Leviticus
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs King James Version…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
1And the LORD spake unto Moses and to Aaron, saying unto them,
2Zegt aan de Israëlieten: Van alle viervoetige dieren, die op aarde zijn, moogt ge deze eten:
2Speak unto the children of Israel, saying, These are the beasts which ye shall eat among all the beasts that are on the earth.
3Alle viervoetige dieren, die volledig gespleten hoeven hebben, en tevens herkauwers zijn, moogt ge eten.
3Whatsoever parteth the hoof, and is clovenfooted, and cheweth the cud, among the beasts, that shall ye eat.
4Maar van de dieren, die herkauwen of gespleten hoeven hebben, moogt ge de volgende niet eten. De kameel, want hij is wel herkauwend, maar heeft geen volledig gespleten hoeven; hij is voor u onrein.
4Nevertheless these shall ye not eat of them that chew the cud, or of them that divide the hoof: as the camel, because he cheweth the cud, but divideth not the hoof; he is unclean unto you.
5De klipdas, want hij is wel herkauwend, maar heeft geen gespleten hoeven; hij is voor u onrein.
5And the coney, because he cheweth the cud, but divideth not the hoof; he is unclean unto you.
6De haas, want hij is wel herkauwend, maar heeft geen gespleten hoeven; hij is voor u onrein.
6And the hare, because he cheweth the cud, but divideth not the hoof; he is unclean unto you.
7Het zwijn, want het heeft wel volledig gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein.
7And the swine, though he divide the hoof, and be clovenfooted, yet he cheweth not the cud; he is unclean to you.
8Van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen niet aanraken; zij zijn voor u onrein.
8Of their flesh shall ye not eat, and their carcase shall ye not touch; they are unclean to you.
9Van alles wat in het water leeft, moogt ge het volgende eten: alles wat in het water leeft, in zeeën of rivieren, en vinnen en schubben heeft, moogt ge eten.
9¶ These shall ye eat of all that are in the waters: whatsoever hath fins and scales in the waters, in the seas, and in the rivers, them shall ye eat.
10Maar alles, wat in het water leeft, in zeeën of rivieren, doch geen vinnen en schubben heeft, moet een gruwel voor u zijn: zowel het kleine watergewemel als alle grote waterdieren.
10And all that have not fins and scales in the seas, and in the rivers, of all that move in the waters, and of any living thing which is in the waters, they shall be an abomination unto you:
11Ze moeten een gruwel voor u zijn; van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen moet ge verfoeien.
11They shall be even an abomination unto you; ye shall not eat of their flesh, but ye shall have their carcases in abomination.
12Alles, wat in het water leeft en geen vinnen en schubben heeft, moet een gruwel voor u zijn.
12Whatsoever hath no fins nor scales in the waters, that shall be an abomination unto you.
13Van de gevleugelde dieren moet ge de volgende verfoeien; omdat ze een gruwel zijn, mogen ze niet worden gegeten: de arend, de lammergier en de aasgier,
13¶ And these are they which ye shall have in abomination among the fowls; they shall not be eaten, they are an abomination: the eagle, and the ossifrage, and the ospray,
14de wouw en de verschillende soorten valken;
14And the vulture, and the kite after his kind;
15alle soorten raven,
15Every raven after his kind;
16de struisvogel, de sperwer, de meeuw, en de verschillende soorten haviken;
16And the owl, and the night hawk, and the cuckow, and the hawk after his kind,
17de steenuil, de pelikaan, de velduil,
17And the little owl, and the cormorant, and the great owl,
18de nachtuil, de reiger en de stinkgier;
18And the swan, and the pelican, and the gier eagle,
19de ooievaar, de verschillende soorten kraanvogels, de specht en de vleermuis.
19And the stork, the heron after her kind, and the lapwing, and the bat.
20Ook de gevleugelde insekten, die vier poten hebben, moeten u een gruwel zijn.
20All fowls that creep, going upon all four, shall be an abomination unto you.
21Slechts die gevleugelde insekten met vier poten moogt ge eten, die behalve hun poten nog springpoten hebben, om daarmee over de grond te springen.
21Yet these may ye eat of every flying creeping thing that goeth upon all four, which have legs above their feet, to leap withal upon the earth;
22Ge moogt dus daarvan eten de verschillende soorten sprinkhanen; de veelvraat in verschillende soorten, de langpoot in verschillende soorten, en de knaagbek in verschillende soorten.
22Even these of them ye may eat; the locust after his kind, and the bald locust after his kind, and the beetle after his kind, and the grasshopper after his kind.
23Overigens moeten alle gevleugelde insekten, die vier poten hebben, u een gruwel zijn.
23But all other flying creeping things, which have four feet, shall be an abomination unto you.
24Ge verontreinigt u aan de volgende dieren.
24And for these ye shall be unclean: whosoever toucheth the carcase of them shall be unclean until the even.
25-
25And whosoever beareth ought of the carcase of them shall wash his clothes, and be unclean until the even.
26Alle viervoetige dieren, die geen volledig gespleten hoeven hebben en niet herkauwen, zijn voor u onrein; wie ze aanraakt, is onrein.
26The carcases of every beast which divideth the hoof, and is not clovenfooted, nor cheweth the cud, are unclean unto you: every one that toucheth them shall be unclean.
27Ook alle teengangers onder de viervoeters zijn voor u onrein. Wie hun kreng aanraakt, is tot de avond onrein;
27And whatsoever goeth upon his paws, among all manner of beasts that go on all four, those are unclean unto you: whoso toucheth their carcase shall be unclean until the even.
28en wie hun kreng opneemt, moet zijn kleren wassen, en is tot de avond onrein; want zij zijn voor u onrein.
