Leviticus 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wanneer iemand zondigt, door geen verklaring af te leggen, als hij onder bedreiging met vloek wordt opgeroepen, ofschoon hij als getuige kan optreden, omdat hij het zelf heeft gezien of er kennis van heeft gekregen, dan laadt hij schuld op zich.
1ΕΑΝ δὲ ψυχὴ ἁμάρτῃ, καὶ ἀκούσῃ φωνὴν ὁρκισμοῦ, καὶ οὗτος μάρτυς, ἢ ἑώρακεν, ἢ σύνοιδεν, ἐὰν μὴ ἀπαγγείλῃ, λήψεται τὴν ἁμαρτίαν.
2Of wanneer iemand onbewust iets onreins aanraakt, hetzij het kreng van een onrein wild dier, van een stuk onrein vee of van onrein gedierte, dan is hij toch onrein en laadt hij schuld op zich.
2ἡ ψυχὴ ἐκείνη, ἥτις ἐὰν ἅψηται παντὸς πράγματος ἀκαθάρτου, ἢ θνησιμαίου, ἢ θηριαλώτου ἀκαθάρτου, ἢ τῶν θνησιμαίων βδελυγμάτων τῶν ἀκαθάρτων, ἢ τῶν θνησιμαίων κτηνῶν τῶν ἀκαθάρτων,
3Of wanneer iemand onbewust de onreinheid van een mens aanraakt, wat dan ook, iets, waardoor men onrein wordt, maar het wordt hem later bekend, dan is hij schuldig.
3ἢ ἅψηται ἀπὸ ἀκαθαρσίας ἀνθρώπου, ἀπὸ πάσης ἀκαθαρσίας αὐτοῦ, ἧς ἂν ἁψάμενος μιανθῇ, καί ἔλαθεν αὐτόν, μετὰ τοῦτο δὲ γνῷ, καὶ πλημμελήσῃ·
4Of wanneer iemand onbewust lichtvaardig zweert iets kwaads of iets goeds te zullen doen, dus al wat een mens ook maar lichtvaardig kan zweren, maar het wordt hem later bekend, dan laadt hij in beide gevallen schuld op zich.
4ἡ ψυχή, ἣ ἂν ὀμόσῃ διαστέλλουσα τοῖς χείλεσι κακοποιῆσαι ἢ καλῶς ποιῆσαι κατὰ πάντα, ὅσα ἐὰν διαστείλῃ ὁ ἄνθρωπος μεθ᾿ ὅρκου, καὶ λάθῃ αὐτὸν πρὸ ὀφθαλμῶν, καὶ οὗτος γνῷ, καὶ ἁμάρτῃ ἕν τι τούτων,
5Wanneer hij dan door een dezer dingen schuld op zich heeft geladen, moet hij zijn zonde bekennen,
5καὶ ἐξαγορεύσει τὴν ἁμαρτίαν, περὶ ὧν ἡμάρτηκε κατ᾿ αὐτῆς,
6en als boete voor de begane misslag als zijn zondeoffer aan Jahweh een wijfje uit het kleinvee offeren, een lam of een geitje. Zo zal de priester voor hem verzoening voor zijn zonde verkrijgen, en zal hem vergiffenis worden geschonken.
6καὶ οἴσει περὶ ὧν ἐπλημμέλησε Κυρίῳ, περὶ τῆς ἁμαρτίας ἧς ἥμαρτε, θῆλυ ἀπὸ τῶν προβάτων, ἀμνάδα ἢ χίμαιραν ἐξ αἰγῶν, περὶ ἁμαρτίας· καὶ ἐξιλάσεται περὶ αὐτοῦ ὁ ἱερεὺς περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ, ἧς ἥμαρτε, καὶ ἀφεθήσεται αὐτῷ ἡ ἁμαρτία.
7Maar wanneer iemand de kosten voor een stuk kleinvee niet kan opbrengen, moet hij als zijn zondeoffer, voor wat hij misdeed, twee tortels of twee jonge duiven aan Jahweh offeren; de een als zondeoffer, de ander als brandoffer.
7Ἐὰν δὲ μὴ ἰσχύῃ ἡ χεὶρ αὐτοῦ τὸ ἱκανὸν εἰς τὸ πρόβατον, οἴσει περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ, ἧς ἥμαρτε, δύο τρυγόνας, ἢ δύο νεοσσοὺς περιστερῶν Κυρίῳ, ἕνα περὶ ἁμαρτίας καὶ ἕνα εἰς ὁλοκαύτωμα.
8Hij moet ze naar den priester brengen, en deze moet eerst de ene offeren, die voor het zondeoffer is bestemd. Hij moet ze de kop vlak bij de nek afknijpen, maar zonder die er helemaal af te trekken.
