Leviticus 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
1ΚΑΙ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν καὶ Ἀαρὼν λέγων·
2Wanneer iemand op zijn huid een roof, uitslag of witte vlek krijgt, die zich op zijn huid tot een melaatse plek ontwikkelt, dan moet hij naar den priester Aäron of naar een van de priesters, zijn zonen, worden gebracht.
2ἀνθρώπῳ ἐάν τινι γένηται ἐν δέρματι χρωτὸς αὐτοῦ οὐλὴ σημασίας τηλαυγής, καὶ γένηται ἐν δέρματι χρωτὸς αὐτοῦ ἁφὴ λέπρας, ἀχθήσεται πρὸς Ἀαρὼν τὸν ἱερέα, ἢ ἕνα τῶν υἱῶν αὐτοῦ τῶν ἱερέων.
3De priester moet de plek op zijn huid onderzoeken. Is het haar op die plek wit geworden, en ligt die plek opvallend dieper dan de huid, dan is het melaatsheid. Wanneer de priester dit ziet, moet hij hem onrein verklaren.
3καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν ἐν δέρματι τοῦ χρωτὸς αὐτοῦ, καὶ ἡ θρὶξ ἐν τῇ ἁφῇ μεταβάλῃ λευκή, καὶ ἡ ὄψις τῆς ἁφῆς ταπεινὴ ἀπὸ τοῦ δέρματος τοῦ χρωτός, ἁφὴ λέπτρας ἐστί· καὶ ὄψεται ὁ ἱερεύς, καὶ μιανεῖ αὐτόν.
4Zo het echter een witte vlek op zijn huid is, die niet opvallend dieper ligt dan de huid, en het haar daarop niet wit is geworden, dan moet de priester den lijder zeven dagen lang opsluiten.
4ἐὰν δὲ τηλαυγὴς λευκὴ ᾖ ἐν τῷ δέρματι τοῦ χρωτὸς αὐτοῦ, καὶ ταπεινὴ μὴ ᾖ ἡ ὄψις αὐτῆς ἀπὸ τοῦ δέρματος, καὶ ἡ θρὶξ αὐτοῦ οὐ μετέβαλε τρίχα λευκήν, αὐτὴ δέ ἐστιν ἀμαυρά, καὶ ἀφοριεῖ ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν ἑπτὰ ἡμέρας.
5Wanneer de priester hem op de zevende dag weer onderzoekt en bemerkt, dat de plek onveranderd is gebleven en zich niet verder over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem opnieuw zeven dagen lang opsluiten.
5καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ, καὶ ἰδοὺ ἡ ἁφὴ μένει ἐναντίον αὐτοῦ, οὐ μετέπεσεν ἡ ἁφὴ ἐν τῷ δέρματι, καὶ ἀφοριεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεὺς ἑπτὰ ἡμέρας τὸ δεύτερον.
6De priester moet hem op de zevende dag nog eens onderzoeken; en ziet hij, dat de plek dof is geworden en zich niet verder over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem rein verklaren; het is enkel maar uitslag. Hij moet zijn kleren wassen, en is dan rein.
6καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς αὐτὸν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ τὸ δεύτερον. καὶ ἰδοὺ ἀμαυρὰ ἡ ἁφή, οὐ μετέπεσεν ἡ ἁφὴ ἐν τῷ δέρματι· καὶ καθαριεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς· σημασία γάρ ἐστι· καὶ πλυνάμενος τὰ ἱμάτια αὐτοῦ καθαρὸς ἔσται.
7Maar zo de uitslag zich verder over zijn huid verspreidt, nadat hij zich reeds aan den priester heeft vertoond, om rein te worden verklaard, dan moet hij zich opnieuw door den priester laten onderzoeken.
7ἐὰν δὲ μεταβαλοῦσα μεταπέσῃ ἡ σημασία ἐν τῷ δέρματι, μετὰ τὸ ἰδεῖν αὐτὸν τὸν ἱερέα τοῦ καθαρίσαι αὐτόν, καὶ ὀφθήσεται τὸ δεύτερον τῷ ἱερεῖ.
