Leviticus 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
1主はモーセとアロンに告げられた。
2Wanneer iemand op zijn huid een roof, uitslag of witte vlek krijgt, die zich op zijn huid tot een melaatse plek ontwikkelt, dan moet hij naar den priester Aäron of naar een van de priesters, zijn zonen, worden gebracht.
2「人が自分の体の皮膚に腫れ物、かさぶた、あるいは光る斑点ができ、それが体の皮膚で規定の病の患部となったなら、その人を祭司アロンか、その子らである祭司の一人のところに連れて来る。
3De priester moet de plek op zijn huid onderzoeken. Is het haar op die plek wit geworden, en ligt die plek opvallend dieper dan de huid, dan is het melaatsheid. Wanneer de priester dit ziet, moet hij hem onrein verklaren.
3祭司は体の皮膚にある患部を調べる。患部の毛が白く変わり、患部が皮膚より深く見えるなら、それは規定の病の患部である。祭司はその人を調べ、汚れていると宣告する。
4Zo het echter een witte vlek op zijn huid is, die niet opvallend dieper ligt dan de huid, en het haar daarop niet wit is geworden, dan moet de priester den lijder zeven dagen lang opsluiten.
4もし彼の体の皮膚にある光る斑点が白く、皮膚より深く見えず、その毛が白く変わっていないなら、祭司は患部のあるその人を七日間隔離する。
5Wanneer de priester hem op de zevende dag weer onderzoekt en bemerkt, dat de plek onveranderd is gebleven en zich niet verder over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem opnieuw zeven dagen lang opsluiten.
5祭司は七日目にその人を調べる。祭司の目に患部がとどまり、皮膚に広がっていないなら、さらに七日間隔離する。
6De priester moet hem op de zevende dag nog eens onderzoeken; en ziet hij, dat de plek dof is geworden en zich niet verder over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem rein verklaren; het is enkel maar uitslag. Hij moet zijn kleren wassen, en is dan rein.
6祭司は七日目に再び調べる。患部が薄くなり、皮膚に広がっていないなら、祭司はその人を清いと宣告する。それはかさぶたである。その人は衣服を洗えば清くなる。
7Maar zo de uitslag zich verder over zijn huid verspreidt, nadat hij zich reeds aan den priester heeft vertoond, om rein te worden verklaard, dan moet hij zich opnieuw door den priester laten onderzoeken.
7しかし、清めのために祭司に自分を見せた後で、そのかさぶたが皮膚に広がるなら、彼は再び祭司に自分を見せる。
8Ziet de priester, dat de uitslag zich verder over zijn huid heeft verspreid, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
8祭司は彼を調べる。もしそのかさぶたが皮膚に広がっているなら、祭司は彼を汚れていると宣告する。それは規定の病である。
9Wanneer iemand een melaatse plek heeft, moet hij naar den priester worden gebracht.
9規定の病の患部が人にある場合、その人を祭司のところに連れて来る。
10Ziet de priester, dat er op de huid een witte roof zit, het haar daarop wit is geworden, en er wild vlees in die roof groeit,
10祭司は彼を調べる。皮膚に白い腫れ物があり、それが毛を白く変え、腫れ物の中に生肉ができているなら、
11dan is het een verouderde melaatsheid op de huid. De priester moet hem onrein verklaren zonder hem eerst nog op te sluiten; want hij is onrein.
11それは彼の体の皮膚にある慢性の規定の病である。祭司は彼を汚れていると宣告する。彼を隔離してはならない。彼はすでに汚れているからである。
12Wanneer de melaatsheid op zijn huid openbarst, en de melaatsheid heel de huid van den lijder van het hoofd tot de voeten bedekt, zover de priester kan nagaan,
12もし規定の病が皮膚の至るところに広がり、祭司が見る限り、規定の病が患部のあるその人の頭から足に至るまで皮膚の全面を覆っているなら、
13en ziet de priester, dat de melaatsheid heel zijn lichaam bedekt, dan moet hij den lijder rein verklaren, als hij geheel wit is geworden; hij is rein.
13祭司は彼を調べる。規定の病が彼の全身を覆っているなら、祭司はその患部について彼を清いと宣告する。それはすべて白く変わっているので、彼は清い。
14Maar als zich wild vlees bij hem vertoont, is hij onrein.
14しかし、生肉が彼に現れたときはいつでも、彼は汚れる。
15Heeft dus de priester het wilde vlees bemerkt, dan moet hij hem onrein verklaren; het wilde vlees is onrein; het is melaatsheid.
