Deuteronomium 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wanneer gij een rund of een schaap van uw naaste ziet ronddwalen, moogt gij ze niet laten lopen, maar moet gij ze onmiddellijk naar uw naaste terugbrengen.
1ΜΗ ἰδὼν τὸν μόσχον τοῦ ἀδελφοῦ σου ἢ τὸ πρόβατον αὐτοῦ πλανώμενα ἐν τῇ ὁδῷ ὑπερίδῃς αὐτά· ἀποστροφῇ ἀποστρέψεις αὐτὰ τῷ ἀδελφῷ σου, καὶ ἀποδώσεις αὐτῷ.
2Zo deze niet in uw nabijheid woont, of gij hem niet kent, moet gij ze onder uw hoede nemen en bij u houden, totdat uw naaste ze opeist, en ze dan aan hem teruggeven.
2ἐὰν δὲ μὴ ἐγγίζῃ ὁ ἀδελφός σου πρὸς σὲ μηδὲ ἐπίστῃ αὐτόν, συνάξεις αὐτὰ ἔνδον εἰς τὴν οἰκίαν σου, καὶ ἔσται μετά σοῦ, ἕως ἂν ζητήσῃ αὐτὰ ὁ ἀδελφός σου, καὶ ἀποδώσεις αὐτῷ.
3Zo moet ge doen met zijn ezel, met zijn kleed, en met al wat uw naaste verliest; wanneer gij het vindt, moogt gij het niet zonder meer laten liggen.
3οὕτω ποιήσεις τὸν ὄνον αὐτοῦ καὶ οὕτω ποιήσεις τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ καὶ οὕτω ποιήσεις κατὰ πᾶσαν ἀπώλειαν τοῦ ἀδελφοῦ σου, ὅσα ἐὰν ἀπολῆται παρ᾿ αὐτοῦ καὶ εὕρῃς· οὐ δυνήσῃ ὑπεριδεῖν.
4En wanneer gij een ezel of een rund van uw naaste op de weg ziet vallen, moogt gij ze niet laten liggen, maar moet ge hem helpen, ze weer overeind te krijgen.
4οὐκ ὄψῃ τὸν ὄνον τοῦ ἀδελφοῦ σου ἢ τὸν μόσχον αὐτοῦ πεπτωκότας ἐν τῇ ὁδῷ, μὴ ὑπερίδῃς αὐτούς· ἀνιστῶν ἀναστήσεις μετ᾿ αὐτοῦ.
5Een vrouw mag geen mannenkleren dragen, en een man niet het kleed van een vrouw; want wie zo iets doet, is een afschuw voor Jahweh.
5Οὐκ ἔσται σκεύη ἀνδρὸς ἐπὶ γυναικί, οὐδὲ μὴ ἐνδύσηται ἀνὴρ στολὴν γυναικείαν, ὅτι βδέλυγμα Κυρίῳ τῷ Θεῷ σού ἐστι πᾶς ποιῶν ταῦτα.
6Wanneer ge buiten in een boom of op de grond een vogelnestje vindt met jongen of eieren, terwijl de moeder op de jongen of op de eieren zit, dan moogt ge de moeder niet pakken tegelijk met de jongen.
6Ἐὰν δὲ συναντήσῃς νοσσιᾷ ὀρνέων πρὸ προσώπου σου ἐν τῇ ὁδῷ ἢ ἐπὶ παντὶ δένδρῳ ἢ ἐπὶ τῆς γῆς, νεοσσοῖς ἢ ὠοῖς, καὶ ἡ μήτηρ θάλπῃ ἐπὶ τῶν νεοσσῶν ἢ ἐπὶ τῶν ὠῶν, οὐ λήψῃ τὴν μητέρα μετὰ τῶν τέκνων·
7Gij moet de moeder laten vliegen, als gij de jongen uithaalt, opdat het u goed moge gaan, en gij lang moogt blijven leven.
