Leviticus 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Op de achtste dag riep Moses Aäron met zijn zonen en de oudsten van Israël,
1ΚΑΙ ἐγενήθη τῇ ἡμέρᾳ τῇ ὀγδόῃ, ἐκάλεσε Μωυσῆς Ἀαρὼν καὶ τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ καὶ τὴν γερουσίαν Ἰσραήλ.
2en sprak tot Aäron: Neem een kalf, het jong van een rund, voor een zondeoffer, en een ram voor een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng ze voor het aanschijn van Jahweh.
2καὶ εἶπε Μωυσῆς πρὸς Ἀαρών· λάβε σεαυτῷ μοσχάριον ἐκ βοῶν περὶ ἁμαρτίας καὶ κριὸν εἰς ὁλοκαύτωμα, ἄμωμα, καὶ προσένεγκε αὐτὰ ἔναντι Κυρίου·
3En tot de Israëlieten moet ge zeggen: “Neemt een bok voor een zondeoffer, met een kalf en een schaap, beide een jaar oud en zonder gebrek, voor een brandoffer;
3καὶ τῇ γερουσίᾳ Ἰσραὴλ λάλησον, λέγων· λάβετε χίμαρον ἐξ αἰγῶν ἕνα περὶ ἁμαρτίας, καὶ μοσχάριον, καὶ ἀμνὸν ἐνιαύσιον εἰς ὁλοκάρπωσιν, ἄμωμα,
4verder een stier met een ram, om ze voor Jahweh’s aanschijn te slachten als vredeoffer; en tenslotte een spijsoffer met olie gemengd. Want heden zal Jahweh u verschijnen.”
4καὶ μόσχον καὶ κριὸν εἰς θυσίαν σωτηρίου ἔναντι Κυρίου καὶ σεμίδαλιν πεφυραμένην ἐν ἐλαίῳ· ὅτι σήμερον Κύριος ὀφθήσεται ἐν ὑμῖν.
5Men bracht dus, wat Moses bevolen had, voor de openbaringstent en heel de gemeenschap trad naderbij, en plaatste zich voor het aanschijn van Jahweh.
5καὶ ἔλαβον, καθὸ ἐνετείλατο Μωυσῆς, ἀπέναντι τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου, καὶ προσῆλθε πᾶσα συναγωγὴ καὶ ἔστησαν ἔναντι Κυρίου.
6Toen sprak Moses: Dit heeft Jahweh u bevolen te doen, opdat de glorie van Jahweh u moge verschijnen.
6καὶ εἶπε Μωυσῆς· τοῦτο τὸ ρῆμα, ὃ εἶπε Κύριος, ποιήσατε, καὶ ὀφθήσεται ἐν ὑμῖν ἡ δόξα Κυρίου.
7En tot Aäron zei Moses: Treed nader tot het altaar, en draag uw zonde(-) en brandoffer op, om verzoening voor uzelf en voor het volk te verkrijgen; breng dan de gave van het volk en verkrijg verzoening voor hen, zoals Jahweh het heeft bevolen.
7καὶ εἶπε Μωυσῆς τῷ Ἀαρών· πρόσελθε πρὸς τὸ θυσιαστήριον καὶ ποίησον τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας σου καὶ τὸ ὁλοκαύτωμά σου καὶ ἐξίλασαι περὶ σεαυτοῦ καὶ τοῦ οἴκου σου· καὶ ποίησον τὰ δῶρα τοῦ λαοῦ καὶ ἐξίλασαι περὶ αὐτῶν, καθάπερ ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ.
8Nu trad Aäron op het altaar toe, en slachtte het kalf, dat het zondeoffer voor hem zelf was.
8καὶ προσῆλθεν Ἀαρὼν πρὸς τὸ θυσιαστήριον καὶ ἔσφαξε τὸ μοσχάριον τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ.
9De zonen van Aäron brachten hem het bloed; hij doopte er zijn vinger in, streek het aan de hoornen van het altaar, en goot de rest van het bloed tegen het voetstuk van het altaar uit.
9καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ Ἀαρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν, καὶ ἔβαψε τὸν δάκτυλον εἰς τὸ αἷμα καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὰ κέρατα τοῦ θυσιαστηρίου καὶ τὸ αἷμα ἐξέχεεν ἐπὶ τὴν βάσιν τοῦ θυσιαστηρίου·
10Het vet van het zondeoffer, met de nieren en de kwab aan de lever, deed hij op het altaar in rook opgaan, zoals Jahweh het Moses bevolen had;
10καὶ τὸ στέαρ καὶ τοὺς νεφροὺς καὶ τὸν λοβὸν τοῦ ἥπατος τοῦ περὶ τῆς ἁμαρτίας ἀνήνεγκεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον, ὃν τρόπον ἐνετείλατο Κύριος τῷ Μωυσῇ.
11het vlees en de huid verbrandde hij buiten de legerplaats.
11καὶ τὰ κρέα καὶ τὴν βύρσαν κατέκαυσεν αὐτὰ πυρί, ἔξω τῆς παρεμβολῆς.
12Vervolgens slachtte hij het brandoffer. De zonen van Aäron reikten hem het bloed, en hij sprenkelde het aan alle kanten tegen het altaar.
12καὶ ἔσφαξε τὸ ὁλοκαύτωμα· καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ Ἀαρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν. καὶ προσέχεεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον κύκλῳ·
13Dan reikten ze hem het brandoffer aan, in stukken gesneden, met de kop erbij, en hij deed het op het altaar in rook opgaan.
