Deuteronomium 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wanneer mannen een geschil met elkander hebben, en zij brengen het voor het gerecht, en men doet een uitspraak, dan moet men den onschuldige vrij spreken, en den schuldige veroordelen.
1ΕΑΝ δὲ γένηται ἀντιλογία ἀνὰ μέσον ἀνθρώπων καὶ προσέλθωσιν εἰς κρίσιν καὶ κρίνωσι καὶ δικαιώσωσι τὸ δίκαιον καὶ καταγνῶσι τοῦ ἀσεβοῦς,
2Wanneer de schuldige de geselstraf heeft verdiend, zal de rechter hem op de grond laten leggen, en hem in zijn bijzijn een aantal slagen laten toedienen overeenkomstig zijn misdaad.
2καὶ ἔσται ἐὰν ἄξιος ᾖ πληγῶν ὁ ἀσεβῶν, καθιεῖς αὐτὸν ἔναντι τῶν κριτῶν καὶ μαστιγώσουσιν αὐτὸν ἐναντίον αὐτῶν κατὰ τὴν ἀσέβειαν αὐτοῦ.
3Hij mag hem nooit meer dan veertig slagen laten geven; want wanneer hij er hem nog meer liet toedienen, zou uw broeder openlijk worden onteerd.
3ἀριθμῷ τεσσαράκοντα μαστιγώσουσιν αὐτόν, οὐ προσθήσουσιν· ἐὰν δὲ προσθῇς μαστιγῶσαι ὑπὲρ ταύτας τὰς πληγὰς πλείους, ἀσχημονήσει ὁ ἀδελφός σου ἐναντίον σου.
4Gij moogt een rund bij het dorsen niet muilbanden.
4Οὐ φιμώσεις βοῦν ἁλοῶντα.
5Wanneer broers tezamen wonen en een van hen sterft, zonder een zoon na te laten, dan zal de vrouw van den overledene geen vreemden man buiten de familie huwen; haar zwager moet gemeenschap met haar houden, haar tot vrouw nemen en zijn zwagerplicht aan haar vervullen.
5Ἐὰν δὲ κατοικῶσιν ἀδελφοὶ ἐπὶ τὸ αὐτὸ καὶ ἀποθάνῃ εἷς ἐξ αὐτῶν, σπέρμα δὲ μὴ ᾗ αὐτῷ, οὐκ ἔσται ἡ γυνὴ τοῦ τεθνηκότος ἔξω ἀνδρὶ μὴ ἐγγίζοντι· ὁ ἀδελφὸς τοῦ ἀνδρὸς αὐτῆς εἰσελεύσεται πρὸς αὐτὴν καὶ λήψεται αὐτὴν ἑαυτῷ γυναῖκα καὶ συνοικήσει αὐτῇ.
6De eerste zoon dien zij baart, zal de naam van zijn gestorven broer dragen, om diens naam in Israël niet te laten uitsterven.
6καὶ ἔσται τὸ παιδίον, ὃ ἐὰν τέκῃ, κατασταθήσεται ἐκ τοῦ ὀνόματος τοῦ τετελευτηκότος, καὶ οὐκ ἐξαλειφθήσεται τὸ ὄνομα αὐτοῦ ἐξ Ἰσραήλ.
7Zo de man niet genegen is, om zijn schoonzuster te huwen, moet zijn schoonzuster naar de poort tot de oudsten gaan en zeggen: Mijn zwager weigert, de naam van zijn broer in Israël in stand te houden; hij wil zijn zwagerplicht aan mij niet vervullen.
7ἐὰν δὲ μὴ βούληται ὁ ἄνθρωπος λαβεῖν τὴν γυναῖκα τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ, καὶ ἀναβήσεται ἡ γυνὴ ἐπὶ τὴν πύλην ἐπὶ τὴν γερουσίαν καὶ ἐρεῖ· οὐ θέλει ὁ ἀδελφὸς τοῦ ἀνδρός μου ἀναστῆσαι τὸ ὄνομα τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ ἐν Ἰσραήλ, οὐκ ἠθέλησεν ὁ ἀδελφὸς τοῦ ἀνδρός μου.
8Dan zullen de oudsten van zijn stad hem laten roepen, en een onderhoud met hem hebben. Wanneer hij volhoudt en zegt: “Ik ben niet van zin, haar te huwen”,
8καὶ καλέσουσιν αὐτὸν ἡ γερουσία τῆς πόλεως αὐτοῦ καὶ ἐροῦσιν αὐτῷ, καὶ στὰς εἴπῃ· οὐ βούλομαι λαβεῖν αὐτήν·
9dan moet zijn schoonzuster in tegenwoordigheid van de oudsten op hem toetreden, hem de schoen van zijn voet trekken, in het gezicht spuwen, en zeggen: “Zo doet men den man, die het huis van zijn broeder niet opbouwt”.
