Deuteronomium 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Wanneer gij een rund of een schaap van uw naaste ziet ronddwalen, moogt gij ze niet laten lopen, maar moet gij ze onmiddellijk naar uw naaste terugbrengen.
1Jestliže bys uzřel vola aneb dobytče bratra svého, an bloudí, nepomineš jich, ale přivedeš je až k bratru svému.
2Zo deze niet in uw nabijheid woont, of gij hem niet kent, moet gij ze onder uw hoede nemen en bij u houden, totdat uw naaste ze opeist, en ze dan aan hem teruggeven.
2Byť pak nebyl blízký bratr tvůj a neznal bys ho, uvedeš je však do domu svého, a bude u tebe, dokudž by se po něm neptal bratr tvůj, a navrátíš mu je.
3Zo moet ge doen met zijn ezel, met zijn kleed, en met al wat uw naaste verliest; wanneer gij het vindt, moogt gij het niet zonder meer laten liggen.
3Tolikéž učiníš s oslem jeho, s oděvem jeho, také i se všelikou věcí ztracenou bratra svého, kteráž by mu zhynula; když bys ji nalezl, nepomineš jí.
4En wanneer gij een ezel of een rund van uw naaste op de weg ziet vallen, moogt gij ze niet laten liggen, maar moet ge hem helpen, ze weer overeind te krijgen.
4Vida osla bratra svého aneb vola jeho pod břemenem ležící na cestě, nepomineš jich, ale i hned ho s ním pozdvihneš.
5Een vrouw mag geen mannenkleren dragen, en een man niet het kleed van een vrouw; want wie zo iets doet, is een afschuw voor Jahweh.
5Žena nebude nositi oděvu mužského, aniž se obláčeti bude muž v roucho ženské, nebo ohavnost před Hospodinem Bohem tvým jest, kdožkoli činí to.
6Wanneer ge buiten in een boom of op de grond een vogelnestje vindt met jongen of eieren, terwijl de moeder op de jongen of op de eieren zit, dan moogt ge de moeder niet pakken tegelijk met de jongen.
6Když bys našel hnízdo ptačí před sebou na cestě, na jakémkoli stromu aneb na zemi, s mladými neb vejci, a matka seděla by na mladých aneb na vejcích: nevezmeš matky s mladými,
7Gij moet de moeder laten vliegen, als gij de jongen uithaalt, opdat het u goed moge gaan, en gij lang moogt blijven leven.
7Ale hned pustíš matku a mladé vezmeš sobě, aby tobě dobře bylo, a abys prodlil dnů svých.
8Wanneer gij een nieuw huis bouwt, dan moet ge een muurtje om het platte dak maken, om geen bloedschuld over uw huis te brengen, als iemand er afvalt.
8Když bys stavěl dům nový, udělej zabradla vůkol střechy své, abys neuvedl viny krve na dům svůj, když by kdo upadl s něho.
9Gij moogt in uw wijngaard geen ander gewas planten; anders vervalt alles aan het heiligdom, zowel de vrucht, die gij hebt gezaaid, als de opbrengst van uw wijngaard.
9Neposeješ vinice své směsicí rozličného semene, aby nebyl poškvrněn užitek semene, kteréž jsi vsel, i ovoce vinice.
10Gij moogt niet met een os en een ezel in één span ploegen.
10Nebudeš orati volem a oslem spolu.
11Gij moogt u niet kleden met iets, wat uit twee soorten draad is geweven, uit wol en linnen dooreen.
11Neoblečeš roucha z rozdílných věcí, z vlny a lnu setkaného.
12Gij moet u kwasten maken aan de vier slippen van uw kleed, dat gij aantrekt.
12Prýmy zděláš sobě na čtyřech rozích oděvu svého, jímž se odíváš.
13Wanneer een man een vrouw huwt en gemeenschap met haar houdt, maar omdat hij afkeer van haar heeft gekregen,
13Když by pojal někdo ženu, a všel by k ní, a potom měl by ji v nenávisti,
14haar lelijke dingen verwijt en haar in opspraak brengt door te zeggen: Ik heb deze vrouw gehuwd, maar toen ik gemeenschap met haar hield, bevond ik, dat zij geen maagd meer was:
14A dal by příčinu k řečem o ní, v zlou pověst ji obláčeje a mluvě: Ženu tuto vzal jsem, a všed k ní, nenalezl jsem jí pannou:
15dan moeten de vader en de moeder van de jonge vrouw haar naar de stadspoort brengen en het bewijs van haar maagdelijkheid aan de oudsten der stad voorleggen.
15Tedy otec děvečky a matka její vezmouce přinesou znamení panenství děvečky k starším města svého k bráně.
16En de vader van de jonge vrouw zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan dezen man tot vrouw gegeven: maar daar hij afkeer van haar heeft gekregen.
16A dí otec děvečky k starším: Dceru svou dal jsem muži tomuto za manželku, kterýž ji v nenávisti má.
17verwijt hij haar lelijke dingen, en zegt: “Ik heb bevonden, dat uw dochter geen maagd was”. Welnu, hier is het bewijs voor de maagdelijkheid van mijn dochter. En zij zullen het kleed voor de oudsten der stad uitspreiden.
