Numeri 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
1I mluvil Hospodin k Mojžíšovi a k Aronovi, řka:
2Neemt van de Levieten het volledig getal der Kehatieten op naar hun geslachten en families,
2Sečti summu synů Kahat z prostředku synů Léví po čeledech jejich a po domích otců jejich,
3van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, en wel iedereen die in staat is om dienst te verrichten bij de openbaringstent.
3Od třidcítiletých a výše až do padesátiletých, kteříž by způsobní jsouce k boji, mohli práci vésti při stánku úmluvy.
4De taak der Kehatieten in de openbaringstent strekt zich tot het hoogheilige uit.
4Tato pak bude práce synů Kahat při stánku úmluvy svatyně svatých:
5Wanneer het kamp wordt opgebroken, moeten Aäron en zijn zonen naar binnen gaan, het voorhangsel afnemen en de ark des Verbonds er mee bedekken;
5Když by se měla vojska hnouti s místa, přijde Aron s syny svými a sejmou oponu zastření, a přikryjí ní truhlu svědectví.
6daaroverheen moeten zij een dek van gelooide huiden leggen, daarover nog een geheel violet kleed uitspreiden, en er de draagstokken aan zetten.
6A na to dají přikrytí z koží jezevčích, a přistrou svrchu rouchem z samého postavce modrého, a provlekou sochory její.
7Ook over de tafel van de toonbroden moeten zij een violet kleed spreiden, en daarop de schotels, pannen, schalen en bekers voor de plengoffers plaatsen, terwijl ook het bestendig brood daarop moet liggen;
7Na stůl pak chlebů předložení prostrou roucho z postavce modrého, a dají na něj misy a kadidlnice a koflíky a přikryvadla k přikrývání; a chléb ustavičně na něm bude.
8daaroverheen moeten zij een karmozijnen kleed spreiden, het met een dekkleed van gelooide huiden bedekken, en er de draagstokken aan zetten.
8A prostrou na to roucho z červce dvakrát barveného, a přikryjí to přistřením z koží jezevčích, a provlekou sochory jeho.
9Dan moeten zij een violet kleed nemen, de kandelaar er mee bedekken met zijn lampen, snuiters, tangen, bakjes en alle vaatwerk voor de olie, waarmee zij hem verzorgen,
9Vezmou také roucho z postavce modrého, a přikryjí svícen světla a lampy jeho, i utěradla jeho, i nádoby k oharkům jeho, a všecky nádoby k oleji jeho, jichž při něm užívají.
10hem met al zijn benodigdheden in een dekkleed van gelooide huiden wikkelen, en op een draagbaar zetten.
10A obvinou jej se všechněmi nádobami jeho přikrytím z koží jezevčích, a vloží na sochory.
11Ook over het gouden altaar moeten zij een violet kleed spreiden, het met een dekkleed van gelooide huiden bedekken, en er de draagstokken aan zetten.
11Na oltář pak zlatý prostrou roucho z postavce modrého, a přikryjí jej přikrytím z koží jezevčích, a provlekou sochory.
12Daarna moeten zij alle benodigdheden nemen, waarmee zij de dienst in het heiligdom verrichten, op een violet kleed zetten, ze bedekken met een dekkleed van gelooide huiden, en op een draagbaar zetten.
12Vezmou i všecky nádoby k službě, jimiž přisluhovali v svatyni, a zavinouce do roucha z postavce modrého, přikryjí je přikrytím z koží jezevčích, a vloží na sochory.
13Vervolgens moeten zij het altaar van as reinigen, en er een purperen kleed over heen spreiden;
13Vyprázdní i popel z oltáře, a prostrou na něj roucho šarlatové.
14daarop alle benodigdheden plaatsen, waarmee zij de dienst aan het altaar verrichten, de vuurpotten, vorken, schoppen, offerschalen, en alle vaatwerk van het altaar; daaroverheen een dekkleed van gelooide huiden spreiden, en er de draagstokken aan zetten.
14A vloží svrchu všecko nádobí jeho, jímž přisluhují na něm, nádoby k uhlí, vidličky, pometla, kotlíky a všecko nádobí oltáře, a přistrouce jej přikrytím z koží jezevčích, uvlekou sochory jeho.
15Eerst wanneer bij het opbreken van het kamp Aäron en zijn zonen gereed zijn gekomen met het bedekken van de heilige zaken en al wat daartoe behoort, mogen de Kehatieten binnen komen, om ze te vervoeren. Zij mogen de heilige zaken niet aanraken; anders zouden zij sterven. Dit is het gedeelte van de openbaringstent, dat door de Kehatieten moet worden gedragen.
15A když to vykoná Aron s syny svými, a přikryje svatyni i všecka nádobí její, a již by se měla hýbati vojska, tedy přijdou synové Kahat, aby nesli; ale nedotknou se svatyně, aby nezemřeli. Ta jest práce synů Kahat při stánku úmluvy.
