Numeri 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Jahweh sprak tot Moses:
1IL Signore parlò ancora a Mosè, dicendo:
2Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer ge in het land Kanaän komt, dan zullen dit de grenzen zijn van het land Kanaän, dat uw erfdeel is.
2Comanda a' figliuoli d'Israele, e di' loro: Conciossiachè voi siate ora per entrar nel paese di Canaan, quest' è il paese che vi scaderà per eredità, cioè il paese di Canaan, secondo i suoi confini.
3De zuidgrens zal lopen van de woestijn Sin langs Edom, en in het oosten beginnen bij het einde van de Zoutzee.
3E siavi il lato meridionale dal deserto di Sin alle frontiere di Edom; e l'estremità del mar salato sia il vostro confine dal mezzodi verso oriente.
4Dan zal de grens zich ten zuiden bij de pas van Akrabbim ombuigen, doorlopen tot Sin, en Kadesj-Barnéa zal haar meest zuidelijke punt vormen. Vandaar zal zij zich uitstrekken tot Chasar-Addar en doorlopen tot Asmon.
4E giri questo confine dal mezzodì verso la salita di Acrabbim, e passi a Sin, e arrivino le sue estremità a Cades-barnea, dal mezzodì; e proceda in Hasa-raddar, e passi in Asmon;
5Van Asmon zal de grens ombuigen naar de beek van Egypte, en haar eindpunt zal de zee zijn.
5poi volti questo confine da Asmon verso il Torrente di Egitto, e arrivino le sue estremità al mare.
6Wat nu de westgrens betreft, zo dient de Grote Zee tegelijk als grens; die vormt uw westgrens.
6E per confine occidentale siavi il mar grande, e i confini. Questo siavi il confine occidentale.
7Dit zal voor u de noordelijke grens zijn: Van de Grote Zee af moet ge de grenslijn trekken naar de berg Hor,
7E questo siavi il confine settentrionale: Dal mar grande segnatevi il monte di Hor;
8en van de berg Hor ze doortrekken tot bij Chamat, met Sedad als haar uiterste punt.
8dal monte di Hor, segnatevi per confine là dove si entra in Hamat; e arrivino le estremità di questo confine a Sedad;
9Vandaar zal de grens doorlopen naar Zifron met Chasar-Enan als eindpunt. Dit zal uw noordgrens zijn.
9e proceda fino a Zifron, e arrivino le sue estremità in Hasar-enan. Questo sia il vostro confine settentrionale.
10Uw oostgrens zult ge trekken van Chasar-Enan naar Sjefam.
10Poi segnatevi, per confine orientale, da Hasar-enan a Sefam.
11Van Sjefam zal de grens afdalen naar Ribla, ten oosten van Ain, en verder uitlopen op de bergrug ten oosten van het meer van Gennezaret.
11E scenda questo confine da Sefam in Ribla, dirincontro alla Fonte; poi scenda, e tocchi il lato del mare di Chinneret, verso oriente.
12Dan daalt de grens af naar de Jordaan, en loopt uit op de Zoutzee. Dit zal uw land zijn met zijn grenzen rondom.
12Poi scenda al Giordano, e arrivino le sue estremità al mar salato. Questo sia il vostro paese, limitato per li suoi confini d'ogn'intorno.
13Moses beval de Israëlieten, en zeide: Dit is het land, dat gij door loting moet verdelen, daar Jahweh bevolen heeft, het aan de negen en halve stam te geven.
13E Mosè comandò, e disse a' figliuoli di Israele: Quest' è il paese, del quale voi partirete la possessione a sorte; il quale il Signore ha comandato che si dia a nove tribù e mezza;
14Want de families van de stam der Rubenieten en Gadieten en die van de halve stam van Manasse hebben hun erfdeel al ontvangen.
14conciossiachè la tribù de' Rubeniti, secondo le lor nazioni paterne, e la tribù de' Gaditi, secondo le lor nazioni paterne, e la metà della tribù di Manasse, abbiano ricevuta la loro eredità.
15De twee en een halve stam hebben hun aandeel ontvangen aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, dus aan de oostkant.
15Queste due tribù e mezza hanno ricevuta la loro eredità di qua dal Giordano di Gerico, verso oriente.
16En Jahweh sprak tot Moses:
16Il Signore parlò ancora a Mosè, dicendo:
17De volgende mannen moeten het land onder u verdelen: De priester Elazar en Josuë, de zoon van Noen;
17Questi sono i nomi degli uomini che vi partiranno l'eredità del paese: Eleazaro Sacerdote, e Giosuè, figliuolo di Nun.
18verder moet gij uit iedere stam één stamhoofd nemen, om het land te verdelen.
18Prendete ancora di ciascuna tribù uno de' Capi, per far la partizione del paese.
19Dit zijn de namen van die mannen: Van de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefoenne;
19E questi sono i nomi degli uomini: Della tribù di Giuda, Caleb, figliuolo di Gefunne;
20van de stam der Simeonieten Sjemoeël, de zoon van Ammihoed;
20Della tribù de' figliuoli di Simeone, Samuele, figliuolo di Ammihud;
21van de stam Benjamin Elidad, de zoon van Kislon;
21Della tribù di Beniamino, Elidad, figliuolo di Chislon;
22van de stam der Danieten het stamhoofd Boekki, de zoon van Jogli;
22Della tribù de' figliuoli di Dan, il Capo, Bucchi, figliuolo di Iogli;
23van de zonen van Josef, van de stam der Manassieten het stamhoofd Channiël, de zoon van Efod,
23De' figliuoli di Giuseppe, della tribù de' figliuoli di Manasse, il Capo, Hanniel, figliuolo di Efod;
24en van de stam der Efraïmieten het stamhoofd Kemoeël, de zoon van Sjiftan;
24E della tribù de' figliuoli di Efraim, il Capo, Chemuel, figliuolo di Siftan;
25van de stam der Zabulonieten het stamhoofd Elisafan, de zoon van Parnak;
25E della tribù de' figliuoli di Zabulon, il Capo, Elisafan, figliuolo di Parnac;
26van de stam der Issakarieten het stamhoofd Paltiël, de zoon van Azzan;
26E della tribù de' figliuoli d'Issacar, il Capo, Patiel, figliuolo di Azan;
27van de stam der Aserieten het stamhoofd Achihoed, de zoon van Sjelomi;
27E della tribù de' figliuoli di Aser, il Capo, Ahihud, figliuolo di Selomi;
28van de stam der Neftalieten het stamhoofd Pedaël, de zoon van Ammihoed.
28E della tribù de' figliuoli di Neftali, il Capo, Pedahel, figliuolo di Ammihud.
29Aan hen gaf Jahweh bevel het land Kanaän onder de kinderen Israëls te verdelen.
29Questi son quelli, a' quali il Signore comandò di far la partizone dell'eredità a' figliuoli d'Israele, nel paese di Canaan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.