Leviticus 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
1І рече Господь Мойсейові та Аронові:
2Wanneer iemand op zijn huid een roof, uitslag of witte vlek krijgt, die zich op zijn huid tot een melaatse plek ontwikkelt, dan moet hij naar den priester Aäron of naar een van de priesters, zijn zonen, worden gebracht.
2Коли буде під шкірою на тїлї чоловіка напухлина, чи струп чи пляма, і буде на шкірі тїла його болячка, так мусять привести його до Арона, сьвященника, або до которого з синів його, сьвященників.
3De priester moet de plek op zijn huid onderzoeken. Is het haar op die plek wit geworden, en ligt die plek opvallend dieper dan de huid, dan is het melaatsheid. Wanneer de priester dit ziet, moet hij hem onrein verklaren.
3І огляне сьвященник болячку під шкірою на тїлї, і як волоссє над болячкою побілїє і болячка буде глубше як шкіра тїла, то се проказа. І оглянувши його, обявить сьвященник нечистим його.
4Zo het echter een witte vlek op zijn huid is, die niet opvallend dieper ligt dan de huid, en het haar daarop niet wit is geworden, dan moet de priester den lijder zeven dagen lang opsluiten.
4А коли тільки пляма під кожою тїла його побілїє і не буде глибша вона як шкіра, і волоссє не побілїє, тодї зачинить сьвященник того, у кого є болячка, на сїм день.
5Wanneer de priester hem op de zevende dag weer onderzoekt en bemerkt, dat de plek onveranderd is gebleven en zich niet verder over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem opnieuw zeven dagen lang opsluiten.
5Та й огляне його сьвященник семого дня, і побачить, що болячка не змінилась, не роскинулась по шкірі, так зачинить його сьвященник на сїм день удруге.
6De priester moet hem op de zevende dag nog eens onderzoeken; en ziet hij, dat de plek dof is geworden en zich niet verder over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem rein verklaren; het is enkel maar uitslag. Hij moet zijn kleren wassen, en is dan rein.
6А як огляне його сьвященник семого дня удруге, і поблїдла болячка і не розкинуло її по шкірі, то обявить його сьвященник чистим: се струп; і мусить випрати одїж свою, і буде чистий.
7Maar zo de uitslag zich verder over zijn huid verspreidt, nadat hij zich reeds aan den priester heeft vertoond, om rein te worden verklaard, dan moet hij zich opnieuw door den priester laten onderzoeken.
7Коли ж буде розкидати струпи по кожі після того, як оглянув його сьвященник і обявив чистим, так нехай покажеться сьвященникові в друге;
8Ziet de priester, dat de uitslag zich verder over zijn huid heeft verspreid, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
8Огляне ж його сьвященник, і побачить, що струп розкинувся по кожі, то нечистим обявить його сьвященник: се проказа.
9Wanneer iemand een melaatse plek heeft, moet hij naar den priester worden gebracht.
9Коли буде на людинї проказа, так нехай приведуть її до сьвященника.
10Ziet de priester, dat er op de huid een witte roof zit, het haar daarop wit is geworden, en er wild vlees in die roof groeit,
10І огляне його сьвященник, і побачить, се пухлина біла на кожі і побілїв від неї волос на кожі, і дике мясиво на пухлинї,
11dan is het een verouderde melaatsheid op de huid. De priester moet hem onrein verklaren zonder hem eerst nog op te sluiten; want hij is onrein.
11То се проказа застаріла на кожі тїла його, і нечистим обявить його сьвященник; і зачинить його, бо людина нечиста.
12Wanneer de melaatsheid op zijn huid openbarst, en de melaatsheid heel de huid van den lijder van het hoofd tot de voeten bedekt, zover de priester kan nagaan,
12Коли ж обкине кожу проказа і вкриє проказа всю кожу недужого з голови до ніг, куди б і не глянули очі сьвященника;
13en ziet de priester, dat de melaatsheid heel zijn lichaam bedekt, dan moet hij den lijder rein verklaren, als hij geheel wit is geworden; hij is rein.
13І сьвященник огляне його, і бачить, що проказа все тїло його вкрила, так обявить людину чистою; коли вся вона побілїла, то людина чиста.
14Maar als zich wild vlees bij hem vertoont, is hij onrein.
14Коли ж показується на їй дике мясиво, людина нечиста.
15Heeft dus de priester het wilde vlees bemerkt, dan moet hij hem onrein verklaren; het wilde vlees is onrein; het is melaatsheid.
15І як побачить сьвященник дике мясо, то нечистою обявить людину; мясо дике нечисте: се проказа.
