Deuteronomium 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Alle geboden, die ik u heden geef, moet ge nauwgezet onderhouden, opdat ge moogt leven, talrijk worden en het land, dat Jahweh aan uw vaderen onder ede beloofd heeft, moogt binnengaan en bezitten.
1ΠΑΣΑΣ τὰς ἐντολάς, ἃς ἐγὼ ἐντέλλομαι ὑμῖν σήμερον, φυλάξεσθε ποιεῖν, ἵνα ζῆτε καὶ πολυπλασιασθῆτε καὶ εἰσέλθητε καὶ κληρονομήσητε τὴν γῆν, ἣν ὤμοσε Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν τοῖς πατράσιν ὑμῶν.
2Denk eens terug aan heel de tocht, die Jahweh, uw God, u deze veertig jaren door de woestijn liet maken, en hoe Hij u enkel daarom vernederd heeft en beproefd, om uw gezindheid te kennen, of gij zijn geboden zoudt onderhouden, of niet.
2καὶ μνησθήσῃ πᾶσαν τὴν ὁδόν, ἣν ἤγαγέ σε Κύριος ὁ Θεός σου ἐν τῇ ἐρήμῳ, ὅπως ἂν κακώσῃ σε καὶ πειράσῃ σε καὶ διαγνωσθῇ τὰ ἐν τῇ καρδίᾳ σου, εἰ φυλάξῃ τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ ἢ οὔ.
3Hij heeft u vernederd, en u honger doen lijden; maar Hij heeft u ook met het manna gespijzigd, dat gij nooit hadt gekend, en ook uw vaderen niet kenden, om u te leren, dat de mens niet leeft van brood alleen, maar leeft van al wat komt uit Jahweh’s mond.
3καὶ ἐκάκωσέ σε καὶ ἐλιμαγχόνησέ σε καὶ ἐψώμισέ σε τὸ μάννα, ὃ οὐκ ᾔδεισαν οἱ πατέρες σου, ἵνα ἀναγγείλῃ σοι, ὅτι οὐκ ἐπ᾿ ἄρτῳ μόνῳ ζήσεται ὁ ἄνθρωπος, ἀλλ᾿ ἐπὶ παντὶ ρήματι τῷ ἐκπορευομένῳ διὰ στόματος Θεοῦ ζήσεται ὁ ἄνθρωπος.
4Uw kleed is aan uw lijf niet versleten, en uw voet niet gezwollen al die veertig jaar lang.
4τὰ ἱμάτιά σου οὐκ ἐπαλαιώθη ἀπὸ σοῦ, τὰ ὑποδήματά σου οὐ κατετρίβη ἀπὸ σοῦ, οἱ πόδες σου οὐκ ἐτυλώθησαν, ἰδοὺ τεσσαράκοντα ἔτη.
5Gij weet het zelf wel, dat Jahweh, uw God, u slechts heeft getuchtigd, zoals iemand zijn eigen zoon tuchtigt,
5καὶ γνώσῃ τῇ καρδίᾳ σου ὅτι ὡς εἴ τις ἄνθρωπος παιδεύσῃ τὸν υἱὸν αὐτοῦ, οὕτω Κύριος ὁ Θεός σου παιδεύσει σε,
6opdat gij de geboden van Jahweh, uw God, zoudt onderhouden, op zijn wegen zoudt wandelen en Hem zoudt vrezen.
6καὶ φυλάξῃ τὰς ἐντολὰς Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου πορεύεσθαι ἐν ταῖς ὁδοῖς αὐτοῦ καὶ φοβεῖσθαι αὐτόν·
7Waarachtig, Jahweh, uw God, brengt u naar een heerlijk land, een land van waterbeken, bronnen en stromen, die in de dalen en op de bergen ontspringen;
7ὁ γὰρ Κύριος ὁ Θεός σου εἰσάξει σε εἰς γῆν ἀγαθὴν καὶ πολλήν, οὗ χείμαρροι ὑδάτων καὶ πηγαὶ ἀβύσσων ἐκπορευόμεναι διὰ τῶν πεδίων καὶ διὰ τῶν ὀρέων·
8een land van tarwe en gerst, van wijnstok, vijg en granaat, een land van olijfolie en honing;
8γῆ πυροῦ καὶ κριθῆς, ἄμπελοι, συκαῖ, ροαί, γῆ ἐλαίας ἐλαίου καὶ μέλιτος·
9een land, waar ge niet in armoede uw brood zult eten, waar u niets zal ontbreken; een land, waarvan de stenen van ijzer zijn, en waar ge uit de bergen koper kunt delven;
9γῆ, ἐφ᾿ ἧς οὐ μετὰ πτωχείας φαγῇ τὸν ἄρτον σου καὶ οὐκ ἐνδεηθήσῃ ἐπ᾿ αὐτῆς οὐδέν· γῆ, ἧς οἱ λίθοι σίδηρος, καὶ ἐκ τῶν ὀρέων αὐτῆς μεταλλεύσεις χαλκόν·
10waar gij zult eten tot verzadigens toe, en waar gij Jahweh, uw God, zult loven om het heerlijke land, dat Hij u schonk.
