Numeri 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
1IL Signore parlò ancora a Mosè e ad Aaronne, dicendo:
2Neemt van de Levieten het volledig getal der Kehatieten op naar hun geslachten en families,
2Levate la somma de' figliuoli di Chehat, d'infra i figliuoli di Levi, per le lor nazioni e famiglie paterne;
3van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, en wel iedereen die in staat is om dienst te verrichten bij de openbaringstent.
3dall'età di trent'anni in su, fino a cinquanta; cioè: tutti quelli che possono entrare in ufficio, per fare l'opera nel Tabernacolo della convenenza.
4De taak der Kehatieten in de openbaringstent strekt zich tot het hoogheilige uit.
4Questo è il servizio de' figliuoli di Chehat, nel Tabernacolo della convenenza, nelle cose santissime.
5Wanneer het kamp wordt opgebroken, moeten Aäron en zijn zonen naar binnen gaan, het voorhangsel afnemen en de ark des Verbonds er mee bedekken;
5Quando il campo si moverà, vengano Aaronne ed i suoi figliuoli, e pongan giù la Cortina che si tende davanti all'Arca , e copre l'Arca della Testimonianza.
6daaroverheen moeten zij een dek van gelooide huiden leggen, daarover nog een geheel violet kleed uitspreiden, en er de draagstokken aan zetten.
6Poi mettanvi sopra una coverta di pelli di tasso, e stendano disopra un drappo tutto di violato; e mettano le stanghe all'Arca.
7Ook over de tafel van de toonbroden moeten zij een violet kleed spreiden, en daarop de schotels, pannen, schalen en bekers voor de plengoffers plaatsen, terwijl ook het bestendig brood daarop moet liggen;
7Poi stendano sopra la Tavola di presenza un drappo di violato; e mettano sopra essa i piattelli, e le scodelle, e le coppe, e i nappi da fare gli spargimenti; sia parimente sopra essa il pane continuo.
8daaroverheen moeten zij een karmozijnen kleed spreiden, het met een dekkleed van gelooide huiden bedekken, en er de draagstokken aan zetten.
8E stendano sopra quelle cose un drappo di scarlatto, e coprano quello con una coverta di pelli di tasso; poi mettano le stanghe alla Tavola.
9Dan moeten zij een violet kleed nemen, de kandelaar er mee bedekken met zijn lampen, snuiters, tangen, bakjes en alle vaatwerk voor de olie, waarmee zij hem verzorgen,
9Poi prendano un drappo di violato, e copranne il Candelliere della lumiera, e le sue lampane, e i suoi smoccalatoi, e i suoi catinelli, e tutti i vaselli dell'olio di esso, co' quali si fanno i suoi servigi.
10hem met al zijn benodigdheden in een dekkleed van gelooide huiden wikkelen, en op een draagbaar zetten.
10Poi mettano il Candelliere, con tutti i suoi strumenti, in una coverta di pelli di tasso; e mettanlo sopra un par di stanghe.
11Ook over het gouden altaar moeten zij een violet kleed spreiden, het met een dekkleed van gelooide huiden bedekken, en er de draagstokken aan zetten.
11Poi stendano un drappo di violato sopra l'Altare d'oro; e copranlo con una coverta di pelli di tasso; poi mettano le stanghe all'Altare.
12Daarna moeten zij alle benodigdheden nemen, waarmee zij de dienst in het heiligdom verrichten, op een violet kleed zetten, ze bedekken met een dekkleed van gelooide huiden, en op een draagbaar zetten.
12Poi prendano tutti gli arredi del servigio, co' quali si fa il servigio nel Santuario, e mettanli dentro un drappo di violato, e copranli con una coverta di pelli di tasso; e mettanli sopra un par di stanghe.
13Vervolgens moeten zij het altaar van as reinigen, en er een purperen kleed over heen spreiden;
13Poi tolgano le ceneri dall'Altare, e stendano sopra esso un drappo di scarlatto.