13καὶ τὸ ὁλοκαύτωμα προσήνεγκαν αὐτὸ κατὰ μέλη, αὐτὰ καὶ τὴν κεφαλὴν ἐπέθηκεν ἐπί τὸ θυσιαστήριον·
14De ingewanden en de poten waste hij, en deed ze tezamen met het brandoffer op het altaar in rook opgaan.
14καὶ ἔπλυνε τὴν κοιλίαν καὶ τοὺς πόδας ὕδατι καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὸ ὁλοκαύτωμα ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον.
15Daarna liet hij de offergave van het volk brengen. Hij nam den bok van het zondeoffer van het volk, slachtte en offerde hem als zondeoffer, zoals den vorige.
15καὶ προσήνεγκε τὸ δῶρον τοῦ λαοῦ· καὶ ἔλαβε τὸν χίμαρον τὸν περὶ τῆς ἁμαρτίας τοῦ λαοῦ καὶ ἔσφαξεν αὐτόν, καὶ ἐκαθάρισεν αὐτόν, καθὰ καὶ τὸν πρῶτον.
16Hij droeg ook het brandoffer op, en deed ermee, zoals was voorgeschreven.
16καὶ προσήνεγκε τὸ ὁλοκαύτωμα καὶ ἐποίησεν αὐτό, ὡς καθήκει.
17Toen liet hij ook het spijsoffer brengen, nam er een handvol af en deed het op het altaar in rook opgaan, onverminderd het morgenoffer.
17καὶ προσήνεγκε τὴν θυσίαν, καὶ ἔπλησε τὰς χεῖρας ἀπ᾿ αὐτῆς καὶ ἐπέθηκεν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον χωρὶς τοῦ ὁλοκαυτώματος τοῦ πρωϊνοῦ.
18Vervolgens slachtte hij den stier en den ram, als vredeoffer voor het volk. De zonen van Aäron reikten hem het bloed, en hij sprenkelde het aan alle kanten tegen het altaar.
18καὶ ἔσφαξε τὸν μόσχον, καὶ τὸν κριὸν τῆς θυσίας τοῦ σωτηρίου τῆς τοῦ λαοῦ· καὶ προσήνεγκαν οἱ υἱοὶ Ἀαρὼν τὸ αἷμα πρὸς αὐτόν, καὶ προσέχεε πρὸς τὸ θυσιαστήριον κύκλῳ·
19De vette stukken van den stier en den ram: het staartvet, het vet, dat de ingewanden bedekt, de nieren, de kwab aan de lever,
19καὶ τὸ στέαρ τὸ ἀπὸ τοῦ μόσχου καὶ τοῦ κριοῦ, τὴν ὀσφὺν καὶ τὸ στέαρ τὸ κατακαλύπτον ἐπὶ τῆς κοιλίας καὶ τοὺς δύο νεφρούς, καὶ τὸ στέαρ τὸ ἐπ᾿ αὐτῶν καὶ τὸν λοβὸν τὸν ἐπὶ τοῦ ἥπατος,
20legde hij bij de borststukken, en deed die vette stukken op het altaar in rook opgaan.
20καὶ ἐπέθηκε τὰ στέατα ἐπὶ τὰ στηθύνια, καὶ ἀνήνεγκε τὰ στέατα ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον.
21Maar de borststukken en de rechterschenkel bood Aäron als een strekoffer aan voor het aanschijn van Jahweh, zoals Moses het bevolen had.
21καὶ τὸ στηθύνιον, καὶ τὸν βραχίονα τὸν δεξιὸν ἀφεῖλεν Ἀαρὼν ἀφαίρεμα ἔναντι Κυρίου, ὃν τρόπον συνέταξε Κύριος τῷ Μωυσῇ.
22En nadat Aäron de zonde(-), brand(-) en vredeoffers had opgedragen, strekte hij zijn handen uit over het volk en zegende het. Daarna daalde hij af.
22καὶ ἐξάρας Ἀαρὼν τὰς χεῖρας ἐπὶ τὸν λαόν, εὐλόγησεν αὐτούς· καὶ κατέβη ποιήσας τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας καὶ τὰ ὁλοκαυτώματα καὶ τὰ τοῦ σωτηρίου.
23Nu gingen Moses en Aäron de openbaringstent binnen. En zodra zij weer naar buiten waren gekomen en het volk hadden gezegend, verscheen aan heel het volk de heerlijkheid van Jahweh.
23καὶ εἰσῆλθε Μωυσῆς καὶ Ἀαρὼν εἰς τὴν σκηνὴν τοῦ μαρτυρίου καὶ ἐξελθόντες εὐλόγησαν πάντα τὸν λαόν, καὶ ὤφθη ἡ δόξα Κυρίου παντὶ τῷ λαῷ.
24En een vuur schoot uit het aanschijn van Jahweh, dat het brandoffer met de vette stukken op het altaar verteerde. Toen het ganse volk dat zag, brak het los in gejubel en viel op zijn aangezicht neer.
24καὶ ἐξῆλθε πῦρ παρὰ Κυρίου καὶ κατέφαγε τὰ ἐπὶ τοῦ θυσιαστηρίου, τά τε ὁλοκαυτώματα καὶ τὰ στέατα, καὶ εἶδε πᾶς ὁ λαὸς καὶ ἐξέστη καὶ ἔπεσαν ἐπὶ πρόσωπον.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.