8Ziet de priester, dat de uitslag zich verder over zijn huid heeft verspreid, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
8καὶ ὄψεται αὐτὸν ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ μετέπεσεν ἡ σημασία ἐν τῷ δέρματι, καὶ μιανεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς· λέπρα ἐστί.
9Wanneer iemand een melaatse plek heeft, moet hij naar den priester worden gebracht.
9καὶ ἁφὴ λέπρας ἐὰν γένηται ἐν ἀνθρώπῳ, καὶ ἥξει πρὸς τόν ἱερέα·
10Ziet de priester, dat er op de huid een witte roof zit, het haar daarop wit is geworden, en er wild vlees in die roof groeit,
10καὶ ὄψεται ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ οὐλὴ λευκὴ ἐν τῷ δέρματι, καὶ αὕτη μετέβαλε τρίχα λευκήν, καὶ ἀπὸ τοῦ ὑγιοῦς τῆς σαρκὸς τῆς ζώσης ἐν τῇ οὐλῇ,
11dan is het een verouderde melaatsheid op de huid. De priester moet hem onrein verklaren zonder hem eerst nog op te sluiten; want hij is onrein.
11λέπρα παλαιουμένη ἐστὶν ἐν τῷ δέρματι τοῦ χρωτός, καὶ μιανεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεὺς καὶ ἀφοριεῖ αὐτόν, ὅτι ἀκάθαρτός ἐστιν.
12Wanneer de melaatsheid op zijn huid openbarst, en de melaatsheid heel de huid van den lijder van het hoofd tot de voeten bedekt, zover de priester kan nagaan,
12ἐὰν δὲ ἀνθοῦσα ἐξανθήσῃ ἡ λέπρα ἐν τῷ δέρματι, καὶ καλύψῃ ἡ λέπρα πᾶν τὸ δέρμα τῆς ἁφῆς ἀπὸ κεφαλῆς ἕως ποδῶν, καθ᾿ ὅλην τὴν ὅρασιν τοῦ ἱερέως,
13en ziet de priester, dat de melaatsheid heel zijn lichaam bedekt, dan moet hij den lijder rein verklaren, als hij geheel wit is geworden; hij is rein.
13καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς καὶ ἰδού ἐκάλυψεν ἡ λέπρα πᾶν τὸ δέρμα τοῦ χρωτός, καὶ καθαριεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφήν, ὅτι πᾶν μετέβαλε λευκόν, καθαρόν ἐστι.
14Maar als zich wild vlees bij hem vertoont, is hij onrein.
14καὶ ᾗ ἂν ἡμέρᾳ ὀφθῇ ἐν αὐτῷ χρὼς ζῶν, μιανθήσεται,
15Heeft dus de priester het wilde vlees bemerkt, dan moet hij hem onrein verklaren; het wilde vlees is onrein; het is melaatsheid.
15καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς τὸν χρῶτα τὸν ὑγιῆ, καὶ μιανεῖ αὐτὸν ὁ χρὼς ὁ ὑγιής, ὅτι ἀκάθαρτός ἐστι· λέπρα ἐστί.
16Wanneer echter het wilde vlees weer verdwijnt en hij wit wordt, dan moet hij naar den priester gaan.
16ἐὰν δέ ἀποκαταστῇ ὁ χρὼς ὁ ὑγιής, καὶ μεταβάλῃ λευκή, καὶ ἐλεύσεται πρὸς τὸν ἱερέα,
17Ziet nu de priester, dat die plek wit is geworden, dan moet hij den lijder rein verklaren; hij is rein.
17καὶ ὄψεται ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ μετέβαλεν ἡ ἁφὴ εἰς τὸ λευκόν, καὶ καθαριεῖ ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφήν· καθαρός ἐστι.
18Wanneer iemand een zweer op zijn huid heeft, die wel is genezen,
18Καὶ σὰρξ ἐὰν γένηται ἐν τῷ δέρματι αὐτοῦ ἕλκος καὶ ὑγιασθῇ,
19maar op wier plaats een witte roof of lichtrode vlek is ontstaan, dan moet hij zich aan den priester vertonen.
