Leviticus
Chapter 25
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Jahweh sprak op de berg Sinaï tot Moses:
1ΚΑΙ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν ἐν τῷ ὄρει Σινὰ λέγων·
2Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer ge in het land zijt gekomen, dat Ik u geven zal, dan moet ook het land ter ere van Jahweh sabbat houden.
2λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· ὅταν εἰσέλθητε εἰς τὴν γῆν, ἣν ἐγὼ δίδωμι ὑμῖν, καὶ ἀναπαύσεται ἡ γῆ, ἣν ἐγὼ δίδωμι ὑμῖν, σάββατα τῷ Κυρίῳ.
3Zes jaren kunt ge uw akker bezaaien, zes jaren uw wijngaard snoeien, en de opbrengst ervan inzamelen.
3ἓξ ἔτη σπερεῖς τὸν ἀγρόν σου καὶ ἓξ ἔτη τεμεῖς τὴν ἄμπελόν σου καὶ συνάξεις τὸν καρπὸν αὐτῆς.
4Maar in het zevende jaar moet het land volkomen rust houden, een sabbat ter ere van Jahweh; uw akker moogt ge dan niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien.
4τῷ δὲ ἔτει τῷ ἑβδόμῳ σάββατα, ἀνάπαυσις ἔσται τῇ γῇ, σάββατα τῷ Κυρίῳ· τὸν ἀγρόν σου οὐ σπερεῖς καὶ τὴν ἄμπελόν σου οὐ τεμεῖς,
5En wat vanzelf opschiet na de vorige oogst moogt ge niet oogsten, de druiven van uw ongesnoeide wijnstok niet plukken; het is een jaar van rust voor het land.
5καὶ τὰ αὐτόματα ἀναβαίνοντα τοῦ ἀγροῦ σου οὐκ ἐκθερίσεις καὶ τὴν σταφυλὴν τοῦ ἁγιάσματός σου οὐκ ἐκτρυγήσεις· ἐνιαυτὸς ἀναπαύσεως ἔσται τῇ γῇ.
6Wat tijdens de rust van het land vanzelf groeit, mag echter door u worden gegeten, door u, uw slaaf, uw slavin, uw dagloner, door den inboorling en vreemdeling onder u;
6καὶ ἔσται τὰ σάββατα τῆς γῆς βρώματά σοι. καὶ τῷ παιδί σου καὶ τῇ παιδίσκῃ σου καὶ τῷ μισθωτῷ σου καὶ τῷ παροίκῳ τῷ προσκειμένῳ πρὸς σὲ
7ook door het vee en het wild in uw land mag heel die opbrengst worden gegeten.
7καὶ τοῖς κτήνεσί σου, καὶ τοῖς θηρίοις τοῖς ἐν τῇ γῇ σου ἔσται πᾶν τό γένημα αὐτοῦ εἰς βρῶσιν.
8Bovendien moet gij zeven weken van jaren tellen, dus zeven maal zeven jaren, zodat ge een tijd van zeven jaarweken of negen en veertig jaren krijgt.
8Καὶ ἐξαριθμήσεις σεαυτῷ ἑπτὰ ἀναπαύσεις αὐτῶν, ἑπτὰ ἔτη ἑπτάκις, καὶ ἔσονταί σοι ἑπτά ἑβδομάδες ἐτῶν ἐννέα καὶ τεσσαράκοντα ἔτη.
9Dan moet ge op de tiende dag van de zevende maand bazuingeschal doen klinken; en op de verzoendag door heel uw land de bazuin laten schallen.
9καὶ διαγγελεῖτε σάλπιγγος φωνῇ ἐν πάσῃ τῇ γῇ ὑμῶν ἐν τῷ μηνὶ τῷ ἑβδόμῳ τῇ δεκάτῃ τοῦ μηνός· τῇ ἡμέρᾳ τοῦ ἱλασμοῦ διαγγελεῖτε σάλπιγγι ἐν πάσῃ τῇ γῇ ὑμῶν.
10Zo moet ge het vijftigste jaar heiligen! Ge moet in het land bevrijding afkondigen voor al zijn bewoners; het is een jubeljaar voor u, waarin ieder van u in zijn bezit moet worden hersteld en naar zijn familie kan terugkeren.
