Deuteronomium 32
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Hoort hemelen, want ik ga spreken, Luister, aarde, naar de woorden van mijn mond;
1Прихилїтесь небеса, я промовляти буду; слухай і ти, земле, слова з уст моїх!
2Mijn leerdicht strome neer als de regen, Mijn rede druppele als de dauw, Als neerslag op het jonge gras, Als een stortbui op het groene kruid.
2Нехай же, як дощ, лється наука моя, як роса промова моя, як рісні краплї на траву, як буйний дощ на билину.
3Want Jahweh’s naam wil ik verkonden; Geeft eer aan onzen God!
3Бо імя Господа прославляти буду: Воздайте славу Богові нашому!
4De Rots is Hij, volmaakt in zijn werken, Want al zijn wegen zijn gerecht; Een God van trouw en zonder bedrog, Rechtvaardig en gerecht is Hij.
4Він скеля: дїла його звершені; всї бо дороги його справедливі. Він Бог вірний і без омани, справедливий і правдивий!
5Maar zijn ontaarde zonen stonden tegen Hem op, Dat vals en bedorven geslacht!
5Та вони зледащіли; се кодло, що перевернулось і спроневірилось соромними вчинками, від котрих далекі сини його.
6Durft gij Jahweh zó vergelden, Gij dwaas en onverstandig volk? Is Hij niet uw vader, die u geschapen, Die u gemaakt heeft, en u heeft gegrond?
6О безрозумний і безглуздий народе! Так то оддячуєш ти Господеві? Чи не він же твій батько, що сотворив тебе? Він сотворив тебе, і зготовив все для тебе.
7Herinner u de dagen van weleer, Gedenk de jaren van vroegere geslachten; Vraag het uw vader, hij zal het u melden, Uw grijsaards, zij zullen het u zeggen:
7Спогадай но давні давна, подумай про лїта від роду до роду; розпитай у батька твого, і він звістить тобі, в людей старих твоїх, і вони розкажуть тобі!
8Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfdeel gaf, En de kinderen der mensen scheidde, Toen stelde Hij de grenzen der volken vast, Naar het aantal der zonen Gods;
8Як Всевишнїй надїляв наслїддє народам, як роздїлював синів людських, тодї визначив гряницї по лїчбі синів Ізраїля.
9Maar het deel van Jahweh was zijn volk, Jakob was zijn erfdeel,
9Бо пай Господа нарід його; Яков удїл наслїддя його.
10Hij vond hem in een woestenij In de eenzaamheid, bij het huilen der steppe. Hij heeft hem met zorgen omringd, en vertroeteld, Als de appel van zijn oog hem bewaard;
10Він знайшов його в пустинї, в степу безлюдному і дикому; він охоронив його, пильнував його, і беріг його як зїницї ока свого.
11Als een adelaar, die zijn nest wil lokken, En boven zijn jongen blijft zweven, Zijn vleugels spreidt, en ze opneemt, Ze draagt op zijn wieken.
11Як орел визиває гнїздо своє, і над орлятами ширяє, крила свої простирає, бере, і несе їх на широких крилах своїх;
12Alleen Jahweh heeft hem geleid, Geen vreemde god stond hem bij!
12Так виводив його Господь сам, і не бувало з ним чужого бога.
13Hij liet hem de toppen der aarde bestijgen, De vruchten eten van het veld, Hem honing zuigen uit een rots, En olie uit een harde steen.
13Водив його по горах землї і кормив його плодами поля; і дав йому ссати мед по скелях і цїдити олїю по креминистих горах;
14Van de room der runderen en de melk der schapen, Van het vet van lammeren en rammen, Van de stieren van Basjan, van de bokken En van het vette merg van graan, Van het druivenbloed, van de wijn, die ge dronkt, Zijt gij vet geworden, dik en gemest.
14Кормив його маслом коровеним і молоком овечим, і туком годованих овець і баранів Базанських і козлів, і ядерним зерном пшеницї; ти пив добірне вино, кров виноградню.
15Toen Jakob gegeten had, verzadigd was, Jesjoeroen vet was geworden, sloeg hij achteruit, En verwierp hij zijn God, die hem had geschapen; Versmaadde hij de Rots van zijn heil.
15І потовстїв праведник та й став буяти; ти став товстий, грубий, жирний! І покинув він Бога, що сотворив його, і став гордувати скельою спасення свого.
16Zij prikkelden Hem met vreemde goden, Met hun gruwelen tartten zij Hem.
16Дразнили його чужими богами а гидотами приводили його до гнїву.
17Zij offerden aan duivels, aan goden van niets, Goden, die zij nooit hadden gekend: Nieuwelingen, eerst onlangs gekomen, Voor wie uw vaderen nooit hadden gevreesd.
17Вони приносили жертву бісам а не Богу, богам, що не знали їх досї, новим, що тільки позаводено їх, яких батьки ваші не шанували.