19καὶ γένηται ἐν τῷ τόπῳ τοῦ ἕλκους οὐλὴ λευκή, ἢ τηλαυγὴς λευκαίνουσα, ἢ πυρρίζουσα, καὶ ὀφθήσεται τῷ ἱερεῖ,
20Bemerkt de priester, dat deze vlek opvallend dieper ligt dan de huid, en dat het haar daarop wit is, dan moet de priester hem voor onrein verklaren; het is melaatsheid, die in de zweer is uitgebroken.
20καὶ ὄψεται ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ ἡ ὄψις ταπεινοτέρα τοῦ δέρματος, καὶ ἡ θρὶξ αὐτῆς μετέβαλεν εἰς λευκήν, καὶ μιανεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς, ὅτι λέπρα ἐστίν, ἐν τῷ ἕλκει ἐξήνθησεν.
21Maar wanneer de priester ziet, dat er geen witte haren op zitten, dat ze niet dieper ligt dan de huid en dof is, dan moet de priester hem zeven dagen opsluiten.
21ἐὰν δὲ ἴδῃ ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ οὐκ ἔστιν ἐν αὐτῷ θρὶξ λευκή, καὶ ταπεινὸν μὴ ᾖ ἀπὸ τοῦ δέρματος τοῦ χρωτός, καὶ αὐτὴ ᾖ ἀμαυρά, καὶ ἀφοριεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεὺς ἑπτὰ ἡμέρας.
22Indien de plek zich verder over de huid verspreidt, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
22ἐὰν δὲ διαχύσει διαχέηται ἐν τῷ δέρματι, καὶ μιανεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς, ἁφὴ λέπρας ἐστίν, ἐν τῷ ἕλκει ἐξήνθησεν.
23Zo de plek onveranderd is gebleven, en zich niet verder heeft verspreid, dan is het een litteken van de zweer; de priester moet hem dan rein verklaren.
23ἐὰν δὲ κατὰ χώραν μείνῃ τὸ τηλαύγημα καὶ μὴ διαχέηται, οὐλὴ τοῦ ἕλκους ἐστί, καὶ καθαριεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς.
24Of wanneer iemand op zijn huid een brandwonde heeft, en er vormt zich in die brandwonde een lichtrode of witte vlek,
24Καὶ σὰρξ ἐὰν γένηται ἐν τῷ δέρματι αὐτοῦ κατάκαυμα πυρός, καὶ γένηται ἐν τῷ δέρματι αὐτοῦ τὸ ὑγιασθὲν τοῦ κατακαύματος αὐγάζον τηλαυγὲς λευκόν, ὑποπυρρίζον ἢ ἔκλευκον,
25dan moet de priester ze onderzoeken; en is op die vlek het haar wit geworden, ligt ze opvallend dieper dan de huid, dan is in die wond melaatsheid uitgebroken; de priester moet hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
25καὶ ὄψεται αὐτὸν ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ μετέβαλε θρὶξ λευκὴ εἰς τὸ αὐγάζον, καὶ ἡ ὄψις αὐτοῦ ταπεινὴ ἀπὸ τοῦ δέρματος, λέπρα ἐστίν, ἐν τῷ κατακαύματι ἐξήνθησε· καὶ μιανεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς, ἁφὴ λέπρας ἐστίν.
26Maar zo de priester bemerkt, dat zich op die vlek geen wit haar bevindt, dat ze niet dieper ligt dan de huid en dof is, dan moet de priester hem zeven dagen lang opsluiten.
26ἐὰν δὲ ἴδῃ ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ οὐκ ἔστιν ἐν τῷ αὐγάζοντι θρὶξ λευκή, καὶ ταπεινὸν μὴ ᾖ ἀπὸ τοῦ δέρματος, αὐτὸ δὲ ἀμαυρόν, καὶ ἀφοριεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεὺς ἑπτὰ ἡμέρας.
27Op de zevende dag moet de priester hem onderzoeken. Zo de plek zich over de huid heeft verspreid, moet de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
27καὶ ὄψεται αὐτὸν ὁ ἱερεὺς τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ· ἐὰν δὲ διαχύσει διαχέηται ἐν τῷ δέρματι, καὶ μιανεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς· ἁφὴ λέπρας ἐστίν, ἐν τῷ ἕλκει ἐξήνθησεν.
28Maar zo de witte vlek onveranderd is gebleven, zich niet verder over de huid heeft verspreid en dof is geworden, dan is het een roof van de brandwonde; de priester moet hem dan rein verklaren, want het is het litteken van de brandwonde.
