Deuteronomium
Chapter 26
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wanneer gij in het land zijt gekomen, dat Jahweh, uw God, u als erfdeel zal geven, en gij het in bezit hebt genomen en het bewoont,
1ΚΑΙ ἔσται ἐὰν εἰσέλθῃς εἰς τὴν γῆν, ἣν Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι κληρονομῆσαι, καὶ κατακληρονομήσῃς αὐτὴν καὶ κατοικήσῃς ἐπ᾿ αὐτῆς,
2dan moet ge een keuze doen uit de eerstelingen van alle veldvruchten, die gij oogst van het land, dat Jahweh, uw God, u zal schenken; ge moet ze in een korf leggen, en naar de plaats gaan, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen.
2καὶ λήψῃ ἀπὸ τῆς ἀπαρχῆς τῶν καρπῶν τῆς γῆς σου, ἧς Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι, καὶ ἐμβαλεῖς εἰς κάρταλλον καὶ πορεύσῃ εἰς τὸν τόπον, ὃν ἂν ἐκλέξηται Κύριος ὁ Θεός σου ἐπικληθῆναι τὸ ὄνομα αὐτοῦ ἐκεῖ,
3Ge moet u dan bij den priester vervoegen, die er in die dagen zal zijn, en hem zeggen: Ik betuig heden voor Jahweh, mijn God, dat ik in het land ben gekomen, dat Jahweh aan onze vaderen onder ede beloofd heeft, ons te geven!
3καὶ ἐλεύσῃ πρὸς τὸν ἱερέα, ὃς ἔσται ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις, καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτόν· ἀναγγέλλω σήμερον Κυρίῳ τῷ Θεῷ μου ὅτι εἰσελήλυθα εἰς τὴν γῆν, ἣν ὤμοσε Κύριος τοῖς πατράσιν ἡμῶν δοῦναι ἡμῖν.
4Dan zal de priester de korf aannemen, en voor het altaar van Jahweh, uw God, neerzetten.
4καὶ λήψεται ὁ ἱερεὺς τὸν κάρταλλον ἐκ τῶν χειρῶν σου καὶ θήσει αὐτὸν ἀπέναντι τοῦ θυσιαστηρίου Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου,
5Vervolgens moet gij voor het aanschijn van Jahweh, uw God, plechtig betuigen: Mijn vader was een ronddolend Arameër, die met slechts enkele mensen naar Egypte is afgezakt, maar terwijl hij daar als vreemdeling vertoefde, tot een groot, machtig en talrijk volk is aangegroeid.
5καὶ ἀποκριθεὶς ἐρεῖς ἔναντι Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου· Συρίαν ἀπέβαλεν ὁ πατήρ μου καὶ κατέβη εἰς Αἴγυπτον καὶ παρῴκησεν ἐκεῖ ἐν ἀριθμῷ βραχεῖ καὶ ἐγένετο ἐκεῖ εἰς ἔθνος μέγα καὶ πλῆθος πολύ·
6En toen de Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten, ons onder zware arbeid gebukt deden gaan,
6καὶ ἐκάκωσαν ἡμᾶς οἱ Αἰγύπτιοι καὶ ἐταπείνωσαν ἡμᾶς καὶ ἐπέθηκαν ἡμῖν ἔργα σκληρά·
7riepen wij tot Jahweh, den God onzer vaderen; Jahweh verhoorde ons, en zag onze vernedering, ellende en verdrukking.
7καὶ ἀνεβοήσαμεν πρὸς Κύριον τὸν Θεὸν ἡμῶν, καὶ εἰσήκουσε Κύριος τῆς φωνῆς ἡμῶν καὶ εἶδε τὴν ταπείνωσιν ἡμῶν καὶ τὸν μόχθον ἡμῶν καὶ τὸν θλιμμὸν ἡμῶν·
8En Jahweh heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand en gespierde arm, onder grote verschrikking, onder tekenen en wonderen.
8καὶ ἐξήγαγεν ἡμᾶς Κύριος ἐξ Αἰγύπτου αὐτὸς ἐν ἰσχύϊ αὐτοῦ τῇ μεγάλῃ καὶ ἐν χειρὶ κραταιᾷ καὶ βραχίονι ὑψηλῷ καὶ ἐν ὁράμασι μεγάλοις καὶ ἐν σημείοις καὶ ἐν τέρασι
9Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land geschonken, een land, dat druipt van melk en honing.
9καὶ εἰσήγαγεν ἡμᾶς εἰς τὸν τόπον τοῦτον καί ἔδωκεν ἡμῖν τὴν γῆν ταύτην, γῆν ρέουσαν γάλα καὶ μέλι·
10Zie, daarom breng ik hier de eerstelingen van de grond, die Gij, Jahweh, mij hebt geschonken. Dan moet ge de korf voor het aanschijn van Jahweh, uw God, laten staan, en na Jahweh, uw God, te hebben aanbeden,
10καὶ νῦν ἰδοὺ ἐνήνοχα τὴν ἀπαρχὴν τῶν γενημάτων τῆς γῆς, ἧς ἔδωκάς μοι, Κύριε, γῆν ρέουσαν γάλα καὶ μέλι. καὶ ἀφήσεις αὐτὰ ἀπέναντι Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου καὶ προσκυνήσεις ἔναντι Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου·
11vrolijk zijn met den leviet en den vreemdeling, die in uw midden woont, over al het goede, dat Jahweh, uw God, u en uw gezin heeft geschonken.