9καὶ προσελθοῦσα ἡ γυνὴ τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ ἔναντι τῆς γερουσίας καὶ ὑπολύσει τὸ ὑπόδημα αὐτοῦ τὸ ἓν ἀπὸ τοῦ ποδὸς αὐτοῦ καὶ ἐμπτύσεται κατὰ πρόσωπον αὐτοῦ καὶ ἀποκριθεῖσα ἐρεῖ· οὕτω ποιήσουσι τῷ ἀνθρώπῳ, ὃς οὐκ οἰκοδομήσει τὸν οἶκον τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ ἐν Ἰσραήλ·
10En voortaan zal men hem in Israël noemen: barrevoetergespuis.
10καὶ κληθήσεται τὸ ὄνομα αὐτοῦ ἐν Ἰσραὴλ Οἶκος τοῦ ὑπολυθέντος τὸ ὑπόδημα.
11Wanneer twee mannen met elkaar aan het vechten zijn, en de vrouw van den een komt er bij, om haar man te helpen tegen den ander, die hem slaat, en zij grijpt met haar hand naar diens schaamte,
11Ἐὰν δὲ μάχωνται ἄνθρωποι ἐπὶ τὸ αὐτό, ἄνθρωπος μετὰ τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ, καὶ προσέλθη ἡ γυνὴ ἑνὸς αὐτῶν ἐξελέσθαι τὸν ἄνδρα αὐτῆς ἐκ χειρὸς τοῦ τύπτοντος αὐτὸν καὶ ἐκτείνασα τὴν χεῖρα ἐπιλάβηται τῶν διδύμων αὐτοῦ,
12dan moet ge haar meedogenloos de hand afkappen.
12ἀποκόψεις τὴν χεῖρα αὐτῆς· οὐ φείσεται ὀ ὀφθαλμός σου ἐπ᾿ αὐτῇ.
13Gij zult in uw buidel geen tweeërlei gewichten hebben, een groot en een klein,
13Οὐκ ἔσται ἐν τῷ μαρσίππῳ σου στάθμιον καὶ στάθμιον, μέγα ἢ μικρόν·
14en in uw huis geen tweeërlei maten, een grote en een kleine.
14οὐκ ἔσται ἐν τῇ οἰκίᾳ σου μέτρον καὶ μέτρον, μέγα ἢ μικρόν·
15Maar ge moet een zuiver en eerlijk gewicht hebben en een zuivere en eerlijke maat, opdat gij lang moogt wonen in het land, dat Jahweh, uw God, u zal geven.
15στάθμιον ἀληθινὸν καὶ δίκαιον ἔσται σοι, καὶ μέτρον ἀληθινὸν καὶ δίκαιον ἔσται σοι, ἵνα πολυήμερος γένῃ ἐπὶ τῆς γῆς, ἧς Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι ἐν κλήρῳ·
16Want al wie zulke dingen doet, en onrecht begaat, is een gruwel voor Jahweh.
16ὅτι βδέλυγμα Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου πᾶς ποιῶν ταῦτα, πᾶς ποιῶν ἄδικον.
17Onthoud, wat Amalek u bij uw uittocht uit Egypte onderweg heeft berokkend:
17Μνήσθητι ὅσα ἐποίησέ σοι Ἀμαλὴκ ἐν τῇ ὁδῷ ἐκπορευομένου σου ἐκ γῆς Αἰγύπτου,
18hoe hij onderweg op u aftrok, en terwijl gij moe en uitgeput waart uw achterhoede in de rug overviel, zonder God te vrezen.
18πῶς ἀντέστη σοι ἐν τῇ ὁδῷ, καὶ ἔκοψέ σου τὴν οὐραγίαν, τοὺς κοπιῶντας ὀπίσω σου, σὺ δὲ ἐπείνας καὶ ἐκοπίας, καὶ οὐκ ἐφοβήθη τὸν Θεόν.
19Wanneer dus Jahweh, uw God, u in het land, dat Hij u in erfelijk bezit gaat geven, rust heeft verschaft van al uw vijanden in het rond, dan moet ge zelfs de herinnering aan Amalek onder de hemel wegvagen. Vergeet het niet.
19καὶ ἔσται ἡνίκα ἐὰν καταπαύσῃ σε Κύριος ὁ Θεός σου ἀπὸ πάντων τῶν ἐχθρῶν σου τῶν κύκλῳ σου ἐν τῇ γῇ, ᾗ Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι κληρονομῆσαι, ἐξαλείψεις τὸ ὄνομα Ἀμαλὴκ ἐκ τῆς ὑπὸ τὸν οὐρανὸν καὶ οὐ μὴ ἐπιλάθῃ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.