7ἀποστολῇ ἀποστελεῖς τὴν μητέρα, τὰ δὲ παιδία λήψῃ σεαυτῷ, ἵνα εὖ σοι γένηται καὶ πολυήμερος γένῃ.
8Wanneer gij een nieuw huis bouwt, dan moet ge een muurtje om het platte dak maken, om geen bloedschuld over uw huis te brengen, als iemand er afvalt.
8Ἐὰν δὲ οἰκοδομήσῃς οἰκίαν καινήν, καὶ ποιήσεις στεφάνην τῷ δώματί σου· καὶ οὐ ποιήσεις φόνον ἐν τῇ οἰκίᾳ σου, ἐὰν πέσῃ ὁ πεσὼν ἀπ᾿ αὐτοῦ.
9Gij moogt in uw wijngaard geen ander gewas planten; anders vervalt alles aan het heiligdom, zowel de vrucht, die gij hebt gezaaid, als de opbrengst van uw wijngaard.
9Οὐ κατασπερεῖς τὸν ἀμπελῶνά σου διάφορον, ἵνα μὴ ἁγιασθῇ τὸ γένημα καὶ τὸ σπέρμα, ὃ ἐὰν σπείρῃς μετὰ τοῦ γενήματος τοῦ ἀμπελῶνός σου.
10Gij moogt niet met een os en een ezel in één span ploegen.
10οὐκ ἀροτριάσεις ἐν μόσχῳ καὶ ὄνῳ ἐπὶ τὸ αὐτό.
11Gij moogt u niet kleden met iets, wat uit twee soorten draad is geweven, uit wol en linnen dooreen.
11οὐκ ἐνδύσῃ κίβδηλον, ἔρια καὶ λίνον, ἐν τῷ αὐτῷ.
12Gij moet u kwasten maken aan de vier slippen van uw kleed, dat gij aantrekt.
12Στρεπτὰ ποιήσεις σεαυτῷ ἐπὶ τῶν τεσσάρων κρασπέὑδων τῶν περιβολαίων σου, ἃ ἐὰν περιβάλῃ ἐν αὐτοῖς.
13Wanneer een man een vrouw huwt en gemeenschap met haar houdt, maar omdat hij afkeer van haar heeft gekregen,
13Ἐὰν δέ τις λάβῃ γυναῖκα καὶ συνοικήσῃ αὐτῇ καὶ μισήσῃ αὐτὴν
14haar lelijke dingen verwijt en haar in opspraak brengt door te zeggen: Ik heb deze vrouw gehuwd, maar toen ik gemeenschap met haar hield, bevond ik, dat zij geen maagd meer was:
14καὶ ἐπιθῇ αὐτῇ προφασιστικοὺς λόγους καὶ κατενέγκῃ αὐτῆς ὄνομα πονηρὸν καὶ λέγῃ· τὴν γυναῖκα ταύτην εἴληφα καὶ προσελθὼν αὐτῇ οὐκ εὕρηκα αὐτῆς τὰ παρθένια,
15dan moeten de vader en de moeder van de jonge vrouw haar naar de stadspoort brengen en het bewijs van haar maagdelijkheid aan de oudsten der stad voorleggen.
15καὶ λαβὼν ὁ πατὴρ τῆς παιδὸς καὶ ἡ μήτηρ ἐξοίσουσι τὰ παρθένια τῆς παιδὸς πρὸς τὴν γερουσίαν ἐπὶ τὴν πύλην,
16En de vader van de jonge vrouw zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan dezen man tot vrouw gegeven: maar daar hij afkeer van haar heeft gekregen.
16καὶ ἐρεῖ ὁ πατὴρ τῆς παιδὸς τῇ γερουσίᾳ· τὴν θυγατέρα μου ταύτην δέδωκα τῷ ἀνθρώπῳ τούτῳ γυναῖκα, καὶ μισήσας αὐτὴν
17verwijt hij haar lelijke dingen, en zegt: “Ik heb bevonden, dat uw dochter geen maagd was”. Welnu, hier is het bewijs voor de maagdelijkheid van mijn dochter. En zij zullen het kleed voor de oudsten der stad uitspreiden.
