Leviticus 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Dit is de wet op het schuldoffer: het is hoogheilig.
1ΚΑΙ οὗτος ὁ νόμος τοῦ κριοῦ τοῦ περὶ τῆς πλημμελείας· ἅγια ἁγίων ἐστίν.
2Op de plaats, waar men het brandoffer slacht, moet men ook het schuldoffer slachten; en de priester moet het altaar aan alle kanten met zijn bloed besprenkelen.
2ἐν τόπῳ οὗ σφάζουσι τὸ ὁλοκαύτωμα, σφάξουσι τὸν κριὸν τῆς πλημμελείας ἔναντι Κυρίου, καὶ τὸ αἷμα προσχεεῖ ἐπὶ τὴν βάσιν τοῦ θυσιαστηρίου κύκλῳ.
3Alle vetdelen ervan moet hij offeren: het staartvet met het vet, dat de ingewanden bedekt;
3καὶ πᾶν τὸ στέαρ αὐτοῦ προσοίσει ἀπ᾿ αὐτοῦ, καὶ τὴν ὀσφὺν καὶ πᾶν τὸ στέαρ τὸ κατακαλύπτον τὰ ἐνδόσθια καὶ πᾶν τὸ στέαρ τὸ ἐπὶ τῶν ἐνδοσθίων
4de beide nieren met het vet, dat daaromheen in de lenden zit; de kwab aan de lever, die met de nieren moet worden weggenomen.
4καὶ τοὺς δύο νεφροὺς καὶ τὸ στέαρ τὸ ἐπ᾿ αὐτῶν, τὸ ἐπὶ τῶν μηρίων, καὶ τὸν λοβὸν τὸν ἐπὶ τοῦ ἥπατος σὺν τοῖς νεφροῖς, περιελεῖ αὐτά,
5De priester moet het op het altaar in rook doen opgaan als een vuuroffer voor Jahweh; het is een schuldoffer.
5καὶ ἀνοίσει αὐτὰ ὁ ἱερεὺς ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον κάρπωμα τῷ Κυρίῳ· περὶ πλημμελείας ἐστί.
6Alle mannen onder de priesters mogen het eten; op een heilige plaats moet het worden genuttigd; want het is hoogheilig.
6πᾶς ἄρσην ἐκ τῶν ἱερέων ἔδεται αὐτά, ἐν τόπῳ ἁγίῳ ἔδονται αὐτά· ἅγια ἁγίων ἐστίν.
7Voor het zonde(-) en het schuldoffer geldt dezelfde wet; het zal den priester behoren, die er de verzoeningsplechtigheid mee verricht.
7ὥσπερ τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας, οὕτω καὶ τὸ τῆς πλημμελείας, νόμος εἷς αὐτῶν· ὁ ἱερεὺς ὅστις ἐξιλάσσεται ἐν αὐτῷ, αὐτῷ ἔσται.
8Ook de huid van iemands brandoffer is voor den priester, die het opdraagt.
8καὶ ὁ ἱερεὺς ὁ προσάγων ὁλοκαύτωμα ἀνθρώπου, τὸ δέρμα τῆς ὁλοκαυτώσεως, ἧς προσφέρει αὐτός, αὐτῷ ἔσται.
9Elk spijsoffer, dat in de oven is gebakken of in een pot of pan is bereid, komt den priester toe, die het opdraagt.
9καὶ πᾶσα θυσία, ἥτις ποιηθήσεται ἐν τῷ κλιβάνῳ, καὶ πᾶσα, ἥτις ποιηθήσεται ἐπ᾿ ἐσχάρας ἢ ἐπὶ τηγάνου, τοῦ ἱερέως τοῦ προσφέροντος αὐτήν, αὐτῷ ἔσται.
10Maar op alle andere spijsoffers, hetzij ze met olie zijn gemengd of droog zijn, hebben alle zonen van Aäron evenveel recht.
10καὶ πᾶσα θυσία ἀναπεποιημένη ἐν ἐλαίῳ καὶ μὴ ἀναπεποιημένη πᾶσι τοῖς υἱοῖς Ἀαρὼν ἔσται, ἑκάστῳ τὸ ἴσον.
