun,
6І пійшов Мойсей з Ароном від громади до входу в соборний намет, і впали ниць на лиця свої; і явилась їм слава Господня.
7en Jahweh sprak tot Moses:
7І промовив Господь до Мойсея: кажучи:
8Neem de staf, en roep met uw broeder Aäron de gemeenschap bijeen, en gebied in hun bijzijn de rots, water te geven. Gij moet voor hen water uit de rots doen vloeien, en de gemeente en haar vee te drinken geven.
8Возьми жезло та збери громаду, ти й твій брат Арон, і покличте до скелї перед очима їх; і дасть вона вам воду свою, і виведеш їм воду із скелї, і напоїш громаду й скотину їх.
9Moses nam dus de staf voor het aanschijn van Jahweh weg, zoals Hij hem bevolen had,
9І взяв Мойсей жезло од лиця Господнього, як він повелїв йому.
10riep met Aäron de gemeente bijeen voor de rots en sprak tot haar: Luistert, rebellen! Kunnen wij wel uit deze rots voor u water doen vloeien!
10І зібрали Мойсей та Арон громаду перед скелею; і рече їм: Слухайте ж, ворохобники, чи добудемо з сієї скелї воду про вас?
11Daarbij hief Moses zijn hand op, en sloeg twee maal met zijn staf op de rots; toen vloeide er water in overvloed uit, zodat de gemeenschap met haar vee kon drinken.
11І підняв Мойсей руку та й вдарив скелю жезлом своїм двічі; і потекло багацько води, і напилась громада й скотина їх.
12Maar Jahweh sprak tot Moses en Aäron: Omdat gij Mij niet hebt geloofd, en Mij voor de ogen van de Israëlieten niet als heilig behandeld hebt, zult gij deze gemeente niet binnenleiden in het land, dat Ik hun heb geschonken.
12І рече Господь Мойсейові й Аронові: За те, що не няли ви менї віри, щоб осьвятити мене в очу синів Ізраїля, за те не приведете ви громади сієї в землю, що я надїлив їм.
13Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten met Jahweh hebben getwist, en Hij Zich aan hen als heilig toonde.
13Се води Мериви, де сварились Ізрайлеві сини з Господом, і він явив їм сьвятість свою.
14Van Kadesj uit zond Moses gezanten naar den koning van Edom met de boodschap: Zo spreekt uw broeder Israël! Gij kent alle wederwaardigheden, die wij hebben ondervonden.
14І післав Мойсей посли з Кадесу до царя Едомського: Так каже твій брат Ізраїль: Ти знаєш усї ті пригоди, що стались нам:
15Onze vaderen zijn naar Egypte getrokken, en wij hebben lange tijd in Egypte gewoond. Maar de Egyptenaren hebben ons evenals onze vaderen mishandeld.
15Як батьки наші спустились в Египет і ми жили в Египтї довгий час, і що Египтяне заподїяли нам і батькам нашим.
16Wij hebben tot Jahweh geroepen, en Hij heeft ons gehoord, en zijn engel gezonden, om ons uit Egypte te leiden. Nu zijn wij in Kadesj, een stad aan de grens van uw gebied,
16Тодї позвали ми до Господа, і він почув наш голос, і післав ангела та й вивів нас із Египту; і се ми в Кадесї містї, що на краю займища твого.
17en wij zouden graag door uw land trekken. Wij zullen niet door uw velden en wijngaarden gaan, en geen water drinken uit uw putten, maar de koninklijke weg blijven houden, zonder rechts of links af te wijken, zolang wij door uw gebied trekken.
17Дозволь же нам пройти через твою землю! Не будемо йти полями й виноградниками, і не будемо пити води з колодязїв; по царській дорозї перейдемо, не будемо звертати нї на право, нї на ліво, докіль не перейдемо займища твого.
18Maar Edom gaf hem ten antwoord: Gij moogt er bij mij niet door; anders trek ik u met het zwaard tegemoet.
18Та відказав йому Едом: Не переходити меш в мене; ато з мечем вийду проти тебе.
19De Israëlieten drongen bij hem aan: Wij zullen de gebaande wegen houden, en mocht ik of mijn vee van uw water drinken, dan zal ik daarvoor betalen. Het heeft toch niets te betekenen, dat ik te voet er doorheen trek.
19І казали йому синове Ізрайлеві: Битим шляхом ми хочемо йти; а коли воду твою пити му я, чи скотина моя, так заплачу тобі за неї; тільки ногами моїми хочу перейти, більш нїчого.
20Hij antwoordde: Ge komt er niet door! En Edom trok hem met veel volk en sterk gewapend tegemoet.
20І каже: не можна щоб проходити! І вийшов Едом проти його з великим народом і з потужною рукою.
21Daar Edom dus aan Israël de doortocht weigerde door zijn gebied, moest Israël om hem heen trekken.
21І так не дав Едом Ізраїлеві перейти через займища свої, і звернув Ізраїль на бік від його.
22Toen heel de gemeenschap der Israëlieten van Kadesj was opgetrokken, bereikten zij de berg Hor.
22І рушили в дорогу від Кадесу, і прийшли сини Ізрайлеві, цїлою громадою, до Ор гори.
23En op de berg Hor, aan de grens van het land van Edom, sprak Jahweh tot Moses en Aäron:
23І рече Господь Мойсейові та Аронові під Ор-горою, на границях землї Едомової:
24Aäron zal bij zijn volk worden verzameld; want hij zal het land, dat Ik de Israëlieten heb gegeven, niet binnengaan, omdat gij beiden u bij het water van Meriba tegen mijn bevel hebt verzet.
24Мусить прилучитись Арон до народу свого; бо не має він увійти в землю, що я віддав синам Ізрайлевим за те, що ви противились повелїнню мому при водах Мериви.
25Neem Aäron en zijn zoon Elazar met u mee, en laat ze de berg Hor bestijgen.
25Возьми Арона та Елеазара, сина його, та й приведи їх на Ор-гору;
26Ontdoe Aäron van zijn gewaden, en bekleed er zijn zoon Elazar mee. Dan zal Aäron daar bij zijn volk worden verzameld en daar sterven.
26І знїми з Арона одїж його та вдягни в неї Елеазара, сина його, і прилучиться Арон і вмре там.
27Moses deed, wat Jahweh hem had bevolen, en ten aanschouwen van heel de gemeenschap bestegen zij de berg Hor.
27І вчинив Мойсей, як заповідав Господь. І зійшли вони на гору перед очима в усієї громади.
28Moses ontdeed Aäron van zijn gewaden, en bekleedde er zijn zoon Elazar mee. En Aäron stierf daar op de top van de berg. Toen Moses en Elazar van de berg afdaalden,
28І зняв Мойсей з Арона одїж його, та й одягнув у неї Елеазара, сина його. І вмер Арон на верховинї Ор-гори. І спустивсь із гори Мойсей та Елеазар. І побачила вся громада, що вмер Арон, і плакав увесь люд Ізраїльський трийцять день.
29en heel de gemeenschap zag, dat Aäron gestorven was, beweende heel het huis van Israël Aäron dertig dagen lang.
no verse 29 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.