14daarop alle benodigdheden plaatsen, waarmee zij de dienst aan het altaar verrichten, de vuurpotten, vorken, schoppen, offerschalen, en alle vaatwerk van het altaar; daaroverheen een dekkleed van gelooide huiden spreiden, en er de draagstokken aan zetten.
14E mettano sopra esso tutti i suoi strumenti, co' quali si fa il servigio sopra esso, le cazze, le forcelle, le palette, i bacini, e tutti gli altri strumenti dell'Altare; e stendanvi sopra una coverta di pelli di tasso; poi mettano le stanghe all'Altare.
15Eerst wanneer bij het opbreken van het kamp Aäron en zijn zonen gereed zijn gekomen met het bedekken van de heilige zaken en al wat daartoe behoort, mogen de Kehatieten binnen komen, om ze te vervoeren. Zij mogen de heilige zaken niet aanraken; anders zouden zij sterven. Dit is het gedeelte van de openbaringstent, dat door de Kehatieten moet worden gedragen.
15E, dopo che Aaronne e i suoi figliuoli avranno finito di coprire il Santuario, e tutti gli arredi di esso, quando il campo si moverà; vengano i figliuoli di Chehat, per portar quelle cose ; e non tocchino il Santuario, che non muoiano. Queste son le cose che i figliuoli di Chehat devono portare, del Tabernacolo della convenenza.
16Bovendien moet Elazar, de zoon van den priester Aäron, zorg dragen voor de olie van de kandelaar, de wierook, het altijddurend spijsoffer en de zalfolie; hij heeft dus de zorg voor heel de tabernakel en alles wat daarin is, voor de heilige zaken en haar toebehoren.
16E abbia Eleazaro, figliuolo del Sacerdote Aaronne, il carico dell'olio della lumiera, e del profumo aromatico, e dell'offerta continua, e dell'olio dell'Unzione; oltre alla sopraintendenza sopra tutto il Tabernacolo, e tutto ciò ch' è in esso, per lo Santuario, e per li suoi arredi.
17En Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
17Poi il Signore parlò a Mosè e ad Aaronne, dicendo:
18Zorgt er voor, dat de tak van het Kehatietengeslacht niet uit de kring der Levieten wordt uitgeroeid.
18Non fate sì che la tribù delle famiglie de' Chehatiti sia sterminata d'infra i Leviti.
19Doet dus voor hen als volgt, opdat zij leven en niet sterven, wanneer zij het hoogheilige naderen. Aäron en zijn zonen moeten naar binnen gaan, en ieder van hen aanwijzen, wat hij te doen heeft, en wat hij moet dragen.
19Anzi fate loro questo, acciocchè vivano, e non muoiano, quando si accosteranno alle cose santissime: Vengano Aaronne e i suoi figliuoli, e disponganli ciascuno al suo servigio, e a ciò ch'egli ha da portare.
20Zelf mogen zij niet binnengaan, om zelfs maar een ogenblik de heilige zaken te zien; anders zouden zij sterven.
20Ma non vengano per riguardare, quando si copriranno le cose sante, che non muoiano.
21Jahweh sprak tot Moses:
21Il Signore parlò ancora a Mosè, dicendo:
22Neem ook het volledig getal van de Gersjonieten op naar hun families en hun geslachten;
22Leva parimente la somma dei figliuoli di Gherson, per le lor famiglie paterne e nazioni.
23van dertig jaar af tot vijftig jaar toe moet gij allen inschrijven, die in staat zijn dienst te verrichten bij de openbaringstent.
23Annoverali, dall'età di trent'anni in su, fino a cinquanta, cioè: tutti quelli che possono entrare in esercizio di ufficio, per servire nel Tabernacolo della convenenza.
24Dit zal de taak zijn van het geslacht der Gersjonieten bij de dienst en bij het vervoer.