11Dit is de wet op de vredeoffers, die men aan Jahweh opdraagt.
11Οὗτος ὁ νόμος θυσίας σωτηρίου, ἣν προσοίσουσι Κυρίῳ.
12Wanneer iemand zijn gave uit dankbaarheid brengt, moet hij bij het dankoffer ongedesemde koeken voegen, gemengd met olie, ongedesemde vlaas met olie bestreken, en meelbloem met olie aangemaakt.
12ἐὰν μὲν περὶ αἰνέσεως προσφέρῃ αὐτήν, καὶ προσοίσει ἐπὶ τῆς θυσίας τῆς αἰνέσεως ἄρτους ἐκ σεμιδάλεως ἀναπεποιημένους ἐν ἐλαίῳ, λάγανα ἄζυμα διακεχρισμένα ἐν ἐλαίῳ καὶ σεμίδαλιν πεφυραμένην ἐν ἐλαίῳ·
13Bij zijn vredeoffer uit dankbaarheid moet hij koeken van gedesemd brood als offergave voegen.
13ἐπ᾿ ἄρτοις ζυμίταις προσοίσει τὰ δῶρα αὐτοῦ ἐπὶ θυσίᾳ αἰνέσεως σωτηρίου.
14Van al deze soorten van offergaven moet hij Jahweh één stuk als hefoffer brengen; het zal voor den priester zijn, die het bloed van het vredeoffer sprenkelt.
14καὶ προσάξει ἓν ἀπὸ πάντων τῶν δώρων αὐτοῦ, ἀφαίρεμα Κυρίῳ. τῷ ἱερεῖ τῷ προσχέοντι τὸ αἷμα τοῦ σωτηρίου, αὐτῷ ἔσται.
15Het vlees van zijn vredeoffer uit dankbaarheid gebracht moet op de dag, dat het geofferd wordt, worden gegeten; niets daarvan mag tot de volgende morgen worden bewaard.
15καὶ τὰ κρέα θυσίας αἰνέσεως σωτηρίου αὐτῷ ἔσται, καὶ ἐν ᾗ ἡμέρᾳ δωρεῖται, βρωθήσεται· οὐ καταλείψουσιν ἀπ᾿ αὐτοῦ εἰς τὸ πρωΐ.
16Wanneer iemand een slachtoffer als geloftegave of als vrijwillige gave brengt, dan moet wel het slachtoffer op de dag van de offerande worden genuttigd; maar wat overblijft mag ook de volgende dag nog worden gegeten;
16καὶ ἐὰν εὐχὴ ᾖ, ἢ ἑκούσιον θυσιάζῃ τὸ δῶρον αὐτοῦ, ᾗ ἂν ἡμέρᾳ προσαγάγῃ τὴν θυσίαν αὐτοῦ, βρωθήσεται, καὶ τῇ αὔριον·
17wat op de derde dag nog over is van het offervlees, moet in het vuur worden verbrand.
17καὶ τὸ καταλειφθὲν ἀπὸ τῶν κρεῶν τῆς θυσίας ἕως ἡμέρας τρίτης, ἐν πυρὶ κατακαυθήσεται.
18Wanneer op de derde dag nog van het vlees van het vredeoffer wordt gegeten, komt het hem, die het heeft gebracht, niet ten goede, en wordt het hem niet toegerekend; integendeel dan is het onrein, en iedereen, die ervan eet, belaadt zich met schuld.
18ἐὰν δὲ φαγὼν φάγῃ ἀπὸ τῶν κρεῶν τῇ ἡμέρᾳ τῇ τρίτῃ, οὐ δεχθήσεται αὐτῷ τῷ προσφέροντι αὐτό, οὐ λογισθήσεται αὐτῷ, μίασμά ἐστιν· ἡ δὲ ψυχή, ἥτις ἐὰν φάγῃ ἀπ᾿ αὐτοῦ, τὴν ἁμαρτίαν λήψεται.
19Ook als het vlees met iets onreins in aanraking komt, mag het niet meer worden gegeten, maar moet het worden verbrand. Iedereen, die rein is, mag het vlees van het vredeoffer eten.