16Bovendien moet Elazar, de zoon van den priester Aäron, zorg dragen voor de olie van de kandelaar, de wierook, het altijddurend spijsoffer en de zalfolie; hij heeft dus de zorg voor heel de tabernakel en alles wat daarin is, voor de heilige zaken en haar toebehoren.
16Eleazar pak, syn Arona kněze, pečovati bude o olej k svícení a kadění vonnými věcmi a obět ustavičnou i o olej pomazání, svěřený sobě maje všecken příbytek a všecky věci, kteréž v něm jsou, svatyni a nádoby její.
17En Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
17A mluvil Hospodin k Mojžíšovi a Aronovi, řka:
18Zorgt er voor, dat de tak van het Kehatietengeslacht niet uit de kring der Levieten wordt uitgeroeid.
18Hleďtež, abyste nevyhladili pokolení čeledi Kahat z prostředku Levítů.
19Doet dus voor hen als volgt, opdat zij leven en niet sterven, wanneer zij het hoogheilige naderen. Aäron en zijn zonen moeten naar binnen gaan, en ieder van hen aanwijzen, wat hij te doen heeft, en wat hij moet dragen.
19Ale toto učiníte jim, aby zachováni byli a nezemřeli, když by přistupovali k svatyni svatých: Aron a synové jeho přijdouce, zřídí je, jednoho každého ku práci a břemenu jeho.
20Zelf mogen zij niet binnengaan, om zelfs maar een ogenblik de heilige zaken te zien; anders zouden zij sterven.
20A onino nepřicházejte hleděti na věci svaté, když zavinovány bývají, aby nezemřeli.
21Jahweh sprak tot Moses:
21Mluvil opět Hospodin k Mojžíšovi, řka:
22Neem ook het volledig getal van de Gersjonieten op naar hun families en hun geslachten;
22Sečti také syny Gersonovy po domích otců jich a po čeledech jejich.
23van dertig jaar af tot vijftig jaar toe moet gij allen inschrijven, die in staat zijn dienst te verrichten bij de openbaringstent.
23Od třidcítiletých a výše až do padesátiletých sečteš je, kteříž by způsobní jsouce k boji, mohli konati službu při stánku úmluvy.
24Dit zal de taak zijn van het geslacht der Gersjonieten bij de dienst en bij het vervoer.
24Tato pak bude práce čeledí Gersonových v službě a nošení:
25Zij moeten de tentdoeken van de tabernakel dragen, de openbaringstent, haar dekkleden, de bedekking van gelooide huiden, die daaroverheen ligt, het tapijt voor de ingang van de openbaringstent,
25Nositi budou kortýny příbytku a stánek úmluvy s přikrytím jeho, a přikrytí z koží jezevčích, kteréž svrchu na něm jest, a zastření dveří stánku úmluvy,
26de gordijnen van de voorhof en het tapijt bij de ingang der poort van de voorhof, die rond de tabernakel en het altaar ligt, en de touwen met alle benodigdheden voor het werk; alles wat daarmee moet gebeuren, zullen zij verrichten.
26A očkovaté koltry síně, a zastření brány síně, kteráž jest při stanu a při oltáři vůkol, a provazy její, a všecky nádoby přisluhování jejich, a čehožkoli užívají při službě své.
27Al het werk van de zonen der Gersjonieten moet steeds op aanwijzing van Aäron en zijn zonen geschieden, zowel bij het vervoer, als bij de dienst; al wat ze hebben te dragen, moet ge hun stuk voor stuk aanwijzen.
27Vedlé rozkazu Aronova a synů jeho konati budou všecky služby své synové Gersonovi při všech pracech svých, a při všech službách svých, a svěříte jim k ostříhání všecka břemena jejich.
28Dit zal de taak van het geslacht van de zonen der Gersjonieten zijn bij de openbaringstent, en hun werkzaamheden zullen onder leiding staan van Itamar, den zoon van den priester Aäron.
28Ta jest práce čeledí synů Gersonových v stánku úmluvy, a Itamar, syn Arona kněze, stráž nad nimi držeti bude.
29Ook de Merarieten moet ge inschrijven naar hun geslachten en families.
29Syny také Merari po čeledech jejich a domích otců jejich sečteš.
30Van dertig jaar af tot vijftig jaar toe moet ge allen inschrijven, die in staat zijn, dienst te verrichten bij de openbaringstent.
30Od třidcítiletých a výše až do padesátiletých sečteš všecky, kteříž by způsobní jsouce k boji, mohli konati službu při stánku úmluvy.
