Deuteronomium
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Daarna trokken wij weer de woestijn in, in de richting van de Rode Zee, zoals Jahweh het mij had gelast, en reisden lange tijd om het Seïr-gebergte heen.
1Potom obrátivše se, táhli jsme na tu poušť cestou k moři Rudému, jakož mluvil Hospodin ke mně, a obcházeli jsme horu Seir za dlouhý čas,
2Toen sprak Jahweh tot mij:
2Až mi řekl Hospodin takto:
3Gij hebt nu lang genoeg rond dit gebergte gezworven; wendt u nu naar het noorden.
3Dosti jste již obcházeli horu tuto, obraťtež se k straně půlnoční.
4Maar geef het volk dit bevel: Gij komt nu door het gebied van uw broeders, de zonen van Esau, die in Seïr wonen, en die bevreesd voor u zijn. Maar wacht u er wel voor,
4A lidu přikaž, řka: Půjdete přes pomezí bratří svých synů Ezau, kteříž bydlí v Seir. Ačkoli budou se vás báti, hleďte však pilně,
5de strijd met hen aan te binden, want Ik zal u zelfs geen voetbreed van zijn land geven, daar Ik het Seïr-gebergte als erfelijk bezit aan Esau heb geschonken.
5Abyste jich nedráždili; nebo nedám vám z země jejich ani šlepěje nožné, proto že v dědictví Ezau dal jsem horu Seir.
6Het voedsel, dat ge nodig hebt, moet ge dus voor geld van hem kopen en zelfs geld geven voor het nodige water.
6Pokrmů koupíte od nich za peníze, a jísti budete, i vody také ku pití za peníze od nich jednati budete.
7Waarachtig, Jahweh, uw God, heeft u gezegend bij al wat ge hebt ondernomen. Hij droeg zorg voor u bij uw tocht door deze grote woestijn. Jahweh, uw God, is veertig jaar lang met u geweest, en het heeft u aan niets ontbroken.
7Nebo Hospodin Bůh tvůj požehnal tobě při všeliké práci rukou tvých, a zná, že jdeš přes poušť velikou tuto; již čtyřidceti let Hospodin Bůh tvůj byl s tebou, aniž jsi měl v čem nedostatku.
8Zo trokken wij onze broeders, de zonen van Esau, die op het Seïr-gebergte wonen voorbij, over de weg van de Araba, langs Elat en Es-jon-Géber, en namen de richting van de steppe van Moab.
8A šli jsme od bratří našich, synů Ezau, kteříž bydlí v Seir, s cesty polní od Elat a od Aziongaber, a uchýlili jsme se, abychom šli cestou po poušti Moábské.
9Toen sprak Jahweh tot mij: Gij moogt ook Moab niet bestrijden, en geen oorlog met hem beginnen; want Ik zal u niets van zijn land in eigendom geven, daar Ik Ar aan de zonen van Lot als erfelijk bezit heb geschonken.
9I řekl mi Hospodin: Neškoď Moábským, ani jich popouzej k boji, nebo nedám tobě v zemi jejich dědictví, poněvadž synům Lot dal jsem Ar v dědictví.
10Vóór hen woonden daar de Emieten, een volk groot, talrijk en machtig als de Anakskinderen;
10(Emim prvé bydlili v ní, lid veliký a mnohý, a vysokého zrostu, jako Enakim.
11ze werden als Refaïeten beschouwd, evenals de Anakskinderen, maar de Moabieten noemden hen Emieten.
11Oni také za obry držáni byli jako Enakim, ale Moábští říkali jim Emim.
12In Seïr woonden vroeger de Chorieten, maar de zonen van Esau hadden hen verdreven en uitgeroeid, en woonden daar in hun plaats; dus juist zoals Israël met het land heeft gedaan, dat Jahweh hun in erfelijk bezit heeft gegeven.
12V Seir pak bydlili prvé Horejští, kteréž synové Ezau vyhnali, a zahladili je před tváří svou, a bydlili tu místo nich, jako učinil Izrael v zemi vládařství svého, kterouž jim dal Hospodin.)
