Deuteronomium
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Daarna trokken wij weer de woestijn in, in de richting van de Rode Zee, zoals Jahweh het mij had gelast, en reisden lange tijd om het Seïr-gebergte heen.
1Потім повернули ми та й рушили дальше степом до Червоного моря, як велїв менї Господь, і довго ми обминали Сеїр-гори.
2Toen sprak Jahweh tot mij:
2І промовив до мене Господь:
3Gij hebt nu lang genoeg rond dit gebergte gezworven; wendt u nu naar het noorden.
3Досить довго ви обходили сї гори, повернїте на північ.
4Maar geef het volk dit bevel: Gij komt nu door het gebied van uw broeders, de zonen van Esau, die in Seïr wonen, en die bevreesd voor u zijn. Maar wacht u er wel voor,
4А людові повели, кажучи: Будете тепер переходити через займища братів ваших, синів Єзавових, що живуть на Сеїр-горах, і будуть вони боятись перед вами; тому стережіться.
5de strijd met hen aan te binden, want Ik zal u zelfs geen voetbreed van zijn land geven, daar Ik het Seïr-gebergte als erfelijk bezit aan Esau heb geschonken.
5Не зачинайти войни з ними: бо не дам вам нї ступня землї їх; бо Сеїр-гори віддав я Езавові в державу.
6Het voedsel, dat ge nodig hebt, moet ge dus voor geld van hem kopen en zelfs geld geven voor het nodige water.
6Харчі купуйте в них за гроші, щоб було що їсти вам, навіть і воду копувати мусите в них за гроші, щоб було що пити вам.
7Waarachtig, Jahweh, uw God, heeft u gezegend bij al wat ge hebt ondernomen. Hij droeg zorg voor u bij uw tocht door deze grote woestijn. Jahweh, uw God, is veertig jaar lang met u geweest, en het heeft u aan niets ontbroken.
7Бо Господь, Бог твій, благословив тебе в усякому дїлї руки твоєї. Знав він дороги твої по великому степу сьому: сї сорок років був Господь, Бог твій, з тобою; нічого не бракувало в тебе.
8Zo trokken wij onze broeders, de zonen van Esau, die op het Seïr-gebergte wonen voorbij, over de weg van de Araba, langs Elat en Es-jon-Géber, en namen de richting van de steppe van Moab.
8І йшли ми дальше від братів наших, синів Езавових, що живуть на Сеїр-горах, від дороги на поділлю, від Елата і від Езйон-Гебер; і повернули ми та й пійшли дорогою у степи Моаба.
9Toen sprak Jahweh tot mij: Gij moogt ook Moab niet bestrijden, en geen oorlog met hem beginnen; want Ik zal u niets van zijn land in eigendom geven, daar Ik Ar aan de zonen van Lot als erfelijk bezit heb geschonken.
9І промовив до мене Господь: Не турбуй Моаба і не починай з ними війни, бо не дам тобі нїчого із землї його в державу; бо віддав я Ар синам Лотовим у державу.
10Vóór hen woonden daar de Emieten, een volk groot, talrijk en machtig als de Anakskinderen;
10Перше жили у сїй землї Еміми, люд великий по лїчбі і ростом високий як Енакими.
11ze werden als Refaïeten beschouwd, evenals de Anakskinderen, maar de Moabieten noemden hen Emieten.
11За велетнїв вважали їх, як і Енакимів; а Моабії звуть їх Емимами.
12In Seïr woonden vroeger de Chorieten, maar de zonen van Esau hadden hen verdreven en uitgeroeid, en woonden daar in hun plaats; dus juist zoals Israël met het land heeft gedaan, dat Jahweh hun in erfelijk bezit heeft gegeven.
12А на Сеїр-горах жили перше Горії, та упокорили їх сини Езавові і знищили їх перед собою, та й поселились на займищах їх, зробивши так, як зробив Ізраїль в землї держави своєї, що дав йому Господь.
13Op dus, en steekt de beek Zéred over! En zo zijn wij de beek Zéred overgetrokken.
13Тепер вставайте і перебирайтесь через Серед-ріку. І перебріли ми Серед-ріку.
14Intussen waren er acht en dertig jaren verlopen, sinds wij van Kadesj-Barnéa waren vertrokken en de beek Zéred waren overgestoken; lang genoeg om heel het geslacht van weerbare mannen in de legerplaats te doen sterven, zoals Jahweh het hun had gezworen;
14А часу того, що йшли ми від Кадес-Барне, покіль перебріли Серед-ріку, минуло трийцять і вісїм років, аж поки ізник увесь рід боївників із табору, як поклявсь їм Господь.
15bovendien was de hand van Jahweh op hen blijven drukken, om hen tot den laatsten man toe uit de legerplaats te verdelgen.
15Сама рука Господня була проти них, щоб вигубити їх із табору, аж їх не стало.
16Toen nu alle weerbare mannen onder het volk tot den laatsten toe waren uitgestorven,
16І сталось, як всї спосібні до війни люде повимірали з між народу,
17sprak Jahweh tot mij:
17Тодї промовив Господь до мене так:
18Ge trekt nu Ar, het gebied van Moab, voorbij,
18Перейдеш тепер через гряницї Моаба, мимо Ара.
19en komt in de buurt van de Ammonieten. Ook hen moogt ge niet bestrijden, en geen oorlog met hen beginnen; want Ik zal niets van het land der Ammonieten u in eigendom geven, daar Ik het aan de zonen van Lot als erfelijk bezit heb geschonken.
19І приближишся проти синів Амона; не тїсни їх і не починай війни з ними, бо не дам тобі держави з землї синів Амонових; бо синам Лотовим я оддав її в державу.
20Ook dit rekende men tot het land der Refaïeten, daar er vroeger de Refaïeten hadden gewoond, die door de Ammonieten Zamzoemmieten werden genoemd.