28And he that beareth the carcase of them shall wash his clothes, and be unclean until the even: they are unclean unto you.
29Van het ongedierte, dat over de grond scharrelt, zijn de volgende voor u onrein: de wezel, de muis en de verschillende soorten hagedissen;
29¶ These also shall be unclean unto you among the creeping things that creep upon the earth; the weasel, and the mouse, and the tortoise after his kind,
30de veldmuis, de mol, de salamander, de muurhagedis en de kameleon.
30And the ferret, and the chameleon, and the lizard, and the snail, and the mole.
31Deze zijn onder het ongedierte voor u onrein. Wie ze aanraakt, als ze dood zijn, is tot de avond onrein.
31These are unclean to you among all that creep: whosoever doth touch them, when they be dead, shall be unclean until the even.
32Daarenboven is alles, waarop een van die dieren valt, wanneer het dood is, onrein. Elk houten voorwerp, een kleed, een stuk leer, een zak, elk werktuig, waarmee men arbeid verricht, moet in het water worden gelegd, en is tot de avond onrein; eerst daarna wordt het weer rein.
32And upon whatsoever any of them, when they are dead, doth fall, it shall be unclean; whether it be any vessel of wood, or raiment, or skin, or sack, whatsoever vessel it be , wherein any work is done, it must be put into water, and it shall be unclean until the even; so it shall be cleansed.
33Valt een van die beesten in een aarden vat, dan is de inhoud onrein, en het vat zelf moet worden verbrijzeld.
33And every earthen vessel, whereinto any of them falleth, whatsoever is in it shall be unclean; and ye shall break it.
34Elke eetbare spijs, waarop water komt uit zulk een vat, is onrein, en elke drank, die genoten kan worden, wordt in zulk een vat onrein.
34Of all meat which may be eaten, that on which such water cometh shall be unclean: and all drink that may be drunk in every such vessel shall be unclean.
35Alles, waarop zulk een dood dier valt, is onrein. Een bakoven of een haard moeten worden stukgeslagen; ze zijn onrein, en moeten door u als onrein worden beschouwd.
35And every thing whereupon any part of their carcase falleth shall be unclean; whether it be oven, or ranges for pots, they shall be broken down: for they are unclean, and shall be unclean unto you.
36Alleen bronnen en regenbakken, waar zich het water vergaart, blijven rein; maar wie hun kreng, dat er in ligt, aanraakt, is onrein.
36Nevertheless a fountain or pit, wherein there is plenty of water, shall be clean: but that which toucheth their carcase shall be unclean.
37Wanneer het kreng van die dieren op zaaikoren valt, dat gezaaid moet worden, wat voor soort dit ook is, dan blijft dat rein;
37And if any part of their carcase fall upon any sowing seed which is to be sown, it shall be clean.
38maar wordt er water op dat koren gedaan, en valt er dan zulk een kreng op, dan is het voor u onrein.
38But if any water be put upon the seed, and any part of their carcase fall thereon, it shall be unclean unto you.
39Wanneer een van de dieren, die u tot voedsel dienen, is dood gegaan, dan is hij, die het kreng ervan aanraakt, tot de avond onrein.
39And if any beast, of which ye may eat, die; he that toucheth the carcase thereof shall be unclean until the even.
40En wie ervan eet, moet zijn kleren wassen, en is tot de avond onrein; ook wie het opneemt, moet zijn kleren wassen, en is tot de avond onrein.
40And he that eateth of the carcase of it shall wash his clothes, and be unclean until the even: he also that beareth the carcase of it shall wash his clothes, and be unclean until the even.
41Alle ongedierte, dat over de grond scharrelt, is een gruwel; het mag niet worden gegeten.
41And every creeping thing that creepeth upon the earth shall be an abomination; it shall not be eaten.
42Van het ongedierte, dat over de grond scharrelt, hetzij het kruipt op de buik, hetzij het vier of meer poten heeft, moogt ge niets eten; want het is verfoeilijk.
42Whatsoever goeth upon the belly, and whatsoever goeth upon all four, or whatsoever hath more feet among all creeping things that creep upon the earth, them ye shall not eat; for they are an abomination.
43Bezoedelt u dus niet en verontreinigt u niet door iets van dat kruipend gedierte, waardoor ge onrein wordt.
43Ye shall not make yourselves abominable with any creeping thing that creepeth, neither shall ye make yourselves unclean with them, that ye should be defiled thereby.
44Want Ik, Jahweh, ben uw God! Gedraagt u dus heilig, en weest heilig, omdat Ik heilig ben. Verontreinigt u niet door al het ongedierte, dat over de grond kruipt;
44For I am the LORD your God: ye shall therefore sanctify yourselves, and ye shall be holy; for I am holy: neither shall ye defile yourselves with any manner of creeping thing that creepeth upon the earth.
45want Ik ben Jahweh, die u uit Egypte heb geleid, om uw God te zijn. Weest heilig, omdat Ik heilig ben.
45For I am the LORD that bringeth you up out of the land of Egypt, to be your God: ye shall therefore be holy, for I am holy.
46Dit is de wet op de viervoetige dieren, de gevleugelde dieren, alle levende wezens, die in het water wemelen, en alle beesten, die over de grond kruipen;
46This is the law of the beasts, and of the fowl, and of every living creature that moveth in the waters, and of every creature that creepeth upon the earth:
47ter onderscheiding van onrein en rein, van dieren, die gegeten mogen worden, en dieren die ge niet moogt eten.
47To make a difference between the unclean and the clean, and between the beast that may be eaten and the beast that may not be eaten.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.