Leviticus
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Jahweh sprak tot Moses:
1ΚΑΙ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
2Zeg aan Aäron en zijn zonen, dat zij de heilige gaven, die de Israëlieten Mij wijden, met gepaste eerbied moeten behandelen, en mijn heilige Naam niet ontwijden. Ik ben Jahweh!
2εἶπον Ἀαρὼν καὶ τοῖς υἱοῖς αὐτοῦ· καὶ προσεχέτωσαν ἀπὸ τῶν ἁγίων τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, καὶ οὐ βεβηλώσουσι τὸ ὄνομα τὸ ἅγιόν μου, ὅσα αὐτοὶ ἁγιάζουσί μοι· ἐγὼ Κύριος.
3Zeg hun dus: Iedereen onder uw kinderen van geslacht tot geslacht, die in staat van onreinheid de heilige gaven, die de Israëlieten Jahweh hebben gewijd, durft aanraken, zal van mijn aanschijn worden verstoten. Ik ben Jahweh!
3εἶπον αὐτοῖς· εἰς τὰς γενεὰς ὑμῶν πᾶς ἄνθρωπος, ὃς ἂν προσέλθῃ ἀπὸ παντὸς τοῦ σπέρματος ὑμῶν πρὸς τὰ ἅγια, ὅσα ἂν ἁγιάζωσιν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ τῷ Κυρίῳ, καὶ ἡ ἀκαθαρσία αὐτοῦ ἐπ᾿ αὐτῷ ᾖ, ἐξολοθρευθήσεται ἡ ψυχὴ ἐκείνη ἀπ᾿ ἐμοῦ· ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
4Niemand van Aärons geslacht, die melaats is of aan vloeiing lijdt, mag van de heilige gaven eten, eer hij weer rein is. Ook wie iemand heeft aangeraakt, die door een lijk verontreinigd is of een uitstorting had,
4καὶ ἄνθρωπος ἐκ τοῦ σπέρματος Ἀαρὼν τοῦ ἱερέως καὶ οὗτος λεπρᾷ ἢ γονορρυεῖ, τῶν ἁγίων οὐκ ἔδεται, ἕως ἂν καθαρισθῇ· καὶ ὁ ἁπτόμενος πάσης ἀκαθαρσίας ψυχῆς ἢ ἄνθρωπος, ᾧ ἂν ἐξέλθῃ ἐξ αὐτοῦ κοίτη σπέρματος,
5of wie een of ander ongedierte of een mens, waardoor men onrein wordt, heeft aangeraakt,
5ἢ ὅστις ἂν ἅψηται παντὸς ἑρπετοῦ ἀκαθάρτου, ὃ μιανεῖ αὐτόν, ἢ ἐπ᾿ ἀνθρώπῳ, ἐν ᾧ μιανεῖ αὐτὸν κατὰ πᾶσαν ἀκαθαρσίαν αὐτοῦ·
6is tot de avond onrein en mag niet van de heilige gaven eten. Eerst als hij een bad heeft genomen,
6ψυχὴ ἥτις ἐὰν ἅψηται αὐτῶν, ἀκάθαρτος ἔσται ἕως ἑσπέρας· οὐκ ἔδεται ἀπὸ τῶν ἁγίων, ἐὰν μὴ λούσηται τὸ σῶμα αὐτοῦ ὕδατι
7en de zon is ondergegaan, is hij weer rein, en mag hij dus van de heilige gaven eten; want het is zijn levensonderhoud.
7καὶ δύῃ ὁ ἥλιος καὶ καθαρὸς ἔσται, καὶ τότε φάγεται τῶν ἁγίων, ὅτι ἄρτος αὐτοῦ ἐστι.
8Ook mag hij geen gestorven of verscheurde dieren eten; daardoor wordt hij onrein. Ik ben Jahweh!
8θνησιμαῖον καὶ θηριάλωτον οὐ φάγεται, μιανθῆναι αὐτὸν ἐν αὐτοῖς· ἐγὼ Κύριος.
9Zij moeten mijn geboden onderhouden, en geen zonden op zich laden; want zij zullen sterven, wanneer zij ze ontwijden. Ik ben Jahweh, die hen heilig!
9καὶ φυλάξονται τὰ φυλάγματά μου, ἵνα μὴ λάβωσι δι᾿ αὐτὰ ἁμαρτίαν καὶ ἀποθάνωσι δι᾿ αὐτά, ἐὰν βεβηλώσωσιν αὐτά· ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὁ ἁγιάζων αὐτούς.
10Niemand, die niet tot een priestergezin behoort, mag het heilige eten. Iemand dus, die bij een priester inwoont of loonarbeider is, mag het heilige niet eten.
10καὶ πᾶς ἀλλογενὴς οὐ φάγεται ἅγια· πάροικος ἱερέως ἢ μισθωτὸς οὐ φάγεται ἅγια.
11Maar wanneer een priester voor geld een slaaf koopt, mag die ervan eten; evenzo mag de slaaf, die in zijn huis is geboren, zijn spijzen eten.