18Maar de Rots, die u verwekte, hebt ge vergeten, Vergeten den God, die u baarde!
18А про скелю, що появила тебе на сьвіт, ти не дбав і забув про Бога, що сотворив тебе.
19God zag het, en verwierp Uit gramschap zijn zonen en dochters.
19І побачив се Господь, та й відопхнув їх в гнїві над синами своїми і дочками своїми.
20Hij sprak: Ik zal voor hen mijn aanschijn verbergen, En wil zien, wat hun einde zal zijn; Want zij zijn een bedorven geslacht, Trouweloze kinderen!
20І промовив він: Заховаю лице моє від них, побачу я, як конець їх буде; вони бо кодло зовсїм зледащіле, дїти, в яких нема вірностї.
21Zij hebben Mij geprikkeld door een god van niets, Mij door hun ijdelheden getart. Maar Ik zal hen prikkelen door een volk van niets, Hen tarten door een ijdel volk;
21Вони завдали менї жалю своїм Не-Богом, розгнївили мене своїми марностями: тим то завдам і я їм жалю ненародом, народом безумним завдам їм горя.
22Want een vuur is ontvlamd in mijn woede, Dat tot het diepst van het dodenrijk brandt! Het zal de aarde met haar gewassen verteren, De grondvesten der bergen verzengen.
22Запалав бо мій гнїв і горіти ме аж до дна підземної пропастї, і пожере він землю і плоди її, і попалить основини гір.
23Ik zal hen overstelpen met rampen, Mijn pijlen verschieten tegen hen;
23Згромаджу на них всї нещастя та й оберну всї стріли мої на них.
24Zij zullen uitgeput worden door honger, Verteerd door koorts en giftige pest. Tanden van wilde beesten laat Ik tegen hen los, Met venijn van serpenten in het stof;
24Як гинути муть з голоду, і як пожирати ме їх горячка і люта чума, пішлю на них ще зуби диких зьвірів, і їдь гадюк.
25Buiten moordt het zwaard hen uit, De schrik binnenshuis: Jongemannen als maagden Zuigelingen met grijsaards.
25По улицях буде гострий меч губити, а в домівках страх побивати: і пареня і дївицю і немовлятко і старця.
26Ik had zeker gezegd: Ik vaag ze weg, Laat zelfs hun gedachtenis onder de mensen verdwijnen,
26Я сказав би: Розсїю їх і зроблю конець їх памятї між людьми!
27Zo Ik de hoon van den vijand niet vreesde, Hun tegenstanders het niet verkeerd zouden verstaan, En zouden zeggen: Het was onze machtige hand, Niet Jahweh heeft dit alles gedaan!
27Коли б не пиха ворогів їх, та коли б вороги їх, побачивши се, не мовляли: Не Господь зробив все се, а потужна рука наша!
28Want ze zijn een volk, dat het begrip heeft verloren, En zonder verstand;
28Се народ, для якого нема ради; нема там розуму між ними.
29Waren ze wijs, ze zouden het hebben begrepen, En hun krijgsgeluk hebben verstaan.
29Коли б то був у них розум, то зрозуміли б вони, який конець їм буде!
30Hoe toch zou één er duizend hebben vervolgd, En twee er tienduizend op de vlucht kunnen jagen, Zo hun Rots ze niet had prijsgegeven? En Jahweh ze niet had overgeleverd?
30Як же би міг один чоловік гнати тисячу, а двох їх десять тисячі люда, як би Господь, їх скеля, не передав їх і не віддав їх в руки?
31Want niet als onze Rots is de hunne: Dat erkennen onze vijanden zelf!
31Бо не така їх скеля, як наша скеля: так судять самі вороги наші.
32Neen, van Sodoma’s wijnstok stammen hun ranken, En van Gomorra’s wingerd: Hun druiven zijn giftige bessen, Hun trossen vol bitterheid.
32Бо виноград їх від винограду Содомського та з поля Гоморського; ягоди їх їдовиті ягоди, гіркі їх грона.
33Drakengif is hun wijn, Dodelijk addervenijn.
33Вино їх се їдь гадюча і погибельна отрута змієва.
34Ligt dat niet bij Mij bewaard In mijn schatkamers verzegeld
34Хиба се не сховане в мене, не запечатане в коморах моїх?
35Voor de dag van wraak en vergelding, Voor de tijd, dat hun voeten wankelen? Want nabij is de dag van hun ondergang, Wat hun bereid is, snelt toe!
35Моя пімста і відплата буде того часу, як ноги їх хитати муться; день бо погибелї їх близько, а що чикає їх, те вже постигає їх.
36Want Jahweh schaft recht aan zijn volk En ontfermt zich over zijn dienaars, Wanneer Hij ziet dat hun kracht is geweken, En er geen slaaf en geen vrije meer is.
36Но Господь судити ме нарід свій і змилосердується над рабами своїми, як побачить, що поникла їх сила, і не стало нї невольника нї вільного.