8καὶ οἴσει αὐτὰ πρὸς τὸν ἱερέα, καὶ προσάξει ὁ ἱερεὺς τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας πρότερον· καὶ ἀποκνίσει ὁ ἱερεὺς τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ ἀπὸ τοῦ σφονδύλου, καὶ οὐ διελεῖ·
9Een weinig bloed van het zondeoffer moet hij tegen de zijde van het altaar sprenkelen, en de rest van het bloed moet tegen het voetstuk van het altaar worden uitgeperst; dit is het zondeoffer.
9καὶ ρανεῖ ἀπὸ τοῦ αἵματος τοῦ περὶ τῆς ἁμαρτίας ἐπὶ τὸν τοῖχον τοῦ θυσιαστηρίου, τὸ δὲ κατάλοιπον τοῦ αἵματος καταστραγγιεῖ ἐπὶ τὴν βάσιν τοῦ θυσιαστηρίου· ἁμαρτία γάρ ἐστι.
10De andere moet hij volgens de vastgestelde regels als brandoffer opdragen. Zo zal de priester voor hem verzoening voor zijn zonde verkrijgen, en zal hem vergiffenis worden geschonken.
10καὶ τὸ δεύτερον ποιήσει ὁλοκάρπωμα, ὡς καθήκει. καὶ ἐξιλάσεται ὁ ἱερεὺς περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ, ἧς ἥμαρτε, καὶ ἀφεθήσεται αὐτῷ.
11En wanneer iemand ook de kosten voor twee tortels of voor twee jonge duiven niet kan opbrengen, moet hij als zijn zondeoffer, voor hetgeen hij misdeed, een tiende efa meelbloem offeren. Hij mag er geen olie op doen, en geen wierook aan toevoegen; want het is een zondeoffer.
11ἐὰν δὲ μὴ εὑρίσκῃ ἡ χεὶρ αὐτοῦ ζεῦγος τρυγόνων, ἢ δύο νεοσσοὺς περιστερῶν, καὶ οἴσει τὸ δῶρον αὐτοῦ, περὶ οὗ ἥμαρτε, τὸ δέκατον τοῦ οἰφὶ σεμιδάλεως περὶ ἁμαρτίας· οὐκ ἐπιχεεῖ ἐπ᾿ αὐτὸ ἔλαιον, οὐδὲ ἐπιθήσει ἐπ᾿ αὐτῷ λίβανον, ὅτι περὶ ἁμαρτίας ἐστί·
12Hij moet het naar den priester brengen; de priester zal er een handvol als reukoffer afnemen, en het tegelijk met de vuuroffers voor Jahweh op het altaar in rook doen opgaan. Dit is het zondeoffer.
12καὶ οἴσει αὐτὸ πρὸς τὸν ἱερέα. καὶ δραξάμενος ὁ ἱερεὺς ἀπ᾿ αὐτῆς πλήρη τὴν δράκα, τὸ μνημόσυνον αὐτῆς ἐπιθήσει ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον τῶν ὁλοκαυτωμάτων Κυρίῳ· ἁμαρτία ἐστί.
13Zo zal de priester voor hem verzoening voor zijn zonde verkrijgen, die hij tegen een dezer punten bedreef en zal hem vergiffenis worden geschonken. De rest zal voor den priester zijn, zoals bij het spijsoffer.
13καὶ ἐξιλάσεται περὶ αὐτοῦ ὁ ἱερεὺς περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ, ἧς ἥμαρτεν, ἀφ᾿ ἑνὸς τούτων, καὶ ἀφεθήσεται αὐτῷ. τὸ δὲ καταλειφθὲν ἔσται τῷ ἱερεῖ, ὡς ἡ θυσία τῆς σεμιδάλεως.
14Jahweh sprak tot Moses:
14Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν, λέγων·
15Wanneer iemand zich vergrijpt en zonder opzet zich iets toeëigent van wat aan Jahweh is gewijd, dan moet hij voor zijn schuld Jahweh de waarde van een gaven ram uit het kleinvee als zijn schuldoffer brengen, geschat in zilveren sikkels volgens het heilige gewicht;
15ψυχὴ ἣ ἂν λάθῃ αὐτὸν λήθῃ καὶ ἁμάρτῃ ἀκουσίως ἀπὸ τῶν ἁγίων Κυρίου, καὶ οἴσει τῆς πλημμελείας αὐτοῦ τῷ Κυρίῳ κριὸν ἄμωμον ἐκ τῶν προβάτων, τιμῆς ἀργυρίου σίκλων, τῷ σίκλῳ τῶν ἁγίων, περὶ οὗ ἐπλημμέλησε.