11ἐὰν δὲ ἱερεὺς κτήσηται ψυχὴν ἔγκτητον ἀργυρίου, οὗτος φάγεται ἐκ τῶν ἄρτων αὐτοῦ· καὶ οἱ οἰκογενεῖς αὐτοῦ, καὶ οὗτοι φάγονται τὸν ἄρτον αὐτοῦ.
12Wanneer een dochter van een priester met een leek is gehuwd, mag zij niet meer van de heilige gaven eten.
12καὶ θυγάτηρ ἀνθρώπου ἱερέως ἐὰν γένηται ἀνδρὶ ἀλλογενεῖ, αὐτὴ τῶν ἀπαρχῶν ἁγίου οὐ φάγεται.
13Maar wanneer een dochter van een priester weduwe wordt of verstoten is, en omdat zij geen kinderen heeft, naar het huis van haar vader is teruggekeerd, dan mag zij evenals in haar jeugd, de spijzen van haar vader eten. Dus wie niet tot een priestergezin behoort, mag daarvan niet eten.
13καὶ θυγάτηρ ἱερέως ἐὰν γένηται χήρα ἢ ἐκβεβλημένη, σπέρμα δὲ μὴ ᾖ αὐτῇ, ἐπαναστρέψει ἐπὶ τὸν οἶκον τὸν πατρικὸν κατὰ τὴν νεότητα αὐτῆς, ἀπὸ τῶν ἄρτων τοῦ πατρὸς αὐτῆς φάγεται· καὶ πᾶς ἀλλογενὴς οὐ φάγεται ἀπ᾿ αὐτῶν.
14Wanneer iemand zonder opzet iets heiligs eet, moet hij het heilige aan den priester teruggeven met daarenboven een vijfde van de waarde.
14καὶ ἄνθρωπος, ὃς ἂν φάγῃ ἅγια κατ᾿ ἄγνοιαν, καὶ προσθήσει τὸ ἐπίπεμπτον αὐτοῦ ἐπ᾿ αὐτὸ καὶ δώσει τῷ ἱερεῖ τὸ ἅγιον.
15Men mag de heilige gaven, die de Israëlieten aan Jahweh opdragen, niet ontwijden,
15καὶ οὐ βεβηλώσουσι τὰ ἅγια τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, ἃ αὐτοὶ ἀφαιροῦσι τῷ Κυρίῳ,
16om geen zondeschuld op zich te laden, als men van hun heilige gaven eet. Want Ik, Jahweh, heb ze geheiligd!
16καὶ ἐπάξουσιν ἐφ᾿ ἑαυτοὺς ἀνομίαν πλημμελείας ἐν τῷ ἐσθίειν αὐτοὺς τὰ ἅγια αὐτῶν· ὅτι ἐγὼ Κύριος ὁ ἁγιάζων αὐτούς.
17Jahweh sprak tot Moses:
17Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
18Beveel Aäron en zijn zonen en alle Israëlieten, en zeg hun: Wanneer iemand uit het huis van Israël of van de vreemdelingen in Israël zijn gave brengt, krachtens gelofte of vrijwillig, om ze Jahweh als brandoffer op te dragen,
18λάλησον Ἀαρὼν καὶ τοῖς υἱοῖς αὐτοῦ καὶ πάσῃ συναγωγῇ Ἰσραὴλ καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· ἄνθρωπος ἄνθρωπος ἀπὸ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, ἢ τῶν προσηλύτων τῶν προσκειμένων πρὸς αὐτοὺς ἐν Ἰσραήλ, ὃς ἂν προσενέγκῃ τὰ δῶρα αὐτοῦ κατὰ πᾶσαν ὁμολογίαν αὐτῶν ἢ κατὰ πᾶσαν αἵρεσιν αὐτῶν, ὅσα ἂν προσενέγκωσι τῷ Θεῷ εἰς ὁλοκαύτωμα,
19dan moet ze, wil ze u ten goede komen, uit een gaaf mannelijk dier bestaan uit de runderen, schapen of geiten.
19δεκτὰ ὑμῖν ἄμωμα ἄρσενα ἐκ τῶν βουκολίων ἢ ἐκ τῶν προβάτων καὶ ἐκ τῶν αἰγῶν.
20Ge moogt niets offeren, wat enig gebrek heeft; want het zou u niet ten goede komen.
20πάντα, ὅσα ἂν ἔχῃ μῶμον ἐν αὐτῷ, οὐ προσάξουσι Κυρίῳ, διότι οὐ δεκτὸν ἔσται ὑμῖν.
21Ook wanneer iemand een vredeoffer aan Jahweh brengt van runderen of schapen, ofwel om een gelofte te vervullen ofwel als een vrijwillige gave, dan moet het, wil het hem ten goede komen, een gaaf dier zijn, zonder enig gebrek.
