Deuteronomium 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Hoor, Israël! Thans trekt ge naar de overkant van de Jordaan, om volken te onderwerpen, die groter en sterker zijn dan gij, met steden groot en met muren tot de hemel;
1Слухай, Ізраїлю! Ти сьогоднї переходиш через Йордань, щоб увійти й запанувати над народами, що більші й потужніщі за тебе, і заняти міста великі й утверджені під саме небо,
2om een groot en machtig volk te onderwerpen, de Anakskinderen, die ge kent, en van wie ge hebt horen zeggen: Wie houdt stand voor de Anakskinderen?
2Над народом великим і високорослим, над синами Енакіїв, що знаєш їх і чув про них: Хто встоїть проти синів Енака?
3Beseft dan heden, dat het Jahweh, uw God is, die als een verslindend vuur voor u uitgaat; Hij zal ze verdelgen en voor u vernederen, zodat gij ze spoedig zult kunnen verdrijven en vernietigen, zoals Jahweh het u heeft beloofd.
3Знай же, що Господь, Бог твій, іде поперед тебе як огонь пожераючий; він сам їх вигубить і сам їх нахилить перед тобою; і ти проженеш їх і знищиш їх чим скорше, так як тобі казав Господь.
4Maar wanneer Jahweh, uw God, ze voor u heeft uitgedreven, meen dan niet bij uzelf: Om mijn gerechtigheid heeft Jahweh mij hierheen geleid en dit land in bezit laten nemen; want om de boosheid dezer volken drijft Jahweh ze voor u uit.
4Як випре їх Господь Бог твїй, перед тобою, не мовляй: За праведність мою привів мене Господь, Бог мій, опанувати сю землю, і за беззаконство сих народів Господь вигубив їх передо мною.
5Neen, niet om uw gerechtigheid en onberispelijk gedrag gaat ge hun land in bezit nemen; maar om de boosheid dezer volken drijft Jahweh, uw God, ze voor u uit, en ook om zijn woord gestand te doen, dat Jahweh aan uw vaderen, aan Abraham, Isaäk en Jakob heeft gezworen.
5Не за праведність твою і не за правоту серця твого ти увіходиш сюди, щоб зайняти землю їх, а за беззаконність сих народів Господь, Бог твій, проганяє їх перед тобою та щоб справдити слово, що ним клявся Господь батькам твоїм, Авраамові, Ізаакові і Яковові.
6Begrijpt het dus goed, dat het niet om uw gerechtigheid is, dat Jahweh, uw God, u dit heerlijke land in bezit geeft; neen, want ge zijt een hardnekkig volk.
6Так знай же, що Господь, Бог твій, дає тобі сю гарну землю на оселю не за твою праведність; бо запеклий ти народ.
7Denk er aan en vergeet het nooit, hoe gij Jahweh, uw God, in de woestijn hebt vergramd; hoe gij sinds de dag, dat gij uit Egypte zijt getrokken, totdat gij op deze plaats zijt gekomen, weerspannig zijt geweest tegen Jahweh.
7Памятай, не забувай, як прогнївляв єси Господа, Бога твого, в степу! З того дня, як вийшов єси з Египту, аж до вашого приходу на се врочище, ви упираєтесь проти Господа.
8Bij de Horeb hebt gij Jahweh zo hevig vergramd, dat Jahweh in zijn toorn u had willen verdelgen.
8І під Горебом прогнївили ви Господа; і розлютився Господь на вас так, що хотїв був вигубити вас.
9Ik had toen de berg beklommen, om de stenen tafelen, de tafelen van het Verbond, dat Jahweh met u had gesloten, in ontvangst te nemen, en was veertig dagen en veertig nachten op de berg gebleven, zonder brood te eten of water te drinken.
9Як вийшов я на гору, щоб приняти камяні таблицї, таблицї завіту, що вчинив його Господь із вами, то пробував я на горі сорок день і сорок ночей, хлїба не їв я і води не пив,
10En Jahweh had mij de twee stenen tafelen gegeven, die door Gods vinger waren beschreven, en waarop alle geboden stonden, die Jahweh op de berg midden uit het vuur u had gegeven, op de dag, dat Hij u bijeen had geroepen.
10І дав менї Господь дві камяні таблицї, писані пальцем Божим; а на їх були написані всї ті слова, якими розмовляв з вами Господь на горі ізсеред поломя, в день соборний.
11Toen Jahweh dan aan het einde van die veertig dagen en veertig nachten mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het Verbond, had gegeven,
11Тодї, як скіньчилось сорок днїв і сорок ночей, дав Господь менї дві камяні таблицї, таблицї завіту.
12sprak Hij tot mij: Sta op, ga snel van hier naar beneden, want uw volk, dat gij uit Egypte hebt geleid, is diep bedorven. Het heeft nu de weg al verlaten, die Ik het heb voorgeschreven, en zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.
12І рече до мене Господь: Устань, спустись чим скорше звідсї! Бо нарід твій, що вивів єси з Египту, зледачів, швидко вони покинули дорогу, що я заповідав їм, зробили собі вилиту постать.
13En Jahweh vervolgde tot mij: Ik heb nu gemerkt, wat voor een volk het is, een hardnekkig volk.
13І промовив до мене Господь: Бачив я нарід сей, та ось він упертий нарід.
14Laat Mij begaan; Ik zal ze vernietigen en hun naam onder de hemel verdelgen, en van u een sterker en talrijker volk maken dan dit.