24Questo è il servigio delle famiglie dei Ghersoniti, in ministrare e in portare:
25Zij moeten de tentdoeken van de tabernakel dragen, de openbaringstent, haar dekkleden, de bedekking van gelooide huiden, die daaroverheen ligt, het tapijt voor de ingang van de openbaringstent,
25Portino i teli della Tenda, e il Tabernacolo della convenenza; la sua Coverta, e la Coverta di pelli di tasso che è disopra, e il Tappeto dell'entrata del Tabernacolo della convenenza;
26de gordijnen van de voorhof en het tapijt bij de ingang der poort van de voorhof, die rond de tabernakel en het altaar ligt, en de touwen met alle benodigdheden voor het werk; alles wat daarmee moet gebeuren, zullen zij verrichten.
26e le cortine del Cortile, e il Tappeto dell'entrata della porta del Cortile, il quale è intorno al Tabernacolo e all'Altare; e le corde di quelle, e tutti gli arredi per lor servigio. E servano essi in tutto ciò che si deve fare intorno a quelle cose.
27Al het werk van de zonen der Gersjonieten moet steeds op aanwijzing van Aäron en zijn zonen geschieden, zowel bij het vervoer, als bij de dienst; al wat ze hebben te dragen, moet ge hun stuk voor stuk aanwijzen.
27Tutto il servigio de' figliuoli di Gherson, in tutto ciò che devono portare, e in tutti i servigi che devono fare, sia secondo l'ordine di Aaronne e de' suoi figliuoli; e voi darete loro il carico di tutto ciò che dovranno portare.
28Dit zal de taak van het geslacht van de zonen der Gersjonieten zijn bij de openbaringstent, en hun werkzaamheden zullen onder leiding staan van Itamar, den zoon van den priester Aäron.
28Questo è il servigio delle famiglie de' figliuoli di Gherson, nel Tabernacolo della convenenza; e la fazion loro sarà sotto la sopraintendenza d'Itamar, figliuolo del Sacerdote Aaronne.
29Ook de Merarieten moet ge inschrijven naar hun geslachten en families.
29Annovera eziandio i figliuoli di Merari, per le lor nazioni e famiglie paterne.
30Van dertig jaar af tot vijftig jaar toe moet ge allen inschrijven, die in staat zijn, dienst te verrichten bij de openbaringstent.
30Annoverali, dall'età di trenta anni in su, fino a cinquanta, cioè: tutti quelli che possono entrare nel servigio del Tabernacolo della convenenza.
31Dit zal hun taak zijn bij het vervoer en de werkzaamheden aan de openbaringstent: de schotten van de tabernakel met de bindlatten, de palen met hun voetstukken,
31E questo sia ciò che devono portare per lor fazione, insieme con tutto il servigio che dovranno fare nel Tabernacolo della convenenza, cioè: le assi del Tabernacolo, e le sue sbarre e le sue colonne, e i suoi piedistalli.
32de palen van de voorhof rondom met hun voetstukken, pinnen en touwen, met wat er verder toe behoort en al de werkzaamheden daaraan verbonden; stuk voor stuk moet ge hun aanwijzen, wat ze hebben te dragen.
32E le colonne del Cortile d'intorno, e i lor piedistalli, e i lor piuoli, e le lor corde, insieme con tutti i loro arredi, per tutti i lor servigi; e consegnate loro per nome gli arredi che dovranno portare per lor fazione.
33Dit zal de taak zijn van het geslacht der Merarieten, en al hun werkzaamheden aan de openbaringstent zullen onder leiding staan van Itamar, den zoon van den priester Aäron.
33Questo è il servigio delle famiglie de' figliuoli di Merari; oltre a tutto il servigio che hanno da fare nel Tabernacolo della convenenza, sotto la sopraintendenza di Itamar, figliuolo del Sacerdote Aaronne.
34Daarna schreven Moses, Aäron en de leiders der gemeenschap alle zonen der Kehatieten in naar hun geslachten en families,
34Mosè adunque, ed Aaronne, e i principali della raunanza, annoverarono i figliuoli di Chehat, per le lor nazioni e famiglie paterne;
35van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om de dienst bij de openbaringstent te verrichten.