15祭司はその生肉を調べ、彼を汚れていると宣告する。生肉は汚れている。それは規定の病である。
16Wanneer echter het wilde vlees weer verdwijnt en hij wit wordt, dan moet hij naar den priester gaan.
16あるいは、生肉が再び変化して白く変わったなら、彼は祭司のところに来る。
17Ziet nu de priester, dat die plek wit is geworden, dan moet hij den lijder rein verklaren; hij is rein.
17祭司は彼を調べる。患部が白く変わっているなら、祭司はその患部について彼を清いと宣告する。彼は清い。
18Wanneer iemand een zweer op zijn huid heeft, die wel is genezen,
18体の皮膚に腫れ物ができ、それが癒え、
19maar op wier plaats een witte roof of lichtrode vlek is ontstaan, dan moet hij zich aan den priester vertonen.
19腫れ物があった場所に白い腫れ物、あるいは赤みがかった白い光る斑点ができたなら、それを祭司に見せる。
20Bemerkt de priester, dat deze vlek opvallend dieper ligt dan de huid, en dat het haar daarop wit is, dan moet de priester hem voor onrein verklaren; het is melaatsheid, die in de zweer is uitgebroken.
20祭司はそれを調べる。皮膚より深く見え、その毛が白く変わっているなら、祭司は彼を汚れていると宣告する。それは規定の病の患部である。それは腫れ物の中に発生したのである。
21Maar wanneer de priester ziet, dat er geen witte haren op zitten, dat ze niet dieper ligt dan de huid en dof is, dan moet de priester hem zeven dagen opsluiten.
21しかし、祭司がそれを調べ、そこに白い毛がなく、皮膚より深くなく薄くなっているなら、祭司は彼を七日間隔離する。
22Indien de plek zich verder over de huid verspreidt, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
22もしそれが皮膚に広がっているなら、祭司は彼を汚れていると宣告する。それは患部である。
23Zo de plek onveranderd is gebleven, en zich niet verder heeft verspreid, dan is het een litteken van de zweer; de priester moet hem dan rein verklaren.
23しかし、その光る斑点がそこにとどまり、広がっていないなら、それは腫れ物の跡である。祭司は彼を清いと宣告する。
24Of wanneer iemand op zijn huid een brandwonde heeft, en er vormt zich in die brandwonde een lichtrode of witte vlek,
24あるいは、体の皮膚に火によるやけどがあり、やけどの生肉が赤みがかった白い、あるいは白い光る斑点になったなら、
25dan moet de priester ze onderzoeken; en is op die vlek het haar wit geworden, ligt ze opvallend dieper dan de huid, dan is in die wond melaatsheid uitgebroken; de priester moet hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
25祭司はそれを調べる。光る斑点の毛が白く変わり、皮膚より深く見えるなら、それは規定の病である。それはやけどの中に発生したのである。祭司は彼を汚れていると宣告する。それは規定の病の患部である。
26Maar zo de priester bemerkt, dat zich op die vlek geen wit haar bevindt, dat ze niet dieper ligt dan de huid en dof is, dan moet de priester hem zeven dagen lang opsluiten.
26しかし、祭司がそれを調べ、光る斑点の中に白い毛がなく、皮膚より深くなく薄くなっているなら、祭司は彼を七日間隔離する。
27Op de zevende dag moet de priester hem onderzoeken. Zo de plek zich over de huid heeft verspreid, moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
27祭司は七日目に彼を調べる。もしそれが皮膚に広がっているなら、祭司は彼を汚れていると宣告する。それは規定の病の患部である。
28Maar zo de witte vlek onveranderd is gebleven, zich niet verder over de huid heeft verspreid en dof is geworden, dan is het een roof van de brandwonde; de priester moet hem dan rein verklaren, want het is het litteken van de brandwonde.
28もし光る斑点がそこにとどまり、皮膚に広がっておらず、薄くなっているなら、それはやけどによる腫れ物である。祭司は彼を清いと宣告する。それはやけどの跡だからである。
29Wanneer een man of een vrouw een plek heeft op het hoofd of in de baard,
29男または女の頭あるいはひげに患部がある場合、
30dan moet de priester die plek onderzoeken. Ligt deze opvallend dieper dan de huid en is het haar daarop geel en dun, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is een kwaadaardige uitslag, melaatsheid van hoofd of baard.
30祭司はその患部を調べる。患部が皮膚より深く見え、そこに黄色く細い毛があるなら、祭司はその人を汚れていると宣告する。それは白癬、すなわち頭またはひげに生じる規定の病である。
31Maar wanneer de priester bemerkt, dat de plek, door de uitslag aangetast, niet opvallend dieper ligt dan de huid, maar er toch ook geen zwart haar op zit, dan moet de priester den lijder aan de uitslag zeven dagen lang opsluiten.