17νῦν οὗτος ἐπιτίθησιν αὐτῇ προφασιστικοὺς λόγους λέγων· οὐχ εὕρηκα τῇ θυγατρί σου παρθένια, καὶ ταῦτα τὰ παρθένια τῆς θυγατρός μου· καὶ ἀναπτύξουσι τὸ ἱμάτιον ἐναντίον τῆς γερουσίας τῆς πόλεως.
18Dan moeten de oudsten van die stad den man laten grijpen, hem een tuchtiging toedienen,
18καὶ λήψεται ἡ γερουσία τῆς πόλεως ἐκείνης τὸν ἄνθρωπον ἐκεῖνον καὶ παιδεύσουσιν αὐτὸν
19hem bovendien een geldboete opleggen van honderd zilveren sikkels, en die aan den vader van de jonge vrouw geven, omdat hij een israëlietische maagd in opspraak gebracht heeft. Zij zal zijn vrouw blijven, en hij zal haar nooit meer kunnen verstoten.
19καὶ ζημιώσουσιν αὐτὸν ἑκατὸν σίκλους καὶ δώσουσι τῷ πατρὶ τῆς νεάνιδος, ὅτι ἐξήνεγκεν ὄνομα πονηρὸν ἐπὶ παρθένον Ἰσραηλῖτιν· καὶ αὐτοῦ ἔσται γυνή, οὐ δυνήσεται ἐξαποστεῖλαι αὐτὴν τὸν ἅπαντα χρόνον.
20Maar wanneer de beschuldiging op waarheid berust, en de jonge vrouw geen maagd is bevonden,
20ἐὰν δὲ ἐπ᾿ ἀληθείας γένηται ὁ λόγος οὗτος καὶ μὴ εὑρεθῇ παρθένια τῇ νεάνιδι,
21dan moet men de jonge vrouw naar de deur van haar vaderlijke woning brengen, en haar medeburgers zullen haar doodstenigen, omdat zij een misdaad heeft begaan in Israël, door ontucht te bedrijven in het huis van haar vader. Zo moet gij dit kwaad uit uw midden verwijderen.
21καὶ ἐξάξουσι τὴν νεᾶνιν ἐπὶ τὰς θύρας τοῦ οἴκου τοῦ πατρὸς αὐτῆς, καὶ λιθοβολήσουσιν αὐτὴν ἐν λίθοις, καὶ ἀποθανεῖται, ὅτι ἐποίησεν ἀφροσύνην ἐν υἱοῖς Ἰσραὴλ ἐκπορνεῦσαι τὸν οἶκον τοῦ πατρὸς αὐτῆς· καὶ ἐξαρεῖς τὸν πονηρὸν ἐξ ὑμῶν αὐτῶν.
22Wanneer iemand erop wordt betrapt, dat hij gemeenschap houdt met een getrouwde vrouw, dan moeten beiden sterven: zowel de man, die gemeenschap hield met de vrouw, als de vrouw zelf. Zo moet gij dit kwaad uit Israël verwijderen.
22Ἐὰν δὲ εὑρεθῇ ἄνθρωπος κοιμώμενος μετὰ γυναικὸς συνῳκισμένης ἀνδρί, ἀποκτενεῖτε ἀμφοτέρους, τὸν ἄνδρα τὸν κοιμώμενον μετὰ τῆς γυναικὸς καὶ τὴν γυναῖκα· καὶ ἐξαρεῖς τὸν πονηρὸν ἐξ Ἰσραήλ.
