Numeri
Chapter 27
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Maar nu traden de dochters van Selofchad, den zoon van Chéfer, den zoon van Gilad, den zoon van Makir, den zoon van Manasse, den zoon van Josef naar voren; de namen van zijn dochters waren: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
1Tehdy přistoupily dcery Salfada, syna Heferova, syna Galád, syna Machir, syna Manasse, z pokolení Manasse, syna Jozefova. Tato pak jsou jména dcer jeho: Mahla, Noa, Hegla, Melcha a Tersa.
2Zij plaatsten zich voor Moses en den priester Elazar, en voor de aanvoerders en heel de gemeenschap bij de ingang van de openbaringstent en zeiden:
2A postavily se před Mojžíšem a před Eleazarem knězem, i před knížaty a vším množstvím, u dveří stánku úmluvy, a řekly:
3Onze vader is in de woestijn gestorven. Maar hij behoorde niet tot de aanhang van Kore, die opstand maakte tegen Jahweh; maar hij is om zijn eigen zonde gestorven, zonder zonen na te laten.
3Otec náš umřel na poušti, kterýž však nebyl z spolku těch, kteříž se zrotili proti Hospodinu v rotě Chóre; nebo pro hřích svůj umřel, synů žádných nemaje.
4Waarom moet nu de naam van onzen vader uit zijn geslacht verdwijnen, omdat hij geen zoon heeft gehad? Geef ons dus eigendom onder de broeders van onzen vader.
4Což vyhlazeno býti má jméno otce našeho z čeledi jeho, proto že neměl syna? Dej nám dědictví mezi bratřími otce našeho.
5Moses bracht haar rechtsvraag voor Jahweh.
5I vznesl tu věc Mojžíš na Hospodina.
6En Jahweh sprak tot Moses:
6Kterýž odpověděl Mojžíšovi, řka:
7De dochters van Selofchad hebben gelijk. Ge moet haar onder de broeders van haar vader een erfelijk grondbezit geven, en het erfdeel van haar vader op haar doen overgaan.
7Dobře mluví dcery Salfad. Dejž jim bez odporu právo dědictví mezi bratřími otce jejich, a přenes dědictví otce jejich na ně.
8En aan de Israëlieten moet ge zeggen: Wanneer iemand sterft, zonder een zoon na te laten, moet ge zijn erfdeel op zijn dochters doen overgaan.
8K synům pak Izraelským toto mluviti budeš: Když by kdo umřel, nemaje syna, tedy přenesete dědictví jeho na dceru jeho.
9Zo hij ook geen dochters heeft, moet gij zijn erfdeel aan zijn broers geven.
9Pakli by ani dcery neměl, tedy dáte dědictví jeho bratřím jeho.
10Heeft hij geen broers, dan moet gij het aan de broers van zijn vader geven.
10Pakli by ani bratří neměl, tedy dáte dědictví jeho bratřím otce jeho.
11Had ook zijn vader geen broers, dan moet gij zijn erfdeel geven aan die hem in zijn geslacht het naast verwant is; die zal het dan erven. Dit is voor de Israëlieten een wettelijk voorschrift geworden, zoals Jahweh het Moses bevolen heeft.
11Pakli by ani strýců neměl, tedy dáte dědictví jeho příteli jeho, kterýž jest nejbližší jemu v rodu jeho, aby dědičně obdržel je. A bude to synům Izraelským za ustanovení soudné, jakož přikázal Hospodin Mojžíšovi.
12Jahweh sprak tot Moses: Bestijg dit Abarimgebergte, en werp een blik op het land, dat Ik de Israëlieten zal geven.
12Řekl také Hospodin Mojžíšovi: Vstup na horu tuto Abarim, a spatř zemi, kterouž jsem dal synům Izraelským.
13Wanneer ge het gezien hebt, zult ook gij bij uw volk worden verzameld, evenals uw broeder Aäron,
13A když spatříš ji, připojen budeš k lidu svému i ty, jako připojen jest Aron bratr tvůj,
14omdat gij u in de woestijn Sin bij de opstand van de gemeenschap tegen mijn bevel hebt verzet, en Mij door het water voor hun ogen niet als heilig hebt behandeld. Dit is het water van Meribat-Kadesj in de woestijn van Sin geweest.
14Poněvadž jste odporovali řeči mé na poušti Tsin, při odporování všeho množství, kdež jste mne měli posvětiti při vodách před očima jejich. To jsou ty vody sváru v Kádes, na poušti Tsin.
15Moses zei tot Jahweh:
15I řekl Mojžíš Hospodinu, řka:
16Jahweh, de God over het leven van alle schepselen, stelle dan iemand over de gemeenschap aan,
16Opatříš Hospodin Bůh duchů, Bůh všelikého těla, shromáždění toto mužem hodným,
17die voor hen uitgaat en ingaat, die hen uitleidt en terugvoert, opdat de gemeenschap van Jahweh niet worde als schapen zonder herder.
17Kterýž by vycházel před nimi, a kterýž by vcházel před nimi, kterýž by vyvodil a zase uvodil je, aby nebylo shromáždění Hospodinovo jako ovce, kteréž nemají pastýře.
18Toen sprak Jahweh tot Moses: Neem Josuë, den zoon van Noen, een man, die met mijn geest is vervuld, en leg hem uw hand op;
18I řekl Hospodin Mojžíšovi: Vezmi k sobě Jozue, syna Nun, muže, v kterémž jest duch můj, a vlož ruku svou na něj.
19plaats hem voor den priester Elazar en voor de hele gemeenschap der Israëlieten, en draag hem in hun tegenwoordigheid de leiding over.
19A postavě jej před Eleazarem knězem a přede vším shromážděním, dáš jemu naučení před očima jejich,
20Deel hem iets van uw waardigheid mee, zodat heel de gemeenschap der Israëlieten hem gehoorzaamt;
20A udělíš jemu slávy své, aby ho poslouchalo všecko množství synů Izraelských.
21maar toch zal hij voor den priester Elazar moeten verschijnen, en deze zal voor hem voor het aanschijn van Jahweh de uitspraak der Oerim moeten vragen. En op diens uitspraak zal hij met al de Israëlieten en heel de gemeenschap moeten uittrekken en terugkeren.
21Kterýž před Eleazarem knězem postavě se, ptáti se ho bude na soud urim před Hospodinem. K rozkazu jeho vyjdou, a k rozkazu jeho vejdou, on i všickni synové Izraelští s ním, a všecko shromáždění.
22Moses deed, wat Jahweh hem bevolen had. Hij nam Josuë, plaatste hem voor den priester Elazar en heel de gemeenschap,
22I učinil Mojžíš tak, jakž mu byl rozkázal Hospodin, a pojav Jozue, postavil jej před Eleazarem knězem a přede vším shromážděním.
23legde hem de handen op, en droeg hem de leiding over; zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
23A vloživ ruce své na něj, dal jemu naučení, jakž mluvil Hospodin skrze Mojžíše.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.