17A hle, sám příčinu dal řečem o ní, mluvě: Nenalezl jsem při dceři tvé panenství, a teď hle, znamení panenství dcery mé. I roztáhnou roucho to před staršími města.
18Dan moeten de oudsten van die stad den man laten grijpen, hem een tuchtiging toedienen,
18Tedy starší města toho jmou muže a trestati ho budou,
19hem bovendien een geldboete opleggen van honderd zilveren sikkels, en die aan den vader van de jonge vrouw geven, omdat hij een israëlietische maagd in opspraak gebracht heeft. Zij zal zijn vrouw blijven, en hij zal haar nooit meer kunnen verstoten.
19A uloží jemu pokutu sto lotů stříbra, kteréž dají otci děvečky, proto že vynesl zlou pověst proti panně Izraelské. I bude ji míti za manželku, kteréž nebude moci propustiti po všecky dny své.
20Maar wanneer de beschuldiging op waarheid berust, en de jonge vrouw geen maagd is bevonden,
20Jináč byla-li by pravá žaloba ta, a nebylo by nalezeno panenství při děvečce:
21dan moet men de jonge vrouw naar de deur van haar vaderlijke woning brengen, en haar medeburgers zullen haar doodstenigen, omdat zij een misdaad heeft begaan in Israël, door ontucht te bedrijven in het huis van haar vader. Zo moet gij dit kwaad uit uw midden verwijderen.
21Tedy vyvedou děvečku ke dveřím otce jejího, a uházejí ji lidé města toho kamením, a umře; nebo dopustila se nešlechetnosti v Izraeli, smilnivši v domě otce svého. Tak odejmeš zlé z prostředku sebe.
22Wanneer iemand erop wordt betrapt, dat hij gemeenschap houdt met een getrouwde vrouw, dan moeten beiden sterven: zowel de man, die gemeenschap hield met de vrouw, als de vrouw zelf. Zo moet gij dit kwaad uit Israël verwijderen.
22Kdyby kdo postižen byl, že obýval s ženou manželkou cizí, tedy umrou oni oba dva, muž, kterýž obýval s tou ženou, i žena také; i odejmeš zlé z Izraele.
23Wanneer een ongerept meisje aan een man is verloofd, en een andere man komt met haar in de stad in aanraking en houdt gemeenschap met haar,
23Byla-li by děvečka panna zasnoubená muži, a nalezna ji někdo v městě, obýval by s ní:
24dan moet ge ze beiden naar de poort van de stad brengen en ze doodstenigen; het meisje, omdat zij niet om hulp heeft geroepen, ofschoon ze zich in de stad bevond, en de man, omdat hij een andermans vrouw heeft verkracht. Zo moet gij dit kwaad uit uw midden verwijderen.
24Vyvedete oba dva k bráně města toho, a uházíte je kamením, a umrou, děvečka, proto že nekřičela, jsuci v městě, a muž proto, že ponížil ženy bližního svého; a odejmeš zlé z prostředku svého.
25Maar ontmoet die man het verloofde meisje in het veld, maakt hij zich van haar meester, en houdt hij gemeenschap met haar, dan zal de man, die gemeenschap met haar hield, alleen sterven.
25Pakli na poli nalezl by muž děvečku zasnoubenou, a násilí jí učině, obýval by s ní: smrtí umře muž ten sám,
26Het meisje moogt ge niets doen; het meisje heeft de dood niet verdiend. Want dit is eenzelfde geval, als wanneer iemand een ander overvalt en vermoordt.
26Děvečce pak nic neučiníš. Nedopustila se hříchu hodného smrti; nebo jakož povstává někdo proti bližnímu svému a morduje život jeho, tak i při této věci.
27Hij heeft haar in het veld ontmoet, en al zou het verloofde meisje hebben geschreeuwd, dan zou toch niemand haar te hulp zijn gekomen.
27Na poli zajisté nalezl ji; křičela děvečka zasnoubená, a žádný tu nebyl, kdo by ji vysvobodil.
28Wanneer een man een ongerept meisje ontmoet, dat niet is verloofd, zich van haar meester maakt, en gemeenschap met haar houdt, waarbij zij worden betrapt,
28Jestliže by nalezl někdo děvečku pannu, kteráž by zasnoubena nebyla, a vezma ji, obýval by s ní, a byli by postiženi:
29dan moet de man, die gemeenschap had met het meisje, aan haar vader vijftig zilveren sikkels betalen; zij zal zijn vrouw worden, omdat hij haar heeft onteerd, en hij zal haar nooit kunnen verstoten.
29Tedy dá muž ten, kterýž by obýval s ní, otci děvečky padesáte stříbrných, a bude jeho manželka, protože ponížil jí; nebude moci jí propustiti po všecky dny své.
30Niemand mag de vrouw van zijn vader nemen, en niemand mag het dek zijns vaders opslaan.
30Nevezme žádný manželky otce svého, a neodkryje podolka otce svého.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.