37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn nu hun goden, De rots, tot wie zij hun toevlucht namen:
37І скаже він: Де ж боги їх, скеля, що на неї вповали,
38Die het vet van hun slachtoffers aten, En de wijn van hun plengoffers dronken? Laat hen opstaan en u helpen, Een schutse voor u zijn!
38Де вони, що поїдали тук жертов їх заколюваних, і пили вино, жертву їх ливну? Нехай встануть і поможуть вам, нехай будуть вам охороною.
39Ziet nu, dat Ik, Ik het ben, En dat er geen God naast Mij is: Ik dood en maak levend, verbrijzel en heel! En er is niemand, die redt uit mijn hand!
39Подивітесь тепер, що я, се я, що стою, і нема Бога кромі мене! Я вбиваю і оживляю, я задаю рани і сцїляю; і нема нїкого, хто б спас із руки моєї!
40Waarachtig, Ik hef mijn hand naar de hemel, En zeg: Zowaar Ik eeuwig leef!
40Бо я підіймаю руку мою до неба і кажу вам: Я живу вічно!
41Wanneer Ik mijn bliksemend zwaard heb gewet, En mijn hand naar het strafgericht grijpt, Zal Ik mij wreken op mijn vijand, En die Mij haten, doen boeten.
41Як вигострю блискучого меча мого і рука моя на суд підніметься, то відомщу ворогам моїм і відплачу ненавидникам моїм.
42Dan maak Ik mijn pijlen dronken van bloed, En mijn zwaard zal vlees verslinden: Van het bloed der verslagenen en gevangenen, Van het hoofd der vijandelijke vorsten.
42Стріли мої напою кровю, а меча мого нагодую тїлом — кровю побитих і бранцїв і головами князїв ворога.
43Stemt, naties, een jubelzang aan voor zijn volk, Omdat Hij het bloed van zijn dienaren wreekt, Wraak aan zijn vijanden oefent Maar het land van zijn volk vergiffenis schenkt!
43Веселїтесь, народи, з його народом! Він бо помстить кров рабів своїх, відомстить ворогам своїм, а землї своїй, народові свому, простить.
44Zo trad Moses met Josuë, den zoon van Noen, naar voren, en zong al de woorden van dit lied ten aanhoren van het volk.
44І прийшов Мойсей і промовляв усї слова сієї піснї, щоб чув нарід, він і Йозей Нуненко.
45En toen Moses al deze woorden ten einde toe voor heel Israël had gesproken,
45І як скіньчив Мойсей промовляти всї ті слова до всього Ізраїля, тодї сказав ще до них:
46zeide hij hun: Neemt al de vermaningen, die ik u heden heb ingeprent, ter harte, en beveelt uw zonen, al de woorden van deze Wet nauwgezet te volbrengen.
46Прийміть же до вашого серця всї слова, що їх сьвідкую між вами сьогоднї, щоб ви заповідали їх синам вашим, а вони вбачали і сповняли всї слова закону сього.
47Want het is geen ijdel woord voor u, maar het betekent uw leven; slechts door dit woord zult ge lang in het land kunnen wonen, dat ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen.
47Се бо не пусте слово про вас, а життє ваше; і сим словом ви продовжите днї у землї, куди ійдете через Йордань, щоб заняти її.
48Nog op diezelfde dag sprak Jahweh tot Moses:
48Того ж самого дня промовив Господь до Мойсея словами:
49Bestijg hier het gebergte Abarim, de berg Nebo in het land Moab en tegenover Jericho, en werp een blik over het land Kanaän, dat Ik aan de kinderen Israëls in eigendom ga geven.
49Вийди на сї гори Абарим, на гору Небо, що в землї Моабській, проти Єрихону, і подивись на Канаан землю, що я даю в державу синам Ізрайлевим;
50Dan zult ge op de berg, die ge bestijgt, sterven en verzameld worden bij uw volk, zoals uw broeder Aäron op de berg Hor is gestorven en bij zijn volk is verzameld.
50І ти вмреш на горі, що вийдеш на неї, та й прилучишся до свого народу; так як Арон, брат твій, вмер на горі Гор та й прилучивсь до народу свого;
51Want gij beiden zijt Mij ontrouw geweest te midden van Israëls kinderen bij het water van Meribat-Kadesj in de woestijn van Sin, en hebt Mij niet als heilig behandeld te midden van Israëls kinderen.
51Се ж за те, що ви согрішили проти мене серед синів Ізрайлевих над водами Мерива-Кадес, у Зин степу за те, що не явили сьвятостї моєї серед синів Ізрайлевих. Тим же то бачити меш перед собою землю, та не прийдеш до неї, до землї тієї, що надїляю синам Ізрайлевим.
52Gij zult het land, dat Ik aan Israëls kinderen zal geven, voor u zien liggen, maar het niet binnengaan.
no verse 52 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.