28ἐὰν δὲ κατὰ χώραν μείνῃ τὸ αὐγάζον, καὶ μὴ διαχυθῇ ἐν τῷ δέρματι, αὐτὴ δὲ ἀμαυρὰ ᾖ, οὐλὴ τοῦ κατακαύμαστός ἐστι, καὶ καθαριεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς· ὁ γὰρ χαρακτὴρ τοῦ κατακαύματός ἐστι.
29Wanneer een man of een vrouw een plek heeft op het hoofd of in de baard,
29Καὶ ἀνδρὶ ἢ γυναικὶ ἐὰν γένηται ἐν αὐτοῖς ἁφὴ λέπρας ἐν τῇ κεφαλῇ ἢ ἐν τῷ πώγωνι,
30dan moet de priester die plek onderzoeken. Ligt deze opvallend dieper dan de huid en is het haar daarop geel en dun, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is een kwaadaardige uitslag, melaatsheid van hoofd of baard.
30καί ὄψεται ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφήν, καὶ ἰδοὺ ἡ ὄψις αὐτῆς ἐγκοιλοτέρα τοῦ δέρματος, ἐν αὐτῇ δὲ θρὶξ ξανθίζουσα λεπτή, καὶ μιανεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς· θραῦσμά ἐστι, λέπρα τῆς κεφαλῆς ἢ λέπρα τοῦ πώγωνός ἐστι.
31Maar wanneer de priester bemerkt, dat de plek, door de uitslag aangetast, niet opvallend dieper ligt dan de huid, maar er toch ook geen zwart haar op zit, dan moet de priester den lijder aan de uitslag zeven dagen lang opsluiten.
31καὶ ἐὰν ἴδῃ ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν τοῦ θραύσματος, καὶ ἰδοὺ οὐχ ἡ ὄψις ἐγκοιλοτέρα τοῦ δέρματος, καὶ θρὶξ ξανθίζουσα οὐκ ἔστιν ἐν αὐτῇ, καὶ ἀφοριεῖ ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν τοῦ θραύσματος ἑπτὰ ἡμέρας.
32Op de zevende dag moet hij de aangetaste plek opnieuw onderzoeken. Heeft de uitslag zich niet uitgebreid, is er geen geel haar op gekomen, en ligt de uitslag niet opvallend dieper dan de huid,
32καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ, καὶ ἰδοὺ οὐ διεχύθη τὸ θραῦσμα, καὶ θρὶξ ξανθίζουσα οὐκ ἔστιν ἐν αὐτῇ, καὶ ἡ ὄψις τοῦ θραύσματος οὐκ ἔστι κοίλη ἀπὸ τοῦ δέρματος.
33dan moet de lijder aan uitslag zich scheren, behalve op de plek van de uitslag, en de priester moet hem nogmaals zeven dagen opsluiten.
33καὶ ξυρηθήσεται τὸ δέρμα, τὸ δὲ θραῦσμα οὐ ξυρηθήσεται, καὶ ἀφοριεῖ ὁ ἱερεὺς τὸ θραῦσμα ἑπτὰ ἡμέρας τὸ δεύτερον.
34Op de zevende dag moet de priester de uitslag opnieuw onderzoeken. Heeft de uitslag zich niet verder over de huid verspreid en ligt hij niet opvallend dieper dan de huid, dan moet de priester hem rein verklaren. Hij moet zijn kleren wassen, en is rein.
34καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς τὸ θραῦσμα τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ, καὶ ἰδοὺ οὐ διεχύθη τὸ θραῦσμα ἐν τῷ δέρματι μετὰ τὸ ξυρηθῆναι αὐτόν, καὶ ἡ ὄψις τοῦ θραύσματος οὐκ ἔστι κοίλη ἀπὸ τοῦ δέρματος, καὶ καθαριεῖ αὐτὴν ὁ ἱερεύς, καὶ πλυνάμενος τὰ ἱμάτια καθαρὸς ἔσται.