13Op dus, en steekt de beek Zéred over! En zo zijn wij de beek Zéred overgetrokken.
13Nyní vstanouce, přejděte potok Záred. I přešli jsme potok Záred.
14Intussen waren er acht en dertig jaren verlopen, sinds wij van Kadesj-Barnéa waren vertrokken en de beek Zéred waren overgestoken; lang genoeg om heel het geslacht van weerbare mannen in de legerplaats te doen sterven, zoals Jahweh het hun had gezworen;
14Èasu pak, v němž jsme šli z Kádesbarne, až jsme přešli potok Záred, bylo let třidceti osm, dokavadž nebyl vyhlazen všecken věk mužů bojovných z prostřed stanů, jakož jim přisáhl Hospodin.
15bovendien was de hand van Jahweh op hen blijven drukken, om hen tot den laatsten man toe uit de legerplaats te verdelgen.
15Nebo ruka Hospodinova byla proti nim k setření jich z prostředku stanů, dokudž nevyhladil jich.
16Toen nu alle weerbare mannen onder het volk tot den laatsten toe waren uitgestorven,
16I stalo se, když všickni muži ti bojovní vyhynuli z prostředku lidu,
17sprak Jahweh tot mij:
17Že mluvil Hospodin ke mně, řka:
18Ge trekt nu Ar, het gebied van Moab, voorbij,
18Ty přejdeš dnes pomezí Moábské k městu Ar,
19en komt in de buurt van de Ammonieten. Ook hen moogt ge niet bestrijden, en geen oorlog met hen beginnen; want Ik zal niets van het land der Ammonieten u in eigendom geven, daar Ik het aan de zonen van Lot als erfelijk bezit heb geschonken.
19A přiblížíš se k synům Ammon. Nessužujž jich a nepopouzej jich k boji, nebo nedám tobě v zemi synů Ammon dědictví, poněvadž synům Lotovým dal jsem ji k vládařství.
20Ook dit rekende men tot het land der Refaïeten, daar er vroeger de Refaïeten hadden gewoond, die door de Ammonieten Zamzoemmieten werden genoemd.
20(I ona také držána byla za zemi obrů; nebo obrové před tím bydlili v ní, kterýmž Ammoninští říkali Zamzomim,
21Het was een volk groot, talrijk en machtig als de Anakskinderen. Maar Jahweh had het voor hen uitgeroeid, zodat zij het hadden verdreven, en daar in zijn plaats bleven wonen;
21Lid veliký a mnohý, a vysokého zrostu, jako Enakim. Ale zahladil je Hospodin před tváří jejich, a vešli v dědictví jejich, a bydlili na místě jejich,
22dus juist zoals Hij voor de zonen van Esau had gedaan, die in Seïr wonen, en voor wie Hij de Chorieten had uitgeroeid, zodat zij ze hadden verdreven, en daar tot op de dag van heden in hun plaats bleven wonen;
22Jakož učinil synům Ezau bydlícím v Seir, pro něž vyhladil Horejské před tváří jejich, i vešli v dědictví jejich, a bydlili na místě jejich až do dnešního dne.
23en zoals ook de Kaftorieten, die uit Kaftor waren weggetrokken, de Awwieten, die de dorpen bewoonden tot Gaza toe, hadden uitgeroeid, en daar in hun plaats bleven wonen.
23Hevejské také, kteříž bydlili v Azerim až do Gáza, Kaftorejští, kteříž vyšli z Kaftor, zahladili je, a bydlili na místě jejich.)
24Op, trekt verder, en steekt de beek Arnon over! Zie, Ik heb Sichon, den Amoriet, den koning van Chesjbon, en zijn land aan u overgeleverd; maak een begin met de verovering, en bind de strijd met hen aan.
24Vstanouce, beřte se a přejděte potok Arnon. Hle, dal jsem v ruce tvé Seona, krále Ezebon Amorejského, a zemi jeho; začniž jí vládnouti, a bojuj válečně proti němu.
25Van nu af zal Ik schrik en ontzetting voor u gaan verspreiden bij de volken onder heel de hemel, die van angst voor u zullen beven en sidderen, als ze maar van u horen.