10καὶ ἁγιάσετε τὸ ἔτος τὸν πεντηκοστὸν ἐνιαυτὸν καὶ διαβοήσετε ἄφεσιν ἐπὶ τῆς γῆς πᾶσι τοῖς κατοικοῦσιν αὐτήν· ἐνιαυτὸς ἀφέσεως σημασία αὕτη ἔσται ὑμῖν, καὶ ἀπελεύσεται εἷς ἕκαστος εἰς τὴν κτῆσιν αὐτοῦ, καὶ ἕκαστος εἰς τὴν πατριὰν αὐτοῦ ἀπελεύσεσθε.
11Het vijftigste jaar is een jubeljaar voor u, waarin ge niet moogt zaaien, wat vanzelf opschiet niet oogsten, en van de ongesnoeide wijnstok niet plukken;
11ἀφέσεως σημασία αὕτη, τὸ ἔτος τὸ πεντηκοστὸν ἐνιαυτὸς ἔσται ὑμῖν· οὐ σπερεῖτε, οὐδὲ ἀμήσετε τὰ αὐτόματα ἀναβαίνοντα αὐτῆς, καὶ οὐ τρυγήσετε τὰ ἡγιασμένα αὐτῆς,
12want het is een jubeljaar, en het moet heilig voor u zijn. Maar wat op het veld vanzelf groeit, moogt ge opeten.
12ὅτι ἀφέσεως σημασία ἐστίν, ἅγιον ἔσται ὑμῖν, ἀπὸ τῶν πεδίων φάγεσθε τὰ γενήματα αὐτῆς.
13In dat jubeljaar moet ieder van u in zijn bezit worden hersteld.
13Ἐν τῷ ἔτει τῆς ἀφέσεως σημασίας αὐτῆς ἐπανελεύσεται ἕκαστος εἰς τὴν κτῆσιν αὐτοῦ.
14Wanneer ge dus iets aan een ander verkoopt of iets van hem koopt, moogt ge elkaar niet benadelen.
14ἐὰν δὲ ἀποδῷ πρᾶσιν τῷ πλησίον σου, ἐὰν δὲ καὶ κτήσῃ παρὰ τοῦ πλησίον σου, μὴ θλιβέτω ἄνθρωπος τὸν πλησίον·
15Naar het aantal jaren. dat het jubeljaar nog uitblijft, naar het aantal oogstjaren berekend, zult gij van een ander kopen, en zal hij ook aan u verkopen.
15κατά ἀριθμὸν ἐτῶν μετὰ τὴν σημασίαν κτήσῃ παρὰ τοῦ πλησίον, κατὰ ἀριθμὸν ἐνιαυτῶν γενημάτων ἀποδώσεταί σοι.
16Zijn het nog veel jaren, dan moet ge naar verhouding een hogere koopprijs geven, maar zijn het er nog slechts weinig, dan kunt ge die naar verhouding verminderen; want hij verkoopt u slechts het aantal oogsten.
16καθότι ἂν πλεῖον τῶν ἐτῶν, πληθυνεῖ τὴν κτῆσιν αὐτοῦ, καὶ καθότι ἂν ἔλαττον τῶν ἐτῶν, ἐλαττονώσει τὴν κτῆσιν αὐτοῦ, ὅτι ἀριθμὸν γενημάτων αὐτοῦ οὕτως ἀποδώσεταί σοι.
17Ge moogt dus elkaar niet benadelen, maar gij zult uw God vrezen. Want Ik ben Jahweh, uw God!
17μὴ θλιβέτω ἄνθρωπος τὸν πλησίον, καὶ φοβηθήσῃ Κύριον τὸν Θεόν σου· ἐγώ εἰμι Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
18Zo ge naar mijn wetten leeft, en mijn geboden onderhoudt en volbrengt, zult ge onbezorgd in het land wonen,
18καὶ ποιήσετε πάντα τὰ δικαιώματά μου καὶ πάσας τὰς κρίσεις μου καὶ φυλάξεσθε καὶ ποιήσετε αὐτὰ καὶ κατοικήσετε ἐπὶ τῆς γῆς πεποιθότες.
19en zal het u zijn vruchten geven, zodat ge volop kunt eten en er onbezorgd kunt wonen.
19καὶ δώσει ἡ γῆ τὰ ἐκφόρια αὐτῆς καὶ φάγεσθε εἰς πλησμονὴν καὶ κατοικήσετε πεποιθότες ἐπ᾿ αὐτῆς.
20En wanneer ge zegt: Wat zullen we in het zevende jaar eten, daar we niet mogen zaaien, noch oogsten?
20ἐὰν δὲ λέγητε, τί φαγόμεθα ἐν τῷ ἔτει τῷ ἑβδόμῳ τούτῳ, ἐὰν μὴ σπείρωμεν μηδὲ συναγάγωμεν τὰ γενήματα ἡμῶν;
21dan zal Ik in het zesde jaar zo mijn zegen over u uitstorten, dat het u een oogst voor drie jaren zal opleveren.
21καὶ ἀποστέλλω τὴν εὐλογίαν μου ὑμῖν ἐν τῷ ἔτει τῷ ἕκτῳ, καὶ ποιήσει τὰ γενήματα αὐτῆς εἰς τὰ τρία ἔτη.
22In het achtste jaar zult ge zaaien, en nog van de vorige oogst kunnen eten; tot de oogst van het negende jaar binnenkomt, zult ge nog van de vorige eten.
22καὶ σπερεῖτε τὸ ἔτος τὸ ὄγδοον καὶ φάγεσθε ἀπὸ τῶν γενημάτων παλαιὰ ἕως τοῦ ἔτους τοῦ ἐνάτου, ἕως ἂν ἔλθῃ τὸ γένημα αὐτῆς, φάγεσθε παλαιὰ παλαιῶν.
23Ook moogt ge de grond niet voorgoed verkopen; want de grond behoort Mij: gij zijt slechts vreemden en gasten bij Mij.
23καὶ ἡ γῆ οὐ πραθήσεται εἰς βεβαίωσιν. ἐμὴ γάρ ἐστιν ἡ γῆ, διότι προσήλυτοι καὶ πάροικοι ὑμεῖς ἐστε ἐναντίον μου·
24Daarom moet ge in heel het land, dat ge bezit, het recht van terugkoop van de grond laten gelden.
24καὶ κατὰ πᾶσαν γῆν κατασχέσεως ὑμῶν λύτρα δώσετε τῆς γῆς.
25Wanneer dus uw broeder is verarmd, zodat hij van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn naaste losser komen, en terugkopen, wat zijn broeder heeft verkocht.
25ἐὰν δὲ πένηται ὁ ἀδελφός σου ὁ μετὰ σοῦ καὶ ἀποδῶται ἀπὸ τῆς κατασχέσεως αὐτοῦ, καὶ ἔλθῃ ὁ ἀγχιστεύων ὁ ἐγγίζων αὐτῷ, καὶ λυτρώσεται τὴν πρᾶσιν τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ.
26Heeft iemand geen losser, maar kan hijzelf de middelen vinden, die voor de terugkoop nodig zijn,
26ἐὰν δὲ μὴ ᾖ τινι ὁ ἀγχιστεύων καὶ εὐπορηθῇ τῇ χειρὶ καὶ εὑρεθῇ αὐτῷ τὸ ἱκανὸν λύτρα αὐτοῦ,
27dan moet hij, de jaren sinds de verkoop in aanmerking nemend, de overige jaren vergoeden aan hem, wien hij verkocht; zo zal hij in zijn bezit worden hersteld.
27καὶ συλλογιεῖται τὰ ἔτη τῆς πράσεως αὐτοῦ καὶ ἀποδώσει ὃ ὑπερέχει τῷ ἀνθρώπῳ, ᾧ ἀπέδοτο αὐτὸ αὐτῷ, καὶ ἀπελεύσεται εἰς τὴν κατάσχεσιν αὐτοῦ.
28Wanneer hij geen voldoende middelen kan vinden, om hem te betalen, dan blijft het verkochte tot aan het jubeljaar in het bezit van den koper. Maar in het jubeljaar komt het vrij, en wordt hij weer in zijn bezit hersteld.
28ἐὰν δὲ μὴ εὐπορηθῇ αὐτοῦ ἡ χεὶρ τὸ ἱκανόν, ὥστε ἀποδοῦναι αὐτῷ, καὶ ἔσται ἡ πρᾶσις τῷ κτησαμένῳ αὐτὰ ἕως τοῦ ἕκτου ἔτους τῆς ἀφέσεως· καὶ ἐξελεύσεται ἐν τῇ ἀφέσει, καὶ ἀπελεύσεται εἰς τὴν κατάσχεσιν αὐτοῦ.
29Wanneer iemand een woonhuis in een ommuurde stad verkoopt, houdt hij het recht van terugkoop, tot er een jaar na de verkoop is verstreken; een jaar duurt dus het recht van terugkoop.
29Ἐὰν δέ τις ἀποδῶται οἰκίαν οἰκητὴν ἐν πόλει τετειχισμένῃ, καὶ ἔσται ἡ λύτρωσις αὐτῆς, ἕως πληρωθῇ ἐνιαυτὸς ἡμερῶν, ἔσται ἡ λύτρωσις αὐτῆς.
30Wanneer echter na een vol jaar een huis, dat in een ommuurde stad ligt, nog niet is teruggekocht, blijft het voorgoed het eigendom van den koper en zijn geslacht, en komt ook in het jubeljaar niet vrij.
30ἐὰν δὲ μὴ λυτρωθῇ ἕως ἂν πληρωθῇ αὐτῆς ἐνιαυτὸς ὅλος, κυρωθήσεται ἡ οἰκία ἡ οὖσα ἐν πόλει τῇ ἐχούσῃ τεῖχος βεβαίως τῷ κτησαμένῳ αὐτὴν εἰς τὰς γενεὰς αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἐξελεύσεται ἐν τῇ ἀφέσει.
31Maar huizen in dorpen, die niet door een muur zijn omringd, moeten tot het akkerland worden gerekend. Daarvoor is terugkoop altijd mogelijk, en in het jubeljaar komen zij vrij.
31αἱ δὲ οἰκίαι αἱ ἐν ἐπαύλεσιν, αἷς οὐκ ἔστιν ἐν αὐταῖς τεῖχος κύκλῳ, πρὸς τὸν ἀγρὸν τῆς γῆς λογισθήσονται· λυτρωταὶ διαπαντὸς ἔσονται καὶ ἐν τῇ ἀφέσει ἐξελεύσονται.
32De huizen die de levieten in de levietensteden bezitten, kunnen altijd door hen worden teruggekocht.
32καὶ αἱ πόλεις τῶν Λευιτῶν, οἰκίαι τῶν πόλεων κατασχέσεως αὐτῶν, λυτρωταὶ διαπαντὸς ἔσονται τοῖς Λευίταις·
33Koopt echter niemand der levieten het terug, dan komt het verkochte huis zo het in een stad ligt, die aan de levieten behoort, toch in het jubeljaar vrij. Want de huizen van de levietensteden blijven hun bezit te midden van de Israëlieten.
33καὶ ὃς ἂν λυτρώσηται παρὰ τῶν Λευιτῶν καὶ ἐξελεύσεται ἡ διάπρασις αὐτῶν οἰκιῶν πόλεως κατασχέσεως αὐτῶν ἐν τῇ ἀφέσει, ὅτι οἰκίαι τῶν πόλεων τῶν Λευιτῶν κατάσχεσις αὐτῶν ἐν μέσῳ υἱῶν Ἰσραήλ.
34De weidegrond, die tot hun steden behoort, mag niet worden verkocht, want die vormt voor hen een onvervreemdbaar bezit.
34καὶ οἱ ἀγροὶ ἀφωρισμένοι ταῖς πόλεσιν αὐτῶν οὐ πραθήσονται, ὅτι κατάσχεσις αἰωνία τοῦτο αὐτῶν ἐστιν.
35Wanneer uw broeder, die bij u woont, verarmt en in nood raakt, moet ge hem ondersteunen, zodat hij bij u kan leven, evengoed als een vreemdeling of een inboorling.
35Ἐὰν δὲ πένηται ὁ ἀδελφός σου ὁ μετὰ σοῦ καὶ ἀδυνατήσῃ ταῖς χερσὶ παρὰ σοί, ἀντιλήψῃ αὐτοῦ ὡς προσηλύτου καὶ παροίκου καὶ ζήσεται ὁ ἀδελφός σου μετὰ σοῦ.
36Ge moogt geen rente of woekerwinst van hem nemen; maar ge zult uw God vrezen, en uw broeder bij u laten leven.
36οὐ λήψῃ παρ᾿ αὐτοῦ τόκον, οὐδὲ ἐπὶ πλήθει· καὶ φοβηθήσῃ τὸν Θεόν σου, ἐγὼ Κύριος, καὶ ζήσεται ὁ ἀδελφός σου μετὰ σοῦ.
37Geef uw geld niet tegen rente, en leg geen woekerwinst op levensmiddelen.
37τὸ ἀργύριόν σου οὐ δώσεις αὐτῷ ἐπὶ τόκῳ καὶ ἐπὶ πλεονασμῷ οὐ δώσεις αὐτῷ τὰ βρώματά σου.
38Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, om u het land Kanaän te geven, en uw God te zijn.
38ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν, ὁ ἐξαγαγὼν ὑμᾶς ἐκ γῆς Αἰγύπτου, δοῦναι ὑμῖν τὴν γῆν Χαναάν, ὥστε εἶναι ὑμῶν Θεός.
39Wanneer uw broeder, die bij u woont, zo is verarmd, dat hij zich als slaaf aan u heeft verkocht, moogt ge hem toch geen slavendienst laten verrichten,
39Ἐὰν δὲ ταπεινωθῇ ὁ ἀδελφός σου παρὰ σοί, καὶ πραθῇ σοι, οὐ δουλεύσει σοι δουλείαν οἰκέτου·
40maar moet hij als een loonarbeider, of een inboorling bij u blijven. Tot het jubeljaar zal hij dus bij u in dienst zijn,
40ὡς μισθωτὸς ἢ πάροικος ἔσται σοι, ἕως τοῦ ἔτους τῆς ἀφέσεως ἐργᾶται παρὰ σοί,
41dan zal hij met zijn zonen vrij van u heengaan, naar zijn familie terugkeren en in zijn vaderlijk bezit worden hersteld.
41καὶ ἐξελεύσεται τῇ ἀφέσει καὶ τὰ τέκνα αὐτοῦ μετ᾿ αὐτοῦ καὶ ἀπελεύσεται εἰς τὴν γενεὰν αὐτοῦ, εἰς τὴν κατάσχεσιν τὴν πατρικὴν ἀποδραμεῖται,
42Want ze zijn mijn dienaars, die Ik uit Egypte heb geleid; zij mogen dus niet als slaven worden verkocht.
42διότι οἰκέται μού εἰσιν οὗτοι, οὓς ἐξήγαγον ἐκ γῆς Αἰγύπτου· οὐ πραθήσεται ἐν πράσει οἰκέτου.
43Behandel hen niet met hardheid, maar vrees uw God.
43οὐ κατατενεῖς αὐτὸν ἐν τῷ μόχθῳ, καὶ φοβηθήσῃ Κύριον τὸν Θεόν σου.
44Uw slaven en slavinnen, die uw eigendom zullen zijn, kunt ge u kopen uit de volken, die u omringen.
44καὶ παῖς καὶ παιδίσκη, ὅσοι ἂν γένωνταί σοι ἀπὸ τῶν ἐθνῶν, ὅσοι κύκλῳ σού εἰσιν, ἀπ᾿ αὐτῶν κτήσεσθε δοῦλον καὶ δούλην·
45Ook van de kinderen der inboorlingen, die onder u wonen, kunt ge er kopen, en uit hun families, die ze bij u in het land hebben verwekt. Dezen zullen uw eigendom zijn,
45καὶ ἀπὸ τῶν υἱῶν τῶν παροίκων τῶν ὄντων ἐν ὑμῖν, ἀπὸ τούτων κτήσεσθε καὶ ἀπὸ τῶν συγγενῶν αὐτῶν, ὅσοι ἂν γένωνται ἐν γῇ ὑμῶν, ἔστωσαν ὑμῖν εἰς κατάσχεσιν.
46en gij kunt ze aan uw zonen vermaken als erfelijk bezit. Hen moogt ge voor altijd slavendienst laten verrichten; maar de Israëlieten, uw broeders, moogt ge niet met hardheid behandelen.
46καὶ καταμεριεῖτε αὐτοὺς τοῖς τέκνοις ὑμῶν μεθ᾿ ὑμᾶς, καὶ ἔσονται ὑμῖν κατόχιμοι εἰς τὸν αἰῶνα· τῶν δὲ ἀδελφῶν ὑμῶν τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, ἕκαστος τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ οὐ κατατενεῖ αὐτὸν ἐν τοῖς μόχθοις.
47Wanneer een vreemdeling of een inboorling rijk wordt, en uw broeder daarentegen, die bij hem woont, zo verarmt, dat hij zich aan den vreemdeling, den inboorling of aan iemand van hun familie moet verkopen,
47Ἐὰν δὲ εὕρῃ ἡ χεὶρ τοῦ προσηλύτου ἢ τοῦ παροίκου τοῦ παρὰ σοί, καὶ ἀπορηθεὶς ὁ ἀδελφός σου πραθῇ τῷ προσηλύτῳ ᾒ τῷ παροίκῳ τῷ παρὰ σοὶ ἢ ἐκ γενετῆς προσηλύτῳ,
48dan heeft hij, nadat hij zich heeft verkocht, het recht van vrijkoop. Een van zijn broers kan hem loskopen,
48μετὰ τὸ πραθῆναι αὐτῷ, λύτρωσις ἔσται αὐτοῦ· εἷς τῶν ἀδελφῶν αὐτοῦ λυτρώσεται αὐτόν.
49of iemand van zijn familie, zijn oom, zijn neef of een van zijn naaste bloedverwanten. Of zo hij de middelen heeft, kan hij zichzelf loskopen.
49ἀδελφὸς πατρὸς αὐτοῦ ἢ υἱὸς ἀδελφοῦ πατρὸς λυτρώσεται αὐτὸν ἢ ἀπὸ τῶν οἰκείων τῶν σαρκῶν αὐτοῦ, ἐκ τῆς φυλῆς αὐτοῦ, λυτροῦται αὐτόν· ἐὰν δὲ εὐπορηθεὶς ταῖς χερσὶ λυτρῶται ἑαυτόν,
50Hij moet dan met den koper de tijd berekenen van het jaar af, dat hij zich aan hem heeft verkocht, tot aan het jubeljaar, en de som, waarvoor hij zich wil terugkopen, moet in verhouding staan tot dat aantal jaren: de tijd, dat hij bij hem bleef, moet berekend worden als die van een loonarbeider.
50καὶ συλλογιεῖται πρὸς τὸν κεκτημένον αὐτὸν ἀπὸ τοῦ ἔτους, οὗ ἀπέδοτο ἑαυτὸν αὐτῷ ἕως τοῦ ἐνιαυτοῦ τῆς ἀφέσεως, καὶ ἔσται τὸ ἀργύριον τῆς πράσεως αὐτοῦ ὡς μισθίου· ἔτος ἐξ ἔτους ἔσται μετ᾿ αὐτοῦ.
51Zo het nog veel jaren zijn, moet hij een evenredig bedrag van de koopsom als losgeld terugbetalen.
51ἐὰν δέ τινι πλεῖον τῶν ἐτῶν ᾖ, πρὸς ταῦτα ἀποδώσει τὰ λύτρα αὐτοῦ ἀπὸ τοῦ ἀργυρίου τῆς πράσεως αὐτοῦ·
52Zo er nog maar weinig jaren over zijn tot aan het jubeljaar, moet hij ze eveneens berekenen, en naar verhouding van zijn jaren het losgeld betalen.
52ἐὰν δὲ ὀλίγον καταλειφθῇ ἀπὸ τῶν ἐτῶν εἰς τὸν ἐνιαυτὸν τῆς ἀφέσεως, καὶ συλλογιεῖται αὐτῷ κατὰ τὰ ἔτη αὐτοῦ, καὶ ἀποδώσει τὰ λύτρα αὐτοῦ.
53Hij zal dus bij hem zijn als iemand die per jaar voor loon arbeidt, en door den ander onder uw ogen niet met hardheid worden behandeld.
53ὡς μισθωτὸς ἐνιαυτὸν ἐξ ἐνιαυτοῦ ἔσται μετ᾿ αὐτοῦ· οὐ κατατενεῖς αὐτὸν ἐν τῷ μόχθῳ ἐνώπιόν σου.
54Maar ook als hij niet op deze manier wordt vrijgekocht, zal hij toch met zijn zonen in het jubeljaar vrijkomen.
54ἐὰν δὲ μὴ λυτρῶται κατὰ ταῦτα, ἐξελεύσεται ἐν τῷ ἔτει τῆς ἀφέσεως αὐτὸς καὶ τὰ παιδία αὐτοῦ μετ᾿ αὐτοῦ·
55Want de kinderen Israëls zijn mijn dienaren; mijn slaven zijn het, die Ik uit het land van Egypte heb geleid. Ik ben Jahweh, uw God!
55ὅτι ἐμοὶ οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ οἰκέται εἰσί, παῖδές μου οὗτοί εἰσιν, οὓς ἐξήγαγον ἐκ γῆς Αἰγύπτου· ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.