16Wanneer echter het wilde vlees weer verdwijnt en hij wit wordt, dan moet hij naar den priester gaan.
16Коли ж зміниться мясиво дике й стане біле, так мусить людина показатися сьвященникові;
17Ziet nu de priester, dat die plek wit is geworden, dan moet hij den lijder rein verklaren; hij is rein.
17І огляне її сьвященник, та й побачить що болячка білою стала: то чистим обявить сьвященник того, в кого болячка: він чистий.
18Wanneer iemand een zweer op zijn huid heeft, die wel is genezen,
18Так само, коли буде боляк на тїлї, під шкірою його, та й загоїться,
19maar op wier plaats een witte roof of lichtrode vlek is ontstaan, dan moet hij zich aan den priester vertonen.
19А на місцї боляка зробиться пухлина біла, чи біло-червонява пляма, то має показатись сьвященникові;
20Bemerkt de priester, dat deze vlek opvallend dieper ligt dan de huid, en dat het haar daarop wit is, dan moet de priester hem voor onrein verklaren; het is melaatsheid, die in de zweer is uitgebroken.
20І огляне його сьвященник, та й побачить, що воно глибше кожі і волос на йому взявся білим, так нечистим обявить його сьвященник: се недуга прокази, що показалась в болячцї.
21Maar wanneer de priester ziet, dat er geen witte haren op zitten, dat ze niet dieper ligt dan de huid en dof is, dan moet de priester hem zeven dagen opsluiten.
21І огляне людину сьвященник, та й побачить, що нема на кожі волосу білого і пляма не нижше кожі, так зачинить людину сьвященник на сїм день.
22Indien de plek zich verder over de huid verspreidt, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
22А коли розкинеться пляма по кожі, то нечистим обявить його сьвященник: се хороба.
23Zo de plek onveranderd is gebleven, en zich niet verder heeft verspreid, dan is het een litteken van de zweer; de priester moet hem dan rein verklaren.
23Коли ж на свойму місцї останеться пляма, не розкинувшись, так се пруг чиряка; і чистою обявить людину сьвященник.
24Of wanneer iemand op zijn huid een brandwonde heeft, en er vormt zich in die brandwonde een lichtrode of witte vlek,
24Або коли на кожі тїла буде опечина від огню, і зробиться з опечини пляма біло-червонява або біла,
25dan moet de priester ze onderzoeken; en is op die vlek het haar wit geworden, ligt ze opvallend dieper dan de huid, dan is in die wond melaatsheid uitgebroken; de priester moet hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
25І огляне людину сьвященник, і побачить, се побілїв волос на плямі і на погляд вона глибше від кожі, то се проказа; вона взялась на опечинї, і нечистою обявить людину сьвященник: се болячка прокази,
26Maar zo de priester bemerkt, dat zich op die vlek geen wit haar bevindt, dat ze niet dieper ligt dan de huid en dof is, dan moet de priester hem zeven dagen lang opsluiten.
26А як огляне її сьвященник, і побачить, що нема на плямі білого волосся, та не глибше кожі вона, та блїда, так зачинить людину сьвященник на сїм день.
27Op de zevende dag moet de priester hem onderzoeken. Zo de plek zich over de huid heeft verspreid, moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
27І огляне її сьвященник на семий день; коли роскинулось по кожі, так нечистою обявить людину сьвященник: се болячка прокази.
28Maar zo de witte vlek onveranderd is gebleven, zich niet verder over de huid heeft verspreid en dof is geworden, dan is het een roof van de brandwonde; de priester moet hem dan rein verklaren, want het is het litteken van de brandwonde.
28Коли ж на свойму місцї останеться пляма, і не розкинуло її по кожі і сама блїда, так се пухлина опеченого місця, і чистою обявить людину сьвященник; бо се пруги опеченого місця.
29Wanneer een man of een vrouw een plek heeft op het hoofd of in de baard,
29І коли в чоловіка чи в жінки яка болячка на голові чи на бородї,
30dan moet de priester die plek onderzoeken. Ligt deze opvallend dieper dan de huid en is het haar daarop geel en dun, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is een kwaadaardige uitslag, melaatsheid van hoofd of baard.
30І сьвященник огляне, та й побачить, що вона глибше від кожі і на їй волоссє жовтовате, тонке, то нечистою обявить людину сьвященник: се пархи, се проказа на голові, чи на бородї в людини.
31Maar wanneer de priester bemerkt, dat de plek, door de uitslag aangetast, niet opvallend dieper ligt dan de huid, maar er toch ook geen zwart haar op zit, dan moet de priester den lijder aan de uitslag zeven dagen lang opsluiten.