14Ійди від мене геть, я вигублю їх і зітру імя їх спід небес, і зроблю тебе людом більшим і потужніщим за них.
15Toen keerde ik om, en daalde af van de berg, die in vlammen stond, met de beide tafelen van het Verbond in mijn handen.
15І я повернувся та й спустивсь із гори, а гора палала поломєм, і на обох руках в мене дві камяні завітні таблицї.
16Ik moest het aanschouwen, dat gij hadt gezondigd tegen Jahweh, uw God, u een gegoten kalf hadt gemaakt, en al spoedig de weg hadt verlaten, die Jahweh u had voorgeschreven.
16І глянув я, та й бачу, ви согрішили проти Господа, Бога вашого; ви зробили собі вилитого бичка; швидко ви звернули з дороги, що її заповідав вам Господь.
17Toen pakte ik de beide tafelen, slingerde ze uit mijn handen, smeet ze stuk voor uw ogen.
17І вхопив я обидві таблицї, та й кинув їх обома руками моїми і розбив їх перед очима вашими.
18Daarna wierp ik mij als de eerste maal veertig dagen en veertig nachten, zonder brood te eten of water te drinken, voor Jahweh neer, om heel uw zondig gedrag, en om het kwaad, dat ge in de ogen van Jahweh gedaan hadt, door Hem te tarten.
18І припав я до землї перед Господом сорок день і сорок ночей, як перше, хлїба не ївши й води не пивши, за всї гріхи ваші, якими ви согрішили, витворюючи ледаче перед очима Господа, чим ви дразнили його.
19Want ik was bang voor de toorn en de gramschap van Jahweh, die zo hevig op u was verbolgen, dat Hij u wilde verdelgen. En ook ditmaal verhoorde mij Jahweh.
19Бо лякався я гнїва і лютостї, якою закипів Господь на вас, так що хотїв погубити вас. Та послухав Господь мене й сим разом.
20Ook op Aäron was Jahweh zo hevig vergramd, dat Hij ook hem wilde verdelgen; daarom bad ik toen ook voor Aäron.
20І на Арона вельми гнївавса Господь, так що хотїв був згубити його, та благав я тодї й за Арона.
21Het kalf, dat ge gemaakt hadt, en waarmee ge hadt gezondigd, nam ik weg, en verbrandde het in het vuur; ik sloeg het aan stukken en stampte het fijn, tot het tot stof was vergruizeld; toen wierp ik het stof in de beek, die van de berg stroomt.
21А бичка, гріх ваш, що ви зробили, взяв я і спалив його огнем, і розбивши в грудки, розмолов їх аж порохом стали: і викинув я сей порох до потока, що із гори збігав.
22Ook te Tabera, te Massa en te Kibrot-Hattaäwa, hebt gij de toorn van Jahweh opgewekt.
22Так само розгнївили ви Господа при Табері й при Массі і при Киброт-Гаттааві.
23En toen Jahweh u uitzond van Kadesj-Barnéa en tot u sprak: “Trekt op, en neemt het land in bezit, dat Ik u heb gegeven”, hebt gij u verzet tegen het bevel van Jahweh, uw God, niet in Hem geloofd en niet naar Hem willen luisteren.
23І як вас послав Господь із Кадес-Барне кажучи: Ідїть в гори і займіть землю, що я дав вам, так встали ви проти слова Господа, Бога вашого, і не поняли віри йому і не послухали голосу його.
24Gij zijt tegen Jahweh weerspannig geweest van de dag af, dat ik u ken.
24Противились ви Господеві з того дня, від коли я зазнав вас.
25Toen ik mij dus, zoals ik zeide, die veertig dagen en veertig nachten voor Jahweh had neergeworpen, omdat Jahweh gezegd had, dat Hij u wilde verdelgen,
25І припав я ниць перед Господом, благав я сорок день і сорок ночей на колїнках; казав бо Господь, що хоче погубити вас.
26bad ik tot Jahweh en sprak: O Heer, Jahweh, verdelg uw volk en uw erfdeel toch niet, dat Gij door uw macht hebt bevrijd, en met sterke hand uit Egypte geleid.
26І моливсь я перед Господом словами: Добродїю мій, Господе! Не побивай люду твого й наслїддя твого, що визволив єси їх потугою твоєю, що вивів їх сильною рукою з Египту.
27Wees uw dienaren, Abraham, Isaäk en Jakob indachtig, en reken dit volk zijn halsstarrigheid, boosheid en zonde niet aan.
27Спогадай слугів твоїх, Авраама, Ізаака й Якова; не вважай на закаменїле серце люду сього, на беззаконня його й на гріх його;
28Laat het land, waaruit Gij ons hebt weggeleid, toch niet zeggen: “Omdat Jahweh niet machtig genoeg was, ze naar het land te brengen, dat Hij hun had beloofd, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze weggevoerd, om ze in de woestijn te doen sterven”.
28Щоб в землї, що з неї вивів єси нас, не сказали: Господь не здолїв провести їх у землю, що про неї казав їм; і зненавидїв тому й вивів їх, щоб погибли смертю у степу.
29Zij zijn toch uw volk en uw erfdeel, dat Gij met uw geweldige kracht en uw gespierde arm hebt uitgeleid!
29Все ж бо таки вони люди і наслїддє твоє, що ти вивів твоєю великою потугою і простягненою рукою.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.