35Maar zo de uitslag zich verder over de huid heeft verspreid, nadat hij zich reeds aan den priester heeft vertoond, om rein te worden verklaard,
35ἐὰν δὲ διαχύσει διαχέηται τὸ θραῦσμα ἐν τῷ δέρματι μετὰ τὸ καθαρισθῆναι αὐτόν,
36en bemerkt de priester, dat de uitslag zich werkelijk verder over de huid heeft verspreid, dan behoeft de priester niet verder te zoeken naar het gele haar; hij is onrein.
36καὶ ὄψεται ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ διακέχυται τὸ θραῦσμα ἐν τῷ δέρματι, οὐκ ἐπισκέψεται ὁ ἱερεὺς περὶ τῆς τριχὸς τῆς ξανθῆς, ὅτι ἀκάθαρτός ἐστιν.
37Wanneer echter de uitslag onveranderd is gebleven en er zwart haar op groeit, dan is de uitslag genezen; hij is rein, en de priester moet hem rein verklaren.
37ἐὰν δὲ ἐνώπιον μείνῃ ἐπὶ χώρας τὸ θραῦσμα, καὶ θρὶξ μέλαινα ἀνατείλῃ ἐν αὐτῷ, ὑγίακε τὸ θραῦσμα· καθαρός ἐστι, καὶ καθαριεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς.
38Wanneer een man of een vrouw witte vlekken op hun huid hebben,
38Καὶ ἀνδρὶ ἢ γυναικί, ἐὰν γένηται ἐν δέρματι τῆς σαρκὸς αὐτοῦ αὐγάσματα αὐγάζοντα λευκανθίζοντα,
39dan moet de priester ze onderzoeken. Zijn die vlekken op hun huid dofwit, dan is het slechts een goedaardige uitslag, die op de huid is uitgebroken; ze zijn rein.
39καὶ ὄψεται ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ ἐν δέρματι τῆς σαρκὸς αὐτοῦ αὐγάσματα αὐγάζοντα λευκανθίζοντα, ἀλφός ἐστιν ἐξανθεῖ ἐν τῷ δέρματι τῆς σαρκὸς αὐτοῦ, καθαρός ἐστι.
40Wanneer iemand de haren op zijn hoofd verliest, dan is hij alleen maar een kaalhoofd; hij is rein.
40Ἐὰν δέ τινι μαδήσῃ ἡ κεφαλὴ αὐτοῦ, φαλακρός ἐστι, καθαρός ἐστιν.
41Verliest hij zijn haren van voren, dan heeft hij alleen maar een kaal voorhoofd; hij is rein.
41ἐὰν δὲ κατὰ πρόσωπον μαδήσῃ ἡ κεφαλὴ αὐτοῦ, ἀναφάλαντός ἐστι, καθαρός ἐστιν.
42Maar zo hij op zijn kaal voor(-) of achterhoofd een vaalrode plek heeft, dan is dat melaatsheid, die op zijn kaal voor(-) of achterhoofd is uitgebroken.
42ἐὰν δὲ γένηται ἐν τῷ φαλακρώματι αὐτοῦ ἢ ἐν τῷ ἀναφαλαντώματι αὐτοῦ ἀφὴ λευκὴ ἢ πυρρίζουσα, λέπρα ἐστὶν ἐν τῷ φαλακρώματι αὐτοῦ, ἢ ἐν τῷ ἀναφαλαντώματι αὐτοῦ.
43De priester moet hem onderzoeken. Is de roof van die plek op zijn kaal voor(-) of achterhoofd lichtrood, en ziet ze er uit als de melaatsheid van de huid,
43καὶ ὄψεται αὐτὸν ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ ἡ ὄψις τῆς ἁφῆς λευκὴ ἢ πυρρίζουσα ἐν τῷ φαλακρώματι αὐτοῦ ἢ ἐν τῷ φαλαντώματι αὐτοῦ, ὡς εἶδος λέπρας ἐν δέρματι τῆς σαρκός αὐτοῦ,
44dan is hij melaats; hij is onrein. De priester moet hem onrein verklaren; hij heeft melaatsheid op zijn hoofd.
44ἄνθρωπος λεπρός ἐστι· μιάνσει μιανεῖ αὐτὸν ὁ ἱερεύς, ἐν τῇ κεφαλῇ αὐτοῦ ἡ ἁφὴ αὐτοῦ.
45Wie door melaatsheid is getroffen, moet met gescheurde kleren gaan, het hoofd onbedekt, zijn bovenlip omwonden, en hij moet roepen: Onrein, onrein!
45Καὶ ὁ λεπρὸς ἐν ᾧ ἐστιν ἡ ἁφή, τὰ ἱμάτια αὐτοῦ ἔστω παραλελυμένα καὶ ἡ κεφαλὴ αὐτοῦ ἀκάλυπτος, καὶ περὶ τὸ στόμα αὐτοῦ περιβαλέσθω, καὶ ἀκάθαρτος κεκλήσεται·
46Zo lang hij melaats blijft, is hij volslagen onrein: hij moet afgezonderd wonen, en buiten de legerplaats verblijven.
46πάσας τὰς ἡμέρας, ὅσας ἐὰν ᾖ ἐπ᾿ αὐτὸν ἡ ἁφή, ἀκάθαρτος ὢν ἀκάθαρτος ἔσται, κεχωρισμένος καθήσεται, ἔξω τῆς παρεμβολῆς αὐτοῦ ἔσται ἡ διατριβή.
47Wanneer de melaatsheid zich op een wollen of linnen kledingstuk vertoont,
47Καὶ ἱματίῳ ἐὰν γένηται ἁφὴ ἐν αὐτῷ λέπρας ἐν ἱματίῳ ἐρέῳ, ἢ ἐν ἱματίῳ στυππυίνῳ,
48op geweven of geknoopte stof van linnen of wol, op leer of op een of ander ding van leer:
48ἢ ἐν στήμονι, ἢ ἐν κρόκῃ, ἢ ἐν τοῖς λινοῖς, ἢ ἐν τοῖς ἐρέοις, ἢ ἐν δέρματι, ἢ ἐν παντὶ ἐργασίμῳ δέρματι,
49en die plek op dat kleed of dat leer, op die geweven of geknoopte stof of op een of ander ding van leer, is groen(-) of roodachtig, dan is die plek melaats, en moet aan den priester worden getoond.
49καὶ γένηται ἡ ἁφή χλωρίζουσα ἢ πυρρίζουσα ἐν τῷ δέρματι, ἢ ἐν τῷ ἱματίῳ, ἢ ἐν τῷ στήμονι, ἢ ἐν τῇ κρόκῃ, ἢ ἐν παντὶ σκεύει ἐργασίμῳ δέρματος, ἁφὴ λέπρας ἐστί, καὶ δείξει τῷ ἱερεῖ.
50De priester moet die plek onderzoeken, en het besmette zeven dagen lang wegsluiten.
50καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφήν, καὶ ἀφοριεῖ ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν ἑπτὰ ἡμέρας.
51Op de zevende dag moet hij de plek opnieuw onderzoeken. Heeft deze plek zich op het kledingstuk, op de geweven of geknoopte stof, op het leer of op een of ander ding van leer verder verspreid, dan is het kwaadaardige melaatsheid; het besmette is onrein.
51καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ· ἐὰν δὲ διαχέηται ἡ ἁφὴ ἐν τῷ ἱματίῳ, ἢ ἐν τῷ στήμονι, ἢ ἐν τῇ κρόκῃ, ἢ ἐν τῷ δέρματι, κατὰ πάντα ὅσα ἐὰν ποιηθῇ δέρματα ἐν τῇ ἐργασίῳ, λέπρα ἔμμονός ἐστιν ἡ ἁφή, ἀκάθαρτός ἐστι.
52Hij moet het kleed, de geweven of geknoopte stof van wol of linnen, of het een of ander ding van leer, waarop de plek zit, verbranden. Want het is kwaadaardige melaatsheid; het ding moet in het vuur worden verbrand.
52κατακαύσει τὸ ἱμάτιον, ἢ τὸν στήμονα, ἢ τὴν κρόκην ἐν τοῖς ἐρέοις, ἢ ἐν τοῖς λινοῖς, ἢ ἐν παντὶ σκεύει δερματίνῳ, ἐν ᾧ ἂν ᾖ ἐν αὐτῷ ἡ ἁφή, ὅτι λέπρα ἔμμονός ἐστιν, ἐν πυρὶ κατακαυθήσεται.
53Maar zo de priester bemerkt, dat de plek zich op het kleed, de geweven of geknoopte stof, of op een of ander ding van leer niet verder heeft uitgebreid,
53ἐὰν δὲ ἴδῃ ὁ ἱερεύς, καὶ μὴ διαχέηται ἡ ἁφὴ ἐν τῷ ἱματίῳ, ἢ ἐν τῷ στήμονι, ἢ ἐν τῇ κρόκῃ, ἢ ἐν παντὶ σκεύει δερματίνῳ,
54dan moet de priester bevelen, het ding, waarop de plek zit, te wassen en het opnieuw zeven dagen lang wegsluiten.
54καὶ συντάξει ὁ ἱερεύς, καὶ πλυνεῖ ἐφ᾿ οὗ ἐὰν ᾖ ἐπ᾿ αὐτοῦ ἡ ἁφή, καὶ ἀφοριεῖ ὁ ἱερεὺς τὴν ἁφὴν ἑπτὰ ἡμέρας τὸ δεύτερον·
55Ziet de priester, dat de plek na de wassing van het besmette ding, niet is veranderd, dan is het onrein; ook al heeft die plek zich niet uitgebreid. Ge moet het verbranden; het is een voortkankerende melaatsheid aan de achter(-) of voorkant.
55καὶ ὄψεται ὁ ἱερεὺς μετὰ τὸ πλυθῦναι αὐτὸ τὴν ἁφήν, καὶ ἥδε οὐ μὴ μετέβαλεν ἡ ἁφὴ τὴν ὄψιν, καὶ ἡ ἁφὴ οὐ διαχεῖται, ἀκάθαρτόν ἐστιν, ἐν πυρὶ κατακαυθήσεται· ἐστήρικται ἐν τῷ ἱματίῳ, ἢ ἐν τῷ στήμονι, ἢ ἐν τῇ κρόκῃ.
56Ziet de priester, dat de besmette plek na de wassing dof is geworden, dan moet hij ze van het kleed, van het leer of van de geweven of geknoopte stof afscheuren.
56καὶ ἐὰν ἴδῃ ὁ ἱερεύς, καὶ ᾖ ἀμαυρὰ ἡ ἁφὴ μετὰ τὸ πλυθῆναι αὐτό, ἀπορρήξει αὐτὸ ἀπὸ τοῦ ἱματίου, ἢ ἀπὸ τοῦ στήμονος, ἢ ἀπὸ τῆς κρόκης, ἢ ἀπὸ τοῦ δέρματος.
57Verschijnt ze opnieuw op het kleed, op de geweven of geknoopte stof, of op een of ander leren ding, dan is het uitbarstende melaatsheid. Gij moet het ding, waarop de plek zit, verbranden.
57ἐὰν δὲ ὀφθῇ ἔτι ἐν τῷ ἱματίῳ, ἢ ἐν τῷ στήμονι, ἢ ἐν τῇ κρόκῃ, ἢ ἐν παντὶ σκεύει δερματίνῳ, λέπρα ἐξανθοῦσά ἐστιν· ἐν πυρὶ κατακαυθήσεται ἐν ᾧ ἐστιν ἡ ἁφή.
58Maar het kleed, de geweven of geknoopte stof of het een of ander ding van leer, waaruit de plek na wassing is verdwenen, moet opnieuw worden gewassen; dan is het rein.
58καὶ τὸ ἱμάτιον, ἢ ὁ στήμων, ἢ ἡ κρόκη, ἢ πᾶν σκεῦος δερμάτινον, ὃ πλυθήσεται, καὶ ἀποστήσεται ἀπ᾿ αὐτοῦ ἡ ἁφή, καὶ πλυθήσεται τὸ δεύτερον, καὶ καθαρὸν ἔσται.
59Dit is de wet op de melaatsheid van een wollen of linnen kleed, van geweven of geknoopte stof of van een of ander ding van leer. Ze dient om iets rein of onrein te verklaren.
59οὗτος ὁ νόμος ἁφῆς λέπρας ἱματίου ἐρέου, ἢ στυππυίνου, ἢ στήμονος, ἢ κρόκης, ἢ παντὸς σκεύους δερματίνου, εἰς τὸ καθαρίσαι αὐτό, ἢ μιᾶναι αὐτό.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.