31Dit zal hun taak zijn bij het vervoer en de werkzaamheden aan de openbaringstent: de schotten van de tabernakel met de bindlatten, de palen met hun voetstukken,
31Tato pak bude povinnost práce jejich, nad všecku službu jejich při stánku úmluvy: Dsky příbytku a svlaky jeho, i sloupy s podstavky jeho nositi,
32de palen van de voorhof rondom met hun voetstukken, pinnen en touwen, met wat er verder toe behoort en al de werkzaamheden daaraan verbonden; stuk voor stuk moet ge hun aanwijzen, wat ze hebben te dragen.
32Sloupy také vůkol síně s podstavky jejich, kolíky a provazy jejich, se všechněmi potřebami, i se vším přisluhováním jejich. A ze jména vyčtete nádoby svěřené jim k ostříhání.
33Dit zal de taak zijn van het geslacht der Merarieten, en al hun werkzaamheden aan de openbaringstent zullen onder leiding staan van Itamar, den zoon van den priester Aäron.
33Ta bude práce čeledí synů Merari při všech službách jejich při stánku úmluvy, pod spravou Itamara, syna Arona kněze.
34Daarna schreven Moses, Aäron en de leiders der gemeenschap alle zonen der Kehatieten in naar hun geslachten en families,
34I sečtl Mojžíš s Aronem a s knížaty lidu syny Kahat po čeledech jejich, a po domích otců jejich,
35van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om de dienst bij de openbaringstent te verrichten.
35Od třidcítiletých a výše až do padesátiletých, kteříž by způsobní jsouce k boji, mohli konati službu při stánku úmluvy.
36Naar hun geslachten geteld, bedroeg hun aantal tweeduizend zevenhonderd vijftig man.
36A bylo jich sečtených po čeledech jejich dva tisíce, sedm set, padesáte.
37Dit waren alle ingeschrevenen der Kehatietengeslachten, die dienst moesten doen bij de openbaringstent, en die Moses en Aäron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
37Ti jsou sečteni z čeledi Kahat, všickni služebníci při stánku úmluvy, kteréž sčetl Mojžíš s Aronem podlé rozkazu Hospodinova skrze Mojžíše.
38Alle ingeschrevenen van de Gersjonieten naar hun geslachten en families,
38Sečtených také synů Gersonových po čeledech jejich, a po domích otců jejich,
39van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om dienst te verrichten bij de openbaringstent,
39Od třidcítiletých a výše až do padesátiletých, kteříž by způsobní jsouce k boji, mohli konati službu při stánku úmluvy,
40bedroegen tweeduizend zeshonderd dertig man, naar hun geslachten en families geteld.
40Sečtených jich po čeledech jejich, po domích otců jejich, dva tisíce, šest set, třidceti.
41Dit waren alle gemonsterden van de Gersjonietengeslachten, die dienst moesten doen bij de openbaringstent, en die Moses en Aäron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
41Ti jsou sečteni z čeledí synů Gersonových, všickni přisluhující v stánku úmluvy, kteréž sečtli Mojžíš s Aronem k rozkazu Hospodinovu.
42Alle ingeschrevenen van de Merarietengeslachten naar hun geslachten en families,
42Sečtených pak z čeledí synů Merari po čeledech jejich, po domích otců jejich,
43van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om dienst te verrichten bij de openbaringstent,
43Od třidcítiletých a výše až do padesátiletých, kteříž by způsobní jsouce k boji, mohli konati službu při stánku úmluvy,
44bedroegen drieduizend tweehonderd man, naar hun geslachten geteld.
44Načteno jich po čeledech jejich tři tisíce a dvě stě.
45Dit waren de ingeschrevenen van de Merarietengeslachten, die Moses en Aäron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
45Ti jsou sečteni z čeledí synů Merari, kteréž sčetl Mojžíš s Aronem podlé rozkazu Hospodinova skrze Mojžíše.
46Alle ingeschreven Levieten, die Moses en Aäron met de leiders van Israël naar hun geslachten en families hadden ingeschreven,
46Všech sečtených, kteréž sčetl Mojžíš s Aronem a s knížaty Izraelskými z Levítů po čeledech jejich a po domích otců jejich,
47van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, en die geschikt waren voor het dienstwerk, en het vervoer van de openbaringstent,
47Od těch, kteříž byli ve třidcíti letech a výše, až do padesátiletých, kteřížkoli přináležejí k vykonávání služby přisluhování a práce břemena při stánku úmluvy,
48telden achtduizend vijfhonderd tachtig man.
48Sečtených těch bylo osm tisíců, pět set a osmdesáte.
49Zoals Jahweh het door Moses bevolen had, gaf men ieder zijn taak voor de dienst en het vervoer, en werden zij ingeschreven, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
49Vedlé rozkazu Hospodinova sečtl je Mojžíš, jednoho každého vedlé přisluhování jeho, a vedlé břemene jeho. Sečteni pak jsou ti, kteréž rozkázal čísti Hospodin Mojžíšovi.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.