21καὶ ἄνθρωπος ὃς ἂν προσενέγκῃ θυσίαν σωτηρίου τῷ Κυρίῳ διαστείλας εὐχὴν ἢ κατὰ αἵρεσιν ἢ ἐν ταῖς ἑορταῖς ὑμῶν, ἐκ τῶν βουκολίων ἢ ἐκ τῶν προβάτων ἄμωμον ἔσται εἰσδεκτόν, πᾶς μῶμος οὐκ ἔσται ἐν αὐτῷ.
22Een blind dier of wat iets gebroken heeft, wat verminkt is of wonden, schurft of uitslag heeft, moogt ge niet aan Jahweh offeren, en daarvan geen vuuroffers voor Jahweh op het altaar leggen.
22τυφλὸν ἢ συντετριμμένον ἢ γλωσσότμητον ἢ μυρμηκιῶντα ἢ ψωραγριῶντα ἢ λειχῆνας ἔχοντα, οὐ προσάξουσι ταῦτα τῷ Κυρίῳ. καὶ εἰς κάρπωσιν οὐ δώσετε ἀπ᾿ αὐτῶν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον τῷ Κυρίῳ.
23Een rund of een schaap, dat vergroeid of verschrompeld is, moogt ge als vrijwillige gave brengen; maar als gelofteoffer zou het niet welgevallig zijn.
23καὶ μόσχον ἢ πρόβατον ὠτότμητον ἢ κολοβόκερκον σφάγια ποιήσεις αὐτὰ σεαυτῷ, εἰς δὲ εὐχήν σου οὐ δεχθήσεται.
24Een dier, dat door wrijven, pletten, uitrukken of snijden ontmand is, moogt ge niet aan Jahweh offeren. In uw eigen land moogt ge ze zo niet behandelen,
24θλαδίαν καὶ ἐκτεθλιμμένον καὶ ἐκτομίαν καὶ ἀπεσπασμένον οὐ προσάξεις αὐτὰ τῷ Κυρίῳ καὶ ἐπὶ τῆς γῆς ὑμῶν οὐ ποιήσετε.
25maar ze ook niet van vreemden kopen, om ze uw God als spijs te offeren. Want ze zijn verminkt, en hebben een gebrek; ze zouden u niet ten goede komen.
25καὶ ἐκ χειρὸς ἀλλογενοῦς οὐ προσοίσετε τὰ δῶρα τοῦ Θεοῦ ὑμῶν ἀπὸ πάντων τούτων, ὅτι φθάρματά ἐστιν ἐν αὐτοῖς, μῶμος ἐν αὐτοῖς, οὐ δεχθήσεται ταῦτα ὑμῖν.
26Jahweh sprak tot Moses:
26Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
27Een kalf, een lam of een geit moeten na hun geboorte zeven dagen bij hun moeder blijven; eerst van de achtste dag af wordt het aangenomen als een welgevallig vuuroffer voor Jahweh.
27μόσχον ἢ πρόβατον ἢ αἶγα, ὡς ἂν τεχθῇ, καὶ ἔσται ἑπτὰ ἡμέρας ὑπὸ τὴν μητέρα, τῇ δὲ ἡμέρᾳ τῇ ὀγδόῃ καὶ ἐπέκεινα δεχθήσεται εἰς δῶρα, κάρπωμα Κυρίῳ.
28Een rund of een schaap moogt ge niet op dezelfde dag slachten als hun jong.
28καὶ μόσχον καὶ πρόβατον, αὐτὴν καὶ τὰ παιδία αὐτῆς, οὐ σφάξεις ἐν ἡμέρᾳ μιᾷ.
29Wanneer ge een dankoffer aan Jahweh brengt, moet ge het zo offeren, dat het u ten goede komt.
29ἐὰν δὲ θύσῃς θυσίαν εὐχὴν χαρμοσύνην Κυρίῳ, εἰσδεκτὸν ὑμῖν θύσετε αὐτό·
30Op dezelfde dag moet het worden gegeten, en ge moogt er niets van tot de volgende morgen bewaren. Ik ben Jahweh!
30αὐτῇ τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ βρωθήσεται, οὐκ ἀπολείψετε ἀπὸ τῶν κρεῶν εἰς τὸ πρωΐ· ἐγώ εἰμι Κύριος.
31Onderhoudt dus mijn geboden en handelt er naar. Ik ben Jahweh!
31Καὶ φυλάξετε τὰς ἐντολάς μου καὶ ποιήσετε αὐτάς.
32Ontwijdt mijn heilige Naam niet. Ik wil onder Israëls kinderen als heilig worden vereerd. Ik ben Jahweh, die u heilig,
32καὶ οὐ βεβηλώσετε τὸ ὄνομα τοῦ ἁγίου, καὶ ἁγιασθήσομαι ἐν μέσῳ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ· ἐγὼ Κύριος ὁ ἁγιάζων ὑμᾶς,
33en die u uit Egypte heb geleid, om uw God te zijn. Ik ben Jahweh!
33ὁ ἐξαγαγὼν ὑμᾶς ἐκ γῆς Αἰγύπτου, ὥστε εἶναι ὑμῶν Θεός, ἐγὼ Κύριος.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.