31祭司がその白癬の患部を調べ、皮膚より深く見えず、そこに黒い毛がないなら、祭司は白癬の患部があるその者を七日間隔離する。
32Op de zevende dag moet hij de aangetaste plek opnieuw onderzoeken. Heeft de uitslag zich niet uitgebreid, is er geen geel haar op gekomen, en ligt de uitslag niet opvallend dieper dan de huid,
32七日目に祭司は患部を調べる。白癬が広がっておらず、そこに黄色い毛がなく、白癬が皮膚より深くないなら、
33dan moet de lijder aan uitslag zich scheren, behalve op de plek van de uitslag, en de priester moet hem nogmaals zeven dagen opsluiten.
33その者は毛を剃る。ただし、白癬のところを剃ってはならない。それから祭司は白癬のある者をさらに七日間隔離する。
34Op de zevende dag moet de priester de uitslag opnieuw onderzoeken. Heeft de uitslag zich niet verder over de huid verspreid en ligt hij niet opvallend dieper dan de huid, dan moet de priester hem rein verklaren. Hij moet zijn kleren wassen, en is rein.
34七日目に、祭司は白癬を調べる。白癬が皮膚に広がっておらず、皮膚より深く見えないなら、祭司は彼を清いと宣告する。彼は自分の衣服を洗う。そうすれば清くなる。
35Maar zo de uitslag zich verder over de huid heeft verspreid, nadat hij zich reeds aan den priester heeft vertoond, om rein te worden verklaard,
35しかし、彼が清くされた後に白癬が皮膚に広がるなら、
36en bemerkt de priester, dat de uitslag zich werkelijk verder over de huid heeft verspreid, dan behoeft de priester niet verder te zoeken naar het gele haar; hij is onrein.
36祭司は彼を調べる。白癬が皮膚に広がっているなら、祭司は黄色い毛を探す必要はない。彼は汚れている。
37Wanneer echter de uitslag onveranderd is gebleven en er zwart haar op groeit, dan is de uitslag genezen; hij is rein, en de priester moet hem rein verklaren.
37しかし、祭司の目に白癬がとどまっており、そこに黒い毛が生えているなら、白癬は癒えている。彼は清い。祭司は彼を清いと宣告する。
38Wanneer een man of een vrouw witte vlekken op hun huid hebben,
38男または女の体の皮膚に光る斑点、すなわち白い光る斑点がある場合、
39dan moet de priester ze onderzoeken. Zijn die vlekken op hun huid dofwit, dan is het slechts een goedaardige uitslag, die op de huid is uitgebroken; ze zijn rein.
39祭司はそれらを調べる。彼らの体の皮膚にある光る斑点が鈍い白色であるなら、それは無害な発疹である。それは皮膚に発生したのである。その者は清い。
40Wanneer iemand de haren op zijn hoofd verliest, dan is hij alleen maar een kaalhoofd; hij is rein.
40男の頭の毛が抜け落ちたなら、彼ははげである。彼は清い。
41Verliest hij zijn haren van voren, dan heeft hij alleen maar een kaal voorhoofd; hij is rein.
41もしその毛が頭の前部から抜け落ちたなら、彼は前頭はげである。彼は清い。
42Maar zo hij op zijn kaal voor(-) of achterhoofd een vaalrode plek heeft, dan is dat melaatsheid, die op zijn kaal voor(-) of achterhoofd is uitgebroken.
42しかし、はげ頭、あるいは前頭はげのところに赤みがかった白い患部があるなら、それは彼のはげ頭、あるいは前頭はげに発生した規定の病である。
43De priester moet hem onderzoeken. Is de roof van die plek op zijn kaal voor(-) of achterhoofd lichtrood, en ziet ze er uit als de melaatsheid van de huid,
43祭司は彼を調べる。彼のはげ頭、あるいは前頭はげにある患部の腫れ物が赤みがかった白色で、体の皮膚にある規定の病のような見た目であるなら、
44dan is hij melaats; hij is onrein. De priester moet hem onrein verklaren; hij heeft melaatsheid op zijn hoofd.
44彼は規定の病の者である。彼は汚れている。祭司は彼を確かに汚れていると宣告する。彼の患部は頭にある。
45Wie door melaatsheid is getroffen, moet met gescheurde kleren gaan, het hoofd onbedekt, zijn bovenlip omwonden, en hij moet roepen: Onrein, onrein!
45患部のある規定の病の者は、衣服を裂き、頭髪を乱したままにし、口元を覆って、「汚れている、汚れている」と叫ぶ。
46Zo lang hij melaats blijft, is hij volslagen onrein: hij moet afgezonderd wonen, en buiten de legerplaats verblijven.