19καὶ κρέα ὅσα ἐὰν ἅψηται παντὸς ἀκαθάρτου, οὐ βρωθήσεται, ἐν πυρὶ κατακαυθήσεται. πᾶς καθαρὸς φάγεται κρέα.
20Maar iedereen, die het vlees van het vredeoffer van Jahweh eet, terwijl hij onrein is, zal van zijn volk worden afgesneden.
20ἡ δὲ ψυχή, ἥτις ἐὰν φάγῃ ἀπὸ τῶν κρεῶν τῆς θυσίας τοῦ σωτηρίου, ὅ ἐστι Κυρίου, καὶ ἡ ἀκαθαρσία αὐτοῦ ἐπ᾿ αὐτῷ, ἀπολεῖται ἡ ψυχὴ ἐκείνη ἐκ τοῦ λαοῦ αὐτῆς.
21Eveneens zal iedereen, die iets onreins heeft aangeraakt, iets onreins van een mens of onrein vee of welk onrein gedierte ook, en die toch van het vlees van het vredeoffer van Jahweh eet, van zijn volk worden afgesneden.
21καὶ ψυχή, ἣ ἂν ἅψηται παντὸς πράγματος ἀκαθάρτου, ἢ ἀπὸ ἀκαθαρσίας ἀνθρώπου, ἢ τῶν τετραπόδων τῶν ἀκαθάρτων, ἢ παντὸς βδελύγματος ἀκαθάρτου, καὶ φάγῃ ἀπὸ τῶν κρεῶν τῆς θυσίας τοῦ σωτηρίου, ὅ ἐστι Κυρίου, ἀπολεῖται ἡ ψυχὴ ἐκείνη ἐκ τοῦ λαοῦ αὐτῆς.
22Jahweh sprak tot Moses:
22Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
23Zeg aan de Israëlieten: Het vet van een rund, van een schaap of geit moogt ge niet eten;
23λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ λέγων· πᾶν στέαρ βοῶν, καὶ προβάτων, καὶ αἰγῶν οὐκ ἔδεσθε.
24het vet van een gestorven of verscheurd dier mag voor alles worden gebruikt, maar ge moogt het niet eten.
24καὶ στέαρ θνησιμαίων καὶ θηριαλώτων ποιηθήσεται εἰς πᾶν ἔργον, καὶ εἰς βρῶσιν οὐ βρωθήσεται.
25Want iedereen, die het vet van runderen eet, die men als vuuroffers aan Jahweh kan brengen, zal van zijn volk worden afgesneden.
25πᾶς ὁ ἔσθων στέαρ ἀπὸ τῶν κτηνῶν, ὧν προσάξει ἀπ᾿ αὐτῶν κάρπωμα Κυρίῳ, ἀπολεῖται ἡ ψυχὴ ἐκείνη ἀπὸ τοῦ λαοῦ αὐτῆς.
26Waar ge ook woont, nooit moogt ge bloed nuttigen, noch van vogels noch van viervoetige dieren;
26πᾶν αἷμα οὐκ ἔδεσθε ἐν πάσῃ τῇ κατοικίᾳ ὑμῶν ἀπό τε τῶν κτηνῶν καὶ ἀπὸ τῶν πετεινῶν.
27iedereen, die bloed nuttigt, van welk beest ook, zal van zijn volk worden afgesneden.
27πᾶσα ψυχή, ἣ ἂν φάγῃ αἷμα, ἀπολεῖται ἡ ψυχὴ ἐκείνη ἀπὸ τοῦ λαοῦ αὐτῆς.
28Jahweh sprak tot Moses:
28Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
29Zeg aan de Israëlieten: Wie Jahweh een vredeoffer brengt, moet zelf zijn gave van dat vredeoffer Jahweh opdragen.
29καὶ τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ λαλήσεις, λέγων· ὁ προσφέρων θυσίαν σωτηρίου, οἴσει τὸ δῶρον αὐτοῦ Κυρίῳ καὶ ἀπὸ τῆς θυσίας τοῦ σωτηρίου.
30Met eigen handen moet hij de vuuroffers van Jahweh, het vet met de borst opdragen; de borst om ze als strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aan te bieden,
30αἱ χεῖρες αὐτοῦ προσοίσουσι τὰ καρπώματα Κυρίῳ· τὸ στέαρ τὸ ἐπὶ τοῦ στηθυνίου, καὶ τὸν λοβὸν τοῦ ἥπατος, προσοίσει αὐτά, ὥστε ἐπιτιθέναι δόμα ἔναντι Κυρίου.