20Вважали ж і її землею велетнїв; перше жили там велетнї, і Амонії звали їх Самзумимами.
21Het was een volk groot, talrijk en machtig als de Anakskinderen. Maar Jahweh had het voor hen uitgeroeid, zodat zij het hadden verdreven, en daar in zijn plaats bleven wonen;
21Люд той був великий лїчбою, і ростом високий як Енакії; і вигубив їх Господь перед ними, і прогнали вони їх, та осїлись на їх місцї,
22dus juist zoals Hij voor de zonen van Esau had gedaan, die in Seïr wonen, en voor wie Hij de Chorieten had uitgeroeid, zodat zij ze hadden verdreven, en daar tot op de dag van heden in hun plaats bleven wonen;
22Так як вчинив синам Езавовим, що жиють на Сеїр-горах, перед котрими він вигубив Горіїв; і прогнали вони їх і живуть на займищі їх й досї.
23en zoals ook de Kaftorieten, die uit Kaftor waren weggetrokken, de Awwieten, die de dorpen bewoonden tot Gaza toe, hadden uitgeroeid, en daar in hun plaats bleven wonen.
23А Авимів, що жили селами до Гази, вигубили Кафторими, що, вийшовши з Кафтора, осїлись на займищах їх.
24Op, trekt verder, en steekt de beek Arnon over! Zie, Ik heb Sichon, den Amoriet, den koning van Chesjbon, en zijn land aan u overgeleverd; maak een begin met de verovering, en bind de strijd met hen aan.
24Вставайте, рушайте в дорогу і переходьте Арнон-ріку. Глянь, оддав я тобі в руки Сигона, царя з Гезбона, Аморія, і землею його; починай, бери в державу, і бий на його!
25Van nu af zal Ik schrik en ontzetting voor u gaan verspreiden bij de volken onder heel de hemel, die van angst voor u zullen beven en sidderen, als ze maar van u horen.
25З того дня почну наводити ляк і пострах перед тобою на всї народи під небесами, що перечують поголоску про тебе і дрожати і тремтїти муть перед тобою.
26Toen zond ik uit de woestijn Kedemot gezanten naar Sichon, den koning van Chesjbon, met het vredelievend verzoek:
26І послав я посли з Кадемот-степу до Сигона, царя Гезбонського, з мирними словами, кажучи:
27Ik zou door uw land willen trekken. Maar ik zal mij aan de wegen houden, zonder naar rechts of links af te wijken.
27Дозволь перейти менї через землю твою! Буду йти тілько по дорозї, не звертати му нї на право, нї на лїво.
28Verschaf me tegen betaling het voedsel, dat ik nodig heb, en geef me voor geld het nodige water. Laat mij er slechts doorheen,
28Харчі за гроші давати меш менї, щоб було нам що їсти, і воду за гроші давати меш менї, щоб було нам що пити. Тілько ногами перейду,
29zoals de zonen van Esau, die te Seïr wonen, en de Moabieten in Ar mij dit hebben toegestaan, totdat ik de Jordaan overtrek naar het land, dat Jahweh, onze God, ons gaat schenken.
29Як се вчинили менї сини Езавові, що живуть на Сеїр-горах, і Моабії, що живуть в Арі, покіль перейду через Йордань у землю, що Господь, Бог наш, дає нам.
30Maar Sichon, de koning van Chesjbon, wilde ons niet door zijn land laten trekken; want Jahweh, uw God, had zijn gemoed verstompt en zijn hart versteend, om hem in uw hand te leveren, zoals thans het geval is.
30Та затявся Сигон, царь Гезбонський, і не дозволив нам перейти через землю свою; бо Господь, Бог твій, зробив духа його запеклим а серце його камінним, щоб віддати його в руки тобі, як се й сталось.
31Nu sprak Jahweh tot mij: Zie, Ik ga Sichon en zijn land aan u overleveren; begin de verovering, en neem zijn land in bezit.
31І промовив Господь до мене: Дивись, я почав оддавати тобі Сигона і землю його; починай займати, щоб земля його була твоя.
32En toen Sichon met al zijn volk naar Jáhas trok, om ons te bestrijden,
32І виступив Сигон проти нас, сам він і ввесь люд його до бою, під Язазом.
33leverde Jahweh, onze God, hem aan ons over, en versloegen wij hem met zijn zonen en al zijn volk.
33Та опустив його перед нами Господь, Бог наш, і ми побили його й синів його і ввесь люд його.
34Wij namen toen al zijn steden, sloegen iedere stad met mannen, vrouwen en kinderen met de ban, en lieten niemand ontkomen.
34І того часу підневолили ми всї городи його, та й обрекли всїх людей: мужчин і жіноцтво і дїтей; не дали нїкому втїкти.
35Alleen het vee en de buit van de veroverde steden behielden we voor ons zelf.
35Взяли про себе тільки скотину як здобиччу і луп по городах, що їх попідневолювали.
36Van Aroër af, dat aan de rand van het Arnondal ligt, met de stad in het dal, was er tot aan Gilad geen vesting, die voor ons onneembaar was; Jahweh, onze God, leverde ze allen aan ons over.
36Від Ароеру, що по берегах ріки Арнона, та від міста, що по долинї коло ріки розкинулось, аж до Гілеаду не було міста, щоб його не подужали; все передав нам Господь, Бог наш.
37Maar het land der Ammonieten, heel het randgebied van de beek Jabbok en de steden van het gebergte, hebt ge niet bestreden, juist zoals Jahweh, onze God, het geboden had.
37Тільки до землї синів Амонових ти не приступав, нї до всього побережжя Ябока, нї до городів у горах, нї до всього, що заповідав Господь, Бог наш, не чіпати.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.