Leviticus 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
1І рече Господь Мойсейові й Аронові:
2Zegt aan de Israëlieten: Van alle viervoetige dieren, die op aarde zijn, moogt ge deze eten:
2Промовте до синів Ізрайлевих і скажіть їм: Оце така скотина, що можна вам їсти з усьої скотини, що є на землї:
3Alle viervoetige dieren, die volledig gespleten hoeven hebben, en tevens herkauwers zijn, moogt ge eten.
3Усяку скотину, що в неї ратицї розколені і між ратицями розколина глибока і вона ремигає, таку можна вам їсти.
4Maar van de dieren, die herkauwen of gespleten hoeven hebben, moogt ge de volgende niet eten. De kameel, want hij is wel herkauwend, maar heeft geen volledig gespleten hoeven; hij is voor u onrein.
4Ось яких тільки неможна вам їсти з тих, що ремигають, а ратицї в них роздїлені: верблюда, дарма що ремигає, та ратицї у його нероздїлені; нечистий він вам буде.
5De klipdas, want hij is wel herkauwend, maar heeft geen gespleten hoeven; hij is voor u onrein.
5І крілика, що хоч і ремигає, та немає копит роздїлених; нечистий він вам буде;
6De haas, want hij is wel herkauwend, maar heeft geen gespleten hoeven; hij is voor u onrein.
6І зайця, що ремигає, та немає ратиць роздїлених; нечисий він вам буде.
7Het zwijn, want het heeft wel volledig gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein.
7І свиню, що хоч у неї ратицї розколені та й зовсїм розколені ратицї, але вона не ремигає; нечиста вона вам буде.
8Van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen niet aanraken; zij zijn voor u onrein.
8Мясива їх не їсти мете, падалї ж їх не торкати метесь; нечисті вони вам будуть.
9Van alles wat in het water leeft, moogt ge het volgende eten: alles wat in het water leeft, in zeeën of rivieren, en vinnen en schubben heeft, moogt ge eten.
9З усього ж, що в водах, можна вам їсти: все, що має сплавки і луску, що в водах, у морях і в ріках, можна вам їсти;
10Maar alles, wat in het water leeft, in zeeën of rivieren, doch geen vinnen en schubben heeft, moet een gruwel voor u zijn: zowel het kleine watergewemel als alle grote waterdieren.
10А все, що немає сплавок і луски в морях і ріках, усе, що кишить у водах, і всяка животина, що в морю, вони будуть вам гидотою.
11Ze moeten een gruwel voor u zijn; van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen moet ge verfoeien.
11І гидкі вони мусять бути вам: мясива їх не їжте і падаль їх уважайте за гидоту.
12Alles, wat in het water leeft en geen vinnen en schubben heeft, moet een gruwel voor u zijn.
12Усе, що без сплавок і луски в водї, буде гидотою вам.
13Van de gevleugelde dieren moet ge de volgende verfoeien; omdat ze een gruwel zijn, mogen ze niet worden gegeten: de arend, de lammergier en de aasgier,
13Оце ж ті, що вважати мете гидкими з птаства; неможна їх їсти, вони гидь: орел, коршак, і морський орел,
14de wouw en de verschillende soorten valken;
14І пугач, і сокіл з породою його,
15alle soorten raven,
15І всякий ворон з породою його.
16de struisvogel, de sperwer, de meeuw, en de verschillende soorten haviken;
16І стровус, і чайка, і яструб з породою його.
17de steenuil, de pelikaan, de velduil,
17І сова, і рибалка та ібис,
18de nachtuil, de reiger en de stinkgier;
18І лебедь, і пеликан, і сич,
19de ooievaar, de verschillende soorten kraanvogels, de specht en de vleermuis.
19І бузьок і чапля з породою її, й вудвод, і нетопир.
20Ook de gevleugelde insekten, die vier poten hebben, moeten u een gruwel zijn.
20Усе крилате, і ходюче на чотирох, гидота вам буде.
21Slechts die gevleugelde insekten met vier poten moogt ge eten, die behalve hun poten nog springpoten hebben, om daarmee over de grond te springen.
21Тільки тих можна їсти зміж усьої крилатої животини, що ходить на чотирох ногах: що має литки над ногами, щоб скакати по землї.
22Ge moogt dus daarvan eten de verschillende soorten sprinkhanen; de veelvraat in verschillende soorten, de langpoot in verschillende soorten, en de knaagbek in verschillende soorten.
22Ось яких ізміж їх можна вам їсти: сарану з породою її, коники всякі, і скакуни всякі з породою їх, та хрущі всякі з породою їх.
23Overigens moeten alle gevleugelde insekten, die vier poten hebben, u een gruwel zijn.
23А всяка инша крилата животина, що на чотирох ногах, буде гидотою вам.
24Ge verontreinigt u aan de volgende dieren.
24І від них нечистими робити метесь: хто торкнеться стерва їх, нечистим стане до вечора.
25-
25І хто нести ме частку трупа їх, мусить випрати одїж свою, і буде нечистим до вечора.
26Alle viervoetige dieren, die geen volledig gespleten hoeven hebben en niet herkauwen, zijn voor u onrein; wie ze aanraakt, is onrein.
26Всяка скотина, що має ратицї та не зовсїм розколені ратицї і не ремигає: гидота вам; хто торкнеться об неї, буде нечистим.
27Ook alle teengangers onder de viervoeters zijn voor u onrein. Wie hun kreng aanraakt, is tot de avond onrein;
27І все ходюче на лапах між усїм животним, що на чотирох ногах, нечисте вам буде; хто торкнеться об трупа їх, буде нечистий до вечора.