31І як огляне сьвященник паршиву болячку, та й побачить, що вона не глибше кожі і нема на їй чорного волосу, так зачинить сьвященник паршивого на сїм день.
32Op de zevende dag moet hij de aangetaste plek opnieuw onderzoeken. Heeft de uitslag zich niet uitgebreid, is er geen geel haar op gekomen, en ligt de uitslag niet opvallend dieper dan de huid,
32І коли огляне сьвященник паршиву болячку семого дня, та й побачить, що не роскинуло пархи, і нема на них волосу жовтявого, і на погляд пархи не глибші від кожі,
33dan moet de lijder aan uitslag zich scheren, behalve op de plek van de uitslag, en de priester moet hem nogmaals zeven dagen opsluiten.
33То нехай обстрижеться; але пархів нехай не стриже; і сьвященник зачинить на сїм день удруге.
34Op de zevende dag moet de priester de uitslag opnieuw onderzoeken. Heeft de uitslag zich niet verder over de huid verspreid en ligt hij niet opvallend dieper dan de huid, dan moet de priester hem rein verklaren. Hij moet zijn kleren wassen, en is rein.
34І огляне сьвященник пархи на семий день, та й побачить, що не розкинулись пархи по кожі, і на погляд не глибше вони кожі, так обявить людину чистою сьвященник; і випере вона одїж свою, та й буде чиста.
35Maar zo de uitslag zich verder over de huid heeft verspreid, nadat hij zich reeds aan den priester heeft vertoond, om rein te worden verklaard,
35А коли після того, як очиститься, стане розкидати пархи по кожі,
36en bemerkt de priester, dat de uitslag zich werkelijk verder over de huid heeft verspreid, dan behoeft de priester niet verder te zoeken naar het gele haar; hij is onrein.
36І сьвященник огляне його, та й побачить, що пархи розкинулись по кожі, то не буде сьвященник шукати волосу жовтявого: нечиста се людина.
37Wanneer echter de uitslag onveranderd is gebleven en er zwart haar op groeit, dan is de uitslag genezen; hij is rein, en de priester moet hem rein verklaren.
37А коли, на його погляд, пархи остались на місцї, і волос чорний поріс по них, то вигоїлась людина з пархів; чиста вона, і чистою обявить її сьвященник.
38Wanneer een man of een vrouw witte vlekken op hun huid hebben,
38Так само коли в чоловіка чи в жінки появляться на кожі тїла їх плїші, біляві плями,
39dan moet de priester ze onderzoeken. Zijn die vlekken op hun huid dofwit, dan is het slechts een goedaardige uitslag, die op de huid is uitgebroken; ze zijn rein.
39І сьвященник огляне їх, та й побачить, що на кожі тїла їх бліді, біляві плями, то се лишай, що показався на кожі: се чиста людина.
40Wanneer iemand de haren op zijn hoofd verliest, dan is hij alleen maar een kaalhoofd; hij is rein.
40А коли в кого повилазить волоссє, то лисоголовий він: він чистий.
41Verliest hij zijn haren van voren, dan heeft hij alleen maar een kaal voorhoofd; hij is rein.
41І коли вилїзе волоссє спереду на голові, то він лисий: чист він.
42Maar zo hij op zijn kaal voor(-) of achterhoofd een vaalrode plek heeft, dan is dat melaatsheid, die op zijn kaal voor(-) of achterhoofd is uitgebroken.
42Коли ж на лисинї переднїй або заднїй будуть біло-червонясті плїші, то се проказа на переднїй або заднїй лисинї в його.
43De priester moet hem onderzoeken. Is de roof van die plek op zijn kaal voor(-) of achterhoofd lichtrood, en ziet ze er uit als de melaatsheid van de huid,
43І огляне його сьвященник, і побачить, що напухлина недуги біло-червоняста на лисинї його переднїй або заднїй така, якою показується проказа на кожі тїла,
44dan is hij melaats; hij is onrein. De priester moet hem onrein verklaren; hij heeft melaatsheid op zijn hoofd.
44То він чоловік прокажений: нечистий він, і сьвященник мусить обявити його зовсїм нечистим: язва його на голові його.
45Wie door melaatsheid is getroffen, moet met gescheurde kleren gaan, het hoofd onbedekt, zijn bovenlip omwonden, en hij moet roepen: Onrein, onrein!
45І одїж прокаженого, в кого недуга, мусять порозбирати, і голова його мусить бути непокрита, і по бороду мусить він закутатись, і кричати ме він: нечистий, нечистий!
46Zo lang hij melaats blijft, is hij volslagen onrein: hij moet afgezonderd wonen, en buiten de legerplaats verblijven.