35dall'età di trent'anni in su, fino a cinquanta, cioè: tutti quelli che potevano entrare in ufficio, per servire nel Tabernacolo della convenenza.
36Naar hun geslachten geteld, bedroeg hun aantal tweeduizend zevenhonderd vijftig man.
36E gli annoverati d'infra loro, distinti per le lor nazioni, furono duemila settecencinquanta.
37Dit waren alle ingeschrevenen der Kehatietengeslachten, die dienst moesten doen bij de openbaringstent, en die Moses en Aäron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
37Questi sono gli annoverati delle nazioni de' Chehatiti; che erano tutti quelli che servivano nel Tabernacolo della convenenza, i quali Mosè ed Aaronne annoverarono, per comandamento del Signore, dato per man di Mosè.
38Alle ingeschrevenen van de Gersjonieten naar hun geslachten en families,
38E gli annoverati d'infra i figliuoli di Gherson, distinti per le lor nazioni e famiglie paterne;
39van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om dienst te verrichten bij de openbaringstent,
39dall'età di trent'anni in su, fino a cinquanta; ch'erano tutti quelli che potevano entrare in ufficio, per servire nel Tabernacolo della convenenza;
40bedroegen tweeduizend zeshonderd dertig man, naar hun geslachten en families geteld.
40gli annoverati, dico , d'infra loro, distinti per le lor nazioni e famiglie paterne, furono duemila seicentrenta.
41Dit waren alle gemonsterden van de Gersjonietengeslachten, die dienst moesten doen bij de openbaringstent, en die Moses en Aäron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
41Questi sono gli annoverati delle nazioni de' figliuoli di Gherson; ch'erano tutti quelli che servivano nel Tabernacolo della convenenza; i quali Mosè ed Aaronne annoverarono, per comandamento del Signore.
42Alle ingeschrevenen van de Merarietengeslachten naar hun geslachten en families,
42E gli annoverati delle nazioni de' figliuoli di Merari, distinti per le lor nazioni e famiglie paterne;
43van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, die geschikt waren om dienst te verrichten bij de openbaringstent,
43dall'età di trent'anni in su, fino a cinquanta, cioè: tutti quelli che potevano entrare in ufficio, per servire nel Tabernacolo della convenenza;
44bedroegen drieduizend tweehonderd man, naar hun geslachten geteld.
44gli annoverati, dico , d'infra loro, distinti per le lor nazioni, furono tremila dugento.
45Dit waren de ingeschrevenen van de Merarietengeslachten, die Moses en Aäron hadden ingeschreven, zoals Jahweh het door Moses bevolen had.
45Questi sono gli annoverati delle nazioni de' figliuoli di Merari; i quali Mosè ed Aaronne annoverarono, per comandamento del Signore, dato per man di Mosè.
46Alle ingeschreven Levieten, die Moses en Aäron met de leiders van Israël naar hun geslachten en families hadden ingeschreven,
46Tutti gli annoverati i quali Mosè, ed Aaronne, e i principali d'Israele, annoverarono, d'infra i Leviti, distinti per le lor nazioni e famiglie paterne;
47van dertig jaar af tot vijftig jaar toe, en die geschikt waren voor het dienstwerk, en het vervoer van de openbaringstent,
47dall'età di trent'anni in su, fino a cinquanta, cioè: tutti quelli che potevano entrare in servigio, così per servire, come per portare, nel Tabernacolo della convenenza;
48telden achtduizend vijfhonderd tachtig man.
48gli annoverati, dico , d'infra loro, furono ottomila cinquecentottanta.
49Zoals Jahweh het door Moses bevolen had, gaf men ieder zijn taak voor de dienst en het vervoer, en werden zij ingeschreven, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
49Essi gli annoverarono per comandamento del Signore, dato per man di Mosè, ciascuno secondo che dovea servire o portare; e gli annoverati da loro furono quelli che il Signore avea comandati a Mosè.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.