31terwijl de priester het vet op het altaar in rook moet doen opgaan. De borst valt dan Aäron en zijn zonen ten deel.
31καὶ ἀνοίσει ὁ ἱερεὺς τὸ στέαρ ἐπὶ τοῦ θυσιαστηρίου, καὶ ἔσται τὸ στηθύνιον Ἀαρὼν καὶ τοῖς υἱοῖς αὐτοῦ.
32De rechterschenkel van uw vredeoffer moet ge als hefoffer aan den priester geven.
32καὶ τὸν βραχίονα τὸν δεξιὸν δώσετε ἀφαίρεμα τῷ ἱερεῖ ἀπὸ τῶν θυσιῶν τοῦ σωτηρίου ὑμῶν·
33Wie van Aärons zonen het bloed en het vet van het vredeoffer heeft opgedragen, ontvangt de rechterschenkel als zijn deel.
33ὁ προσφέρων τὸ αἷμα τοῦ σωτηρίου καὶ τὸ στέαρ τὸ ἀπὸ τῶν υἱῶν Ἀαρών, αὐτῷ ἔσται ὁ βραχίων ὁ δεξιὸς ἐν μερίδι·
34Want de borst, die als strekoffer en de schenkel, die als hefoffer wordt gebracht, neem Ik van het vredeoffer der Israëlieten af, om ze den priester Aäron en zijn zonen te geven als het deel, dat de Israëlieten hun steeds moeten afstaan.
34τὸ γὰρ στηθύνιον τοῦ ἐπιθέματος καὶ τὸν βραχίονα τοῦ ἀφαιρέματος εἴληφα παρὰ τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ ἀπὸ τῶν θυσιῶν τοῦ σωτηρίου ὑμῶν καὶ ἔδωκα αὐτὰ Ἀαρὼν τῷ ἱερεῖ καὶ τοῖς υἱοῖς αὐτοῦ, νόμιμον αἰώνιον παρὰ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ.
35Dit is dus het deel van Jahweh’s vuuroffers, dat Jahweh voor Aäron en zijn zonen heeft bestemd op de dag, dat Hij hen deed aantreden, om zijn priesters te zijn,
35Αὕτη ἡ χρῖσις Ἀαρὼν καὶ ἡ χρῖσις τῶν υἱῶν αὐτοῦ ἀπὸ τῶν καρπωμάτων Κυρίου, ἐν ᾗ ἡμέρᾳ προσηγάγετο αὐτοὺς τοῦ ἱερατεύειν τῷ Κυρίῳ.
36en dat, zoals Jahweh op de dag van hun zalving bevolen heeft, de Israëlieten aan hen moeten afstaan. Het is een eeuwig geldend recht voor hun nageslacht.
36καθὰ ἐνετείλατο Κύριος δοῦναι αὐτοῖς ᾗ ἡμέρᾳ ἔχρισεν αὐτοὺς παρὰ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ· νόμιμον αἰώνιον εἰς τὰς γενεὰς αὐτῶν.
37Dit is dus de wet op de brand(-) en spijsoffers, op de zonde(-) en schuldoffers, op de wijdings(-) en vredeoffers,
37οὗτος ὁ νόμος τῶν ὁλοκαυτωμάτων καὶ θυσίας καὶ περὶ ἁμαρτίας καὶ τῆς πλημμελείας καὶ τῆς τελειώσεως καὶ τῆς θυσίας τοῦ σωτηρίου,
38die Jahweh op de berg Sinaï aan Moses heeft voorgeschreven op de dag, dat Hij hem beval, dat de kinderen Israëls in de woestijn van de Sinaï hun offergaven aan Jahweh zouden brengen.
38ὃν τρόπον ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ ἐν τῷ ὄρει Σινά, ᾗ ἡμέρᾳ ἐνετείλατο τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ προσφέρειν τὰ δῶρα αὐτῶν ἔναντι Κυρίου ἐν τῇ ἐρήμῳ Σινά.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.