11καὶ εὐφρανθήσῃ ἐν πᾶσι τοῖς ἀγαθοῖς, οἷς ἔδωκέ σοι Κύριος ὁ Θεός σου, καὶ ἡ οἰκία σου καὶ ὁ Λευίτης καὶ ὁ προσήλυτος ὁ ἐν σοί.
12Wanneer gij in het derde jaar, het jaar van de tienden, de hele tiende van uw opbrengst hebt afgeleverd, en ze den leviet, den vreemdeling, den wees en de weduwe hebt gegeven, om ze in uw woonplaats te eten en zich te verzadigen,
12Ἐὰν δὲ συντελέσῃς ἀποδεκατῶσαι πᾶν τὸ ἐπιδέκατον τῶν γενημάτων σου ἐν τῷ ἔτει τῷ τρίτῳ, τὸ δεύτερον ἐπιδέκατον δώσεις τῷ Λευίτῃ καὶ τῷ προσηλύτῳ καὶ τῷ ὀρφανῷ καὶ τῇ χήρᾳ, καὶ φάγονται ἐν ταῖς πόλεσί σου καὶ εὐφρανθήσονται.
13dan moet gij getuigen voor het aanschijn van Jahweh, uw God: Ik heb de heilige gaven uit mijn huis gebracht, en ze den leviet, den vreemdeling, den wees en de weduwe gegeven, geheel overeenkomstig uw gebod, dat Gij mij hebt gegeven. Ik heb uw geboden niet overtreden of vergeten.
13καὶ ἐρεῖς ἔναντι Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου· ἐξεκάθαρα τὰ ἅγια ἐκ τῆς οἰκίας μου καὶ ἔδωκα αὐτὰ τῷ Λευίτῃ καὶ τῷ προσηλύτῳ καὶ τῷ ὀρφανῷ καὶ τῇ χήρᾳ κατὰ πάσας τάς ἐντολάς, ἃς ἐνετείλω μοι, οὐ παρῆλθον τὴν ἐντολήν σου καὶ οὐκ ἐπελαθόμην·
14Ik heb er niet van gegeten tijdens mijn rouw, er niets van weggebracht in staat van onreinheid, en er niets van aan een dode gegeven; ik ben gehoorzaam geweest aan Jahweh, mijn God, en heb alles gedaan, wat Gij mij hebt geboden.
14καὶ οὐκ ἔφαγον ἐν ὀδύνῃ μου ἀπ᾿ αὐτῶν, οὐκ ἐκάρπωσα ἀπ᾿ αὐτῶν εἰς ἀκάθαρτον, οὐκ ἔδωκα ἀπ᾿ αὐτῶν τῷ τεθνηκότι· ὑπήκουσα τῆς φωνῆς Κυρίου τοῦ Θεοῦ ἡμῶν, ἐποίησα καθὰ ἐνετείλω μοι.
15Zie neer uit de hemel, uw heilige woning, en zegen uw volk Israël en het land, dat Gij ons hebt gegeven, zoals Gij het aan onze vaders onder ede beloofd hebt, het land, dat druipt van melk en honing.
15κάτιδε ἐκ τοῦ οἴκου τοῦ ἁγίου σου ἐκ τοῦ οὐρανοῦ καὶ εὐλόγησον τὸν λαόν σου τὸν Ἰσραὴλ καὶ τὴν γῆν, ἣν ἔδωκας αὐτοῖς, καθὰ ὤμοσας τοῖς πατράσιν ἡμῶν δοῦναι ἡμῖν γῆν ρέουσαν γάλα καὶ μέλι.
16Heden beveelt u Jahweh, uw God, al deze bepalingen en voorschriften te volbrengen; gij moet ze dus met heel uw hart en heel uw ziel getrouw onderhouden.
16Ἐν τῇ ἡμέρᾳ ταύτῃ Κύριος ὁ Θεός σου ἐνετείλατό σοι ποιῆσαι πάντα τὰ δικαιώματα καὶ τὰ κρίματα, καὶ φυλάξεσθε καὶ ποιήσετε αὐτὰ ἐξ ὅλης τῆς καρδίας ὑμῶν καὶ ἐξ ὅλης τῆς ψυχῆς ὑμῶν.
17Gij hebt heden aan Jahweh laten betuigen, dat Hij uw God zal zijn, dat gij zijn wegen wilt bewandelen, zijn bepalingen. geboden en voorschriften onderhouden, en wilt luisteren naar zijn stem.
17τὸν Θεὸν εἵλου σήμερον εἶναί σου Θεὸν καὶ πορεύεσθαι ἐν πάσαις ταῖς ὁδοῖς αὐτοῦ καὶ φυλάσσεσθαι τὰ δικαιώματα καὶ τὰ κρίματα καὶ ὑπακούειν τῆς φωνῆς αὐτοῦ.
18En Jahweh heeft heden aan u laten betuigen, dat gij zijn volk en zijn eigendom zult zijn, zoals Hij het u heeft beloofd, zo gij al zijn geboden onderhoudt;
18καὶ Κύριος εἵλατό σε σήμερον γενέσθαι σε αὐτῷ λαὸν περιούσιον, καθάπερ εἶπέ σοι, φυλάττειν τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ
19dat Hij u in eer