10καὶ φαγῇ καὶ ἐμπλησθήσῃ καὶ εὐλογήσεις Κύριον τὸν Θεόν σου ἐπὶ τῆς γῆς τῆς ἀγαθῆς, ἧς δέδωκέ σοι.
11Zorgt er dus voor, dat ge Jahweh, uw God, niet vergeet, en zijn geboden, zijn voorschriften en bepalingen, die ik u heden geef, niet verwaarloost.
11πρόσεχε σεαυτῷ, μὴ ἐπιλάθῃ Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου τοῦ μὴ φυλάξαι τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ καὶ τὰ κρίματα καὶ τὰ δικαιώματα αὐτοῦ, ὅσα ἐγὼ ἐντέλλομαί σοι σήμερον,
12En wanneer ge eet tot verzadigens toe, prachtige huizen bouwt en bewoont,
12μὴ φαγὼν καὶ ἐμπλησθεὶς καὶ οἰκίας καλὰς οἰκοδομήσας καὶ κατοικήσας ἐν αὐταῖς
13wanneer uw runderen en schapen talrijk worden, uw zilver en goud zich ophoopt, en heel uw bezit zich vermeerdert,
13καὶ τῶν βοῶν σου καὶ τῶν προβάτων σου πληθυνθέντων σοι, ἀργυρίου καὶ χρυσίου πληθυνθέντος σοι καὶ πάντων, ὅσων σοι ἔσται, πληθυνθέντων σοι,
14laat dan uw hart zich niet verheffen! Vergeet toch nimmer Jahweh, uw God, die u uit Egypteland, uit het slavenhuis heeft geleid;
14ὑψωθῇς τῇ καρδίᾳ καὶ ἐπιλάθῃ Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου τοῦ ἐξαγαγόντος σε ἐκ γῆς Αἰγύπτου, ἐξ οἴκου δουλείας,
15die u door die grote woestijn heeft gevoerd, zo vreselijk door giftige slangen en schorpioenen, en door dorre streken zonder water; die water heeft doen ontspringen aan de steenharde rots;
15τοῦ ἀγαγόντος σε διὰ τῆς ἐρήμου τῆς μεγάλης καὶ τῆς φοβερᾶς ἐκείνης, οὗ ὄφις δάκνων καὶ σκορπίος καὶ δίψα, οὗ οὐκ ἦν ὕδωρ, τοῦ ἐξαγαγόντος σοι ἐκ πέτρας ἀκροτόμου πηγὴν ὕδατος,
16die u in de woestijn met manna heeft gevoed, dat uw vaders niet hebben gekend, en die u enkel daarom heeft vernederd en beproefd, om u ten slotte weldaden te bewijzen.
16τοῦ ψωμίσαντός σε τὸ μάννα ἐν τῇ ἐρήμῳ, ὃ οὐκ ᾔδεις σὺ καὶ οὐκ ᾔδεισαν οἱ πατέρες σου, ἵνα κακώσῃ σε καὶ ἐκπειράσῃ σε καὶ εὖ σε ποιήσῃ ἐπ᾿ ἐσχάτων τῶν ἡμερῶν σου.
17En zo gij mocht menen: Mijn eigen kracht en mijn sterke hand hebben mij deze rijkdom verworven:
17μὴ εἴπῃς ἐν τῇ καρδίᾳ σου· ἡ ἰσχύς μου καὶ τὸ κράτος τῆς χειρός μου ἐποίησέ μοι τὴν δύναμιν τὴν μεγάλην ταύτην·
18denk er dan aan, dat Jahweh, uw God, u de kracht heeft gegeven, om rijkdom te verwerven, omdat Hij zijn Verbond, dat Hij met uw vaderen heeft gezworen, gestand wilde doen, zoals Hij heden gedaan heeft.
18καὶ μνησθήσῃ Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου, ὅτι αὐτός σοι δίδωσιν ἰσχὺν τοῦ ποιῆσαι δύναμιν καὶ ἵνα στήσῃ τὴν διαθήκην αὐτοῦ, ἣν ὤμοσε Κύριος τοῖς πατράσι σου, ὡς σήμερον.
19En zo gij Jahweh, uw God, vergeet en vreemde goden volgt, ze dient en aanbidt, dan betuig ik u heden, dat gij tot den laatsten man zult worden verdelgd,
19καὶ ἔσται ἐὰν λήθῃ ἐπιλάθῃ Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου καὶ πορευθῇς ὀπίσω θεῶν ἑτέρων καὶ λατρεύσῃς αὐτοῖς καὶ προσκυνήσῃς αὐτοῖς, διαμαρτύρομαι ὑμῖν σήμερον τόν τε οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν, ὅτι ἀπωλείᾳ ἀπολεῖσθε·
20dat gij te gronde zult gaan als de volken, die Jahweh voor u heeft vernietigd, omdat ge niet hebt geluisterd naar de stem van Jahweh, uw God.
20καθὰ καὶ τὰ λοιπὰ ἔθνη, ὅσα Κύριος ὁ Θεὸς ἀπολλύει πρὸ προσώπου ὑμῶν, οὕτως ἀπολεῖσθε, ἀνθ᾿ ὧν οὐκ ἠκούσατε τῆς φωνῆς Κυρίου τοῦ Θεοῦ ὑμῶν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.