25Dnes počnu pouštěti strach a lekání se tebe na lidi, kteříž jsou pode vším nebem, tak že kteřížkoli uslyší pověst o tobě, třásti a lekati se budou tváři tvé.
26Toen zond ik uit de woestijn Kedemot gezanten naar Sichon, den koning van Chesjbon, met het vredelievend verzoek:
26I poslal jsem posly z pouště Kedemot k Seonovi, králi Ezebon, s slovy pokojnými, řka:
27Ik zou door uw land willen trekken. Maar ik zal mij aan de wegen houden, zonder naar rechts of links af te wijken.
27Nechť projdu skrze zemi tvou, přímo cestou půjdu, neuchýlím se ani na pravo ani na levo.
28Verschaf me tegen betaling het voedsel, dat ik nodig heb, en geef me voor geld het nodige water. Laat mij er slechts doorheen,
28Pokrmů za peníze prodáš mi, abych jedl, vody také za peníze dáš mi, a píti budu; toliko pěšky projdu,
29zoals de zonen van Esau, die te Seïr wonen, en de Moabieten in Ar mij dit hebben toegestaan, totdat ik de Jordaan overtrek naar het land, dat Jahweh, onze God, ons gaat schenken.
29Jakož mi učinili synové Ezau, kteříž bydlí v Seir, a Moábští, kteříž bydlí v Ar, dokudž nepřejdu Jordánu, jda k zemi, kterouž Hospodin Bůh náš dává nám.
30Maar Sichon, de koning van Chesjbon, wilde ons niet door zijn land laten trekken; want Jahweh, uw God, had zijn gemoed verstompt en zijn hart versteend, om hem in uw hand te leveren, zoals thans het geval is.
30Ale nechtěl dopustiti Seon, král Ezebon, abychom prošli zemi jeho; nebo byl zatvrdil Hospodin Bůh tvůj ducha jeho, a ztužil srdce jeho, aby dal jej v ruce tvé, jakož se vidí podnes.
31Nu sprak Jahweh tot mij: Zie, Ik ga Sichon en zijn land aan u overleveren; begin de verovering, en neem zijn land in bezit.
31(Nebo řekl mi byl Hospodin: Aj, již jsem počal v moc dávati tobě Seona i zemi jeho; začniž jí vládnouti, abys dědičně obdržel zemi jeho.)
32En toen Sichon met al zijn volk naar Jáhas trok, om ons te bestrijden,
32A vytáhl byl Seon proti nám, on i všecken lid jeho k boji do Jasa.
33leverde Jahweh, onze God, hem aan ons over, en versloegen wij hem met zijn zonen en al zijn volk.
33I dal jej nám Hospodin Bůh náš, a porazili jsme ho s syny jeho i se vším lidem jeho.
34Wij namen toen al zijn steden, sloegen iedere stad met mannen, vrouwen en kinderen met de ban, en lieten niemand ontkomen.
34Vzali jsme také toho času všecka města jeho, a dali jsme v prokletí lid těch všech měst, i ženy i děti, žádného nepozůstavivše.
35Alleen het vee en de buit van de veroverde steden behielden we voor ons zelf.
35Toliko hovada rozebrali jsme sobě, a kořisti z měst, kterýchž jsme dobyli.
36Van Aroër af, dat aan de rand van het Arnondal ligt, met de stad in het dal, was er tot aan Gilad geen vesting, die voor ons onneembaar was; Jahweh, onze God, leverde ze allen aan ons over.
36Od Aroer jenž jest na břehu potoka Arnon, a od města, kteréž jest v údolí, až do Galád nebylo města, kteréž by ostáti mohlo před námi; všecka nám dal Hospodin Bůh náš.
37Maar het land der Ammonieten, heel het randgebied van de beek Jabbok en de steden van het gebergte, hebt ge niet bestreden, juist zoals Jahweh, onze God, het geboden had.
37Toliko k zemi synů Ammon nepřiblížils se, ani k žádné krajině ležící při potoku Jabok, ani k městům na horách, a k žádnému místu, kteréž zapověděl Hospodin Bůh náš.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.