16bovendien moet hij vergoeden wat hij zich van de heilige gaven had toegeëigend, en er nog het vijfde gedeelte aan toevoegen. Dat moet hij aan den priester geven. Zo zal de priester door den ram van het schuldoffer verzoening voor hem verkrijgen, en zal hem vergiffenis worden geschonken.
16καὶ ὃ ἥμαρτεν ἀπὸ τῶν ἁγίων ἀποτίσει αὐτό. καὶ τὸ ἐπίπεμπτον προσθήσει ἐπ᾿ αὐτὸ καὶ δώσει αὐτὸ τῷ ἱερεῖ· καὶ ὁ ἱερεὺς ἐξιλάσεται περὶ αὐτοῦ ἐν τῷ κριῷ τῆς πλημμελείας, καὶ ἀφεθήσεται αὐτῷ.
17Wanneer iemand onbewust zondigt, en iets doet, wat Jahweh verboden heeft, is hij toch schuldig en moet hij zijn straf dragen.
17Καὶ ἡ ψυχὴ ἣ ἂν ἁμάρτῃ καὶ ποιήσῃ μίαν ἀπὸ πασῶν τῶν ἐντολῶν Κυρίου, ὧν οὐ δεῖ ποιεῖν, καὶ οὐκ ἔγνω, καὶ πλημμελήσῃ καὶ λάβῃ τὴν ἁμαρτίαν,
18Hij moet de waarde van een gaven ram uit het kleinvee als een schuldoffer naar den priester brengen. De priester zal verzoening voor hem verkrijgen voor wat hij zonder opzet en onbewust misdeed, en hem zal vergiffenis worden geschonken.
18καὶ οἴσει κριὸν ἄμωμον ἐκ τῶν προβάτων, τιμῆς ἀργυρίου εἰς πλημμέλειαν πρὸς τὸν ἱερέα. καὶ ἐξιλάσεται περὶ αὐτοῦ ὁ ἱερεὺς περὶ τῆς ἀγνοίας αὐτοῦ, ἧς ἠγνόησε, καὶ αὐτὸς οὐκ ᾔδει, καὶ ἀφεθήσεται αὐτῷ·
19Het is een schuldoffer; want tegenover Jahweh heeft hij een zware schuld op zich geladen.
19ἐπλημμέλησε γὰρ πλημμελείᾳ ἔναντι Κυρίου.
no verse 20 in this text
20Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
no verse 21 in this text
21ψυχὴ ἣ ἐὰν ἁμάρτῃ καὶ παριδὼν παρίδῃ τὰς ἐντολὰς Κυρίου καὶ ψεύσηται τὰ πρὸς τὸν πλησίον ἐν παραθήκῃ ἢ περὶ κοινωνίας ἢ περὶ ἁρπαγῆς ἢ ἠδίκησέ τι τὸν πλησίον
no verse 22 in this text
22ἢ εὗρεν ἀπώλειαν καὶ ψεύσηται περὶ αὐτῆς καὶ ὀμόσῃ ἀδίκως περὶ ἑνὸς ἀπὸ πάντων, ὧν ἐὰν ποιήσῃ ὁ ἄνθρωπος, ὥστε ἁμαρτεῖν ἐν τούτοις,
no verse 23 in this text
23καὶ ἔσται ἡνίκα ἐὰν ἁμάρτῃ καὶ πλημμελήσῃ, καὶ ἀποδῷ τὸ ἅρπαγμα, ὃ ἥρπασεν, ἢ τὸ ἀδίκημα, ὃ ἠδίκησεν, ἢ τὴν παραθήκην, ἥτις παρετέθη αὐτῷ, ἢ τὴν ἀπώλειαν, ἣν εὗρεν,
no verse 24 in this text
24ἀπὸ παντὸς πράγματος, οὗ ὤμοσε περὶ αὐτοῦ ἀδίκως, καὶ ἀποτίσει αὐτὸ τὸ κεφάλαιον καὶ τὸ ἐπίπεμπτον προσθήσει ἐπ᾿ αὐτό· τίνος ἐστίν, αὐτῷ ἀποδώσει ᾗ ἡμέρᾳ ἐλεγχθῇ.
no verse 25 in this text
25καὶ τῆς πλημμελείας αὐτοῦ οἴσει τῷ Κυρίῳ κριὸν ἀπὸ τῶν προβάτων ἄμωμον, τιμῆς, εἰς ὃ ἐπλημμέλησε.
no verse 26 in this text
26καὶ ἐξιλάσεται περὶ αὐτοῦ ὁ ἱερεὺς ἔναντι Κυρίου, καὶ ἀφεθήσεται αὐτῷ περὶ ἑνὸς ἀπὸ πάντων, ὧν ἐποίησε καὶ ἐπλημμέλησεν αὐτῷ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.