46その患部が彼にある間、彼は汚れている。彼は汚れている。彼は一人で住む。彼の住まいは宿営の外である。
47Wanneer de melaatsheid zich op een wollen of linnen kledingstuk vertoont,
47また、規定の病の患部がある衣服、それが羊毛の衣服であれ、亜麻布の衣服であれ、
48op geweven of geknoopte stof van linnen of wol, op leer of op een of ander ding van leer:
48それが亜麻布または羊毛の縦糸であれ横糸であれ、革であれ、革で作られたどんなものであれ、
49en die plek op dat kleed of dat leer, op die geweven of geknoopte stof of op een of ander ding van leer, is groen(-) of roodachtig, dan is die plek melaats, en moet aan den priester worden getoond.
49もし衣服、革、縦糸、横糸、あるいは革で作られたどんなものにおいても、その患部が緑がかった色、あるいは赤みがかった色であるなら、それは規定の病の患部であり、祭司に見せる。
50De priester moet die plek onderzoeken, en het besmette zeven dagen lang wegsluiten.
50祭司はその患部を調べ、その患部を七日間隔離する。
51Op de zevende dag moet hij de plek opnieuw onderzoeken. Heeft deze plek zich op het kledingstuk, op de geweven of geknoopte stof, op het leer of op een of ander ding van leer verder verspreid, dan is het kwaadaardige melaatsheid; het besmette is onrein.
51彼は七日目にその患部を調べる。もしその患部が、衣服、縦糸、横糸、あるいは革、その革がどのような用途に使われるものであれ、そこに広がっているなら、その患部は悪性のカビである。それは汚れている。
52Hij moet het kleed, de geweven of geknoopte stof van wol of linnen, of het een of ander ding van leer, waarop de plek zit, verbranden. Want het is kwaadaardige melaatsheid; het ding moet in het vuur worden verbrand.
52患部がある衣服、すなわち羊毛あるいは亜麻布の縦糸であれ横糸であれ、またはどんな革製品であれ、彼はそれを燃やす。それは悪性のカビだからである。それは火で燃やす。
53Maar zo de priester bemerkt, dat de plek zich op het kleed, de geweven of geknoopte stof, of op een of ander ding van leer niet verder heeft uitgebreid,
53もし祭司がそれを調べ、患部が衣服、縦糸、横糸、あるいはどんな革製品においても広がっていないなら、
54dan moet de priester bevelen, het ding, waarop de plek zit, te wassen en het opnieuw zeven dagen lang wegsluiten.
54祭司は患部があるものを洗うように命じる。そして彼はそれをさらに七日間隔離する。
55Ziet de priester, dat de plek na de wassing van het besmette ding, niet is veranderd, dan is het onrein; ook al heeft die plek zich niet uitgebreid. Ge moet het verbranden; het is een voortkankerende melaatsheid aan de achter(-) of voorkant.
55患部が洗われた後、祭司はそれを調べる。患部の色が変わっておらず、患部が広がっていなくても、それは汚れている。あなたはそれを火で燃やす。内側であれ外側であれ、それはカビの侵食である。
56Ziet de priester, dat de besmette plek na de wassing dof is geworden, dan moet hij ze van het kleed, van het leer of van de geweven of geknoopte stof afscheuren.
56もし祭司が見て、それが洗われた後に患部が薄くなっているなら、彼は衣服、あるいは革、あるいは縦糸、あるいは横糸からそれを引き裂く。
57Verschijnt ze opnieuw op het kleed, op de geweven of geknoopte stof, of op een of ander leren ding, dan is het uitbarstende melaatsheid. Gij moet het ding, waarop de plek zit, verbranden.
57そしてもしそれが衣服、縦糸、横糸、あるいはどんな革製品に再び現れるなら、それは広がっている。あなたは患部があるものを火で燃やす。
58Maar het kleed, de geweven of geknoopte stof of het een of ander ding van leer, waaruit de plek na wassing is verdwenen, moet opnieuw worden gewassen; dan is het rein.
58あなたが洗った衣服、縦糸、横糸、あるいはいかなる革製品であれ、そこから患部が消え去ったなら、それを二度目に洗う。そうすればそれは清くなる。」
59Dit is de wet op de melaatsheid van een wollen of linnen kleed, van geweven of geknoopte stof of van een of ander ding van leer. Ze dient om iets rein of onrein te verklaren.
59これが、羊毛あるいは亜麻布の衣服、縦糸、横糸、あるいはどんな革製品におけるカビの患部について、それが清いか汚れているかを宣告するための律法である。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.