23Wanneer een ongerept meisje aan een man is verloofd, en een andere man komt met haar in de stad in aanraking en houdt gemeenschap met haar,
23Ἐὰν δὲ γένηται παῖς παρθένος μεμνηστευμένη ἀνδρὶ καὶ εὑρὼν αὐτὴν ἄνθρωπος ἐν πόλει κοιμηθῇ μετ᾿ αὐτῆς,
24dan moet ge ze beiden naar de poort van de stad brengen en ze doodstenigen; het meisje, omdat zij niet om hulp heeft geroepen, ofschoon ze zich in de stad bevond, en de man, omdat hij een andermans vrouw heeft verkracht. Zo moet gij dit kwaad uit uw midden verwijderen.
24ἐξάξετε ἀμφοτέρους ἐπὶ τὴν πύλην τῆς πόλεως αὐτῶν καὶ λιθοβοληθήσονται ἐν λίθοις καὶ ἀποθανοῦνται· τὴν νεᾶνιν, ὅτι οὐκ ἐβόησεν ἐν τῇ πόλει, καὶ τὸν ἄνθρωπον, ὅτι ἐταπείνωσε τὴν γυναῖκα τοῦ πλησίον· καὶ ἐξαρεῖς τὸν πονηρὸν ἐξ ὑμῶν αὐτῶν.
25Maar ontmoet die man het verloofde meisje in het veld, maakt hij zich van haar meester, en houdt hij gemeenschap met haar, dan zal de man, die gemeenschap met haar hield, alleen sterven.
25ἐὰν δὲ ἐν πεδίῳ εὕρῃ ἄνθρωπος τὴν παῖδα τὴν μεμνηστευμένην καὶ βιασάμενος κοιμηθῇ μετ᾿ αὐτῆς, ἀποκτενεῖτε τὸν κοιμώμεμον μετ᾿ αὐτῆς μόνον
26Het meisje moogt ge niets doen; het meisje heeft de dood niet verdiend. Want dit is eenzelfde geval, als wanneer iemand een ander overvalt en vermoordt.
26καὶ τῇ νεάνιδι οὐ ποιήσετε οὐδέν· οὐκ ἔστιν ἁμάρτημα θανάτου, ὅτι ὡς εἴ τις ἐπαναστῇ ἄνθρωπος ἐπὶ τὸν πλησίον καὶ φονεύσῃ αὐτοῦ ψυχήν, οὕτω τὸ πρᾶγμα τοῦτο,
27Hij heeft haar in het veld ontmoet, en al zou het verloofde meisje hebben geschreeuwd, dan zou toch niemand haar te hulp zijn gekomen.
27ὅτι ἐν τῷ ἀγρῷ εὗρεν αὐτήν, ἐβόησεν ἡ νεᾶνις ἡ μεμνηστευμένη, καὶ οὐκ ἦν ὁ βοηθήσων αὐτῇ.
28Wanneer een man een ongerept meisje ontmoet, dat niet is verloofd, zich van haar meester maakt, en gemeenschap met haar houdt, waarbij zij worden betrapt,
28Ἐὰν δέ τις εὕρῃ τὴν παῖδα τὴν παρθένον, ἥτις οὐ μεμνήστευται, καὶ βιασάμενος κοιμηθῇ μετ᾿ αὐτῆς καὶ εὑρεθῇ,
29dan moet de man, die gemeenschap had met het meisje, aan haar vader vijftig zilveren sikkels betalen; zij zal zijn vrouw worden, omdat hij haar heeft onteerd, en hij zal haar nooit kunnen verstoten.
29δώσει ὁ ἄνθρωπος ὁ κοιμηθεὶς μετ᾿ αὐτῆς τῷ πατρὶ τῆς νεάνιδος πεντήκοντα δίδραχμα ἀργυρίου, καὶ αὐτοῦ ἔσται γυνή, ἀνθ᾿ ὧν ἐταπείνωσεν αὐτήν· οὐ δυνήσεται ἐξαποστεῖλαι αὐτὴν τὸν ἅπαντα χρόνον.
30Niemand mag de vrouw van zijn vader nemen, en niemand mag het dek zijns vaders opslaan.
no verse 30 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.