28en wie hun kreng opneemt, moet zijn kleren wassen, en is tot de avond onrein; want zij zijn voor u onrein.
28А хто нїс їх трупа, мусить випрати одїж свою і буде нечистий аж до вечора; нечисті вони вам.
29Van het ongedierte, dat over de grond scharrelt, zijn de volgende voor u onrein: de wezel, de muis en de verschillende soorten hagedissen;
29І сї нечисті вам з животини лазючої по землї: кріт, і миш, і ящірка з породою своєю,
30de veldmuis, de mol, de salamander, de muurhagedis en de kameleon.
30І анака, і коах, і летах, і хомет, і хамелон,
31Deze zijn onder het ongedierte voor u onrein. Wie ze aanraakt, als ze dood zijn, is tot de avond onrein.
31Сї нечисті вам зміж усїх повзючих; хто торкнеться об них здохлих, кожен буде нечистий аж до вечора.
32Daarenboven is alles, waarop een van die dieren valt, wanneer het dood is, onrein. Elk houten voorwerp, een kleed, een stuk leer, een zak, elk werktuig, waarmee men arbeid verricht, moet in het water worden gelegd, en is tot de avond onrein; eerst daarna wordt het weer rein.
32І все, на що одно з них впаде, коли воно здохле, буде нечисть; усяка посудина деревяна, чи одїж, чи шкіра, чи торба, чи знаряддє яке, що ним що робиться, треба класти в воду і будуть нечисті до вечора, а потім чисті будуть.
33Valt een van die beesten in een aarden vat, dan is de inhoud onrein, en het vat zelf moet worden verbrijzeld.
33І всяка посудина черепяна, що до неї впаде которе з них: усе, що є в нїй, буде нечистим, а її треба розбити.
34Elke eetbare spijs, waarop water komt uit zulk een vat, is onrein, en elke drank, die genoten kan worden, wordt in zulk een vat onrein.
34І всяка їда, що їдять, коли хлюпне на неї вода з такої посудини, буде нечиста: і всякий напиток, що пють його, буде в такій посудинї нечистим.
35Alles, waarop zulk een dood dier valt, is onrein. Een bakoven of een haard moeten worden stukgeslagen; ze zijn onrein, en moeten door u als onrein worden beschouwd.
35І все, на що впаде частина трупу їх, нечистим стане; піч і припічок мусять розібрати; нечисті вони, і нечисті мусять бути вам.
36Alleen bronnen en regenbakken, waar zich het water vergaart, blijven rein; maar wie hun kreng, dat er in ligt, aanraakt, is onrein.
36Тільки криниця та колодязь, та всякий водозбір, чисті будуть; хто ж торкнеться об їх трупа, буде нечистий.
37Wanneer het kreng van die dieren op zaaikoren valt, dat gezaaid moet worden, wat voor soort dit ook is, dan blijft dat rein;
37А коли впаде частка їх трупа на яке посїяне насїннє, що треба сїяти, чисте буде воно.
38maar wordt er water op dat koren gedaan, en valt er dan zulk een kreng op, dan is het voor u onrein.
38А коли в водї намочено насїннє, та впаде частина трупа їх на його, нечистим буде воно вам.
39Wanneer een van de dieren, die u tot voedsel dienen, is dood gegaan, dan is hij, die het kreng ervan aanraakt, tot de avond onrein.
39А коли здохне яка скотина, що можна вам їсти, хто торкнеться падла її, буде нечистий аж до вечора.
40En wie ervan eet, moet zijn kleren wassen, en is tot de avond onrein; ook wie het opneemt, moet zijn kleren wassen, en is tot de avond onrein.
40І хто нїс падло її, мусить випрати одїж свою, і буде нечистий аж до вечора.
41Alle ongedierte, dat over de grond scharrelt, is een gruwel; het mag niet worden gegeten.
41І кожне з гаду повзаючого по землї, се гидь; неможна його їсти.
42Van het ongedierte, dat over de grond scharrelt, hetzij het kruipt op de buik, hetzij het vier of meer poten heeft, moogt ge niets eten; want het is verfoeilijk.
42Все що повзає на череві, і все що ходить на чотирох, і все многоножне між всякою животиною, що повзає по землї, не їсти мете, вони бо гидота.
43Bezoedelt u dus niet en verontreinigt u niet door iets van dat kruipend gedierte, waardoor ge onrein wordt.
43Не паскудьте себе жадною повзаючою животиною, і не робіть себе нечистими через них, щоб не опоганитись вам ними.
44Want Ik, Jahweh, ben uw God! Gedraagt u dus heilig, en weest heilig, omdat Ik heilig ben. Verontreinigt u niet door al het ongedierte, dat over de grond kruipt;
44Я бо Господь, Бог ваш; тим то й осьвячуйте себе і будьте сьвятими, я бо сьвятий. І не опоганюйте себе животиною, що повзає по землї.
45want Ik ben Jahweh, die u uit Egypte heb geleid, om uw God te zijn. Weest heilig, omdat Ik heilig ben.
45Я бо, Господь, вивів із Египецької землї вас, щоб вашим Богом бути, і мусите бути сьвятими: я бо сьвятий.
46Dit is de wet op de viervoetige dieren, de gevleugelde dieren, alle levende wezens, die in het water wemelen, en alle beesten, die over de grond kruipen;
46Се закон про скотину, і про птаство, і про всяку животину, пливаючу у водї і про животину повзаючу по землї,
47ter onderscheiding van onrein en rein, van dieren, die gegeten mogen worden, en dieren die ge niet moogt eten.
47Щоб робити ріжницю між нечистим і чистим, і між животиною їдомою і животиною, що не можна їсти.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.