46Докіль болїсть його, буде він нечистим; він нечистий: самотою жити мусить він; за табором оселя його.
47Wanneer de melaatsheid zich op een wollen of linnen kledingstuk vertoont,
47Коли й на одежинї буде яка зараза, на вовняній, чи на одежинї льнаній;
48op geweven of geknoopte stof van linnen of wol, op leer of op een of ander ding van leer:
48Чи на основинї, чи на переплїтцї льняній чи вовняній, чи на смушах, чи на якій кожушинї,
49en die plek op dat kleed of dat leer, op die geweven of geknoopte stof of op een of ander ding van leer, is groen(-) of roodachtig, dan is die plek melaats, en moet aan den priester worden getoond.
49І чи буде зараза зеленява, чи червоняста на одежинї, на шкірі, чи на основинї, чи на переплїтцї, чи на якій роботї кожушній, се хороба прокази, і мусять показати сьвященникові.
50De priester moet die plek onderzoeken, en het besmette zeven dagen lang wegsluiten.
50І огляне сьвященник заразу, та й зачинить те, на чому хороба, на сїм день.
51Op de zevende dag moet hij de plek opnieuw onderzoeken. Heeft deze plek zich op het kledingstuk, op de geweven of geknoopte stof, op het leer of op een of ander ding van leer verder verspreid, dan is het kwaadaardige melaatsheid; het besmette is onrein.
51І коли побачить заразу семого дня, що вона розкинулась по одежинї, чи по основинї, чи по переплїтцї, чи по шкірі, та що нї було б зроблене із шкіри, се хороба та пожираюча проказа: се язва, нечисте воно.
52Hij moet het kleed, de geweven of geknoopte stof van wol of linnen, of het een of ander ding van leer, waarop de plek zit, verbranden. Want het is kwaadaardige melaatsheid; het ding moet in het vuur worden verbrand.
52І мусить спалити одежину, чи основину, чи переплїтку, чи вовняне, чи льняне, чи яка б нї була робота шкіряна, що зараза на нїй: бо се проказа пожираюча: на вогнї мусять спалити.
53Maar zo de priester bemerkt, dat de plek zich op het kleed, de geweven of geknoopte stof, of op een of ander ding van leer niet verder heeft uitgebreid,
53А як огляне сьвященник, і побачить, що проказа не розкидається по одежинї, чи по основі, чи по переплїтцї, чи по якій роботї шкіряній,
54dan moet de priester bevelen, het ding, waarop de plek zit, te wassen en het opnieuw zeven dagen lang wegsluiten.
54То звелить сьвященник, щоб випрали те, на чому зараза, та й зачинить його на сїм день у друге.
55Ziet de priester, dat de plek na de wassing van het besmette ding, niet is veranderd, dan is het onrein; ook al heeft die plek zich niet uitgebreid. Ge moet het verbranden; het is een voortkankerende melaatsheid aan de achter(-) of voorkant.
55І огляне сьвященник, після того, як виперуть, і побачить, що незмінилась видом проказа, хоч і не розкинулась, то нечисте воно; в огнї спалити мусиш його: струпішіє воно, чи на лицевій чи на виворітній сторонї.
56Ziet de priester, dat de besmette plek na de wassing dof is geworden, dan moet hij ze van het kleed, van het leer of van de geweven of geknoopte stof afscheuren.
56А коли огляне сьвященник, і побачить, що зараза поблїдля після прання, так мусить віддерти її від одежини, чи від шкіри, чи від основини, чи від переплїтки.
57Verschijnt ze opnieuw op het kleed, op de geweven of geknoopte stof, of op een of ander leren ding, dan is het uitbarstende melaatsheid. Gij moet het ding, waarop de plek zit, verbranden.
57Коли ж покажеться вона знов на одежинї, чи на основинї, чи на тканю, чи на якій роботї шкіряній, то се повстаюча зараза; на огнї мусиш те спалити, на чому зараза;
58Maar het kleed, de geweven of geknoopte stof of het een of ander ding van leer, waaruit de plek na wassing is verdwenen, moet opnieuw worden gewassen; dan is het rein.
58Одежину ж, чи основину, чи переплїтку, чи яку роботу шкіряну мусиш випрати. Коли зараза минеться, так випрати вдруге, і буде чисте.
59Dit is de wet op de melaatsheid van een wollen of linnen kleed, van geweven of geknoopte stof of van een of ander ding van leer. Ze dient om iets rein of onrein te verklaren.
59Се закон про хороби прокази на вовняній одежинї, чи на льняній, чи на основинї, чи на втоцї, чи на якій роботї шкіряній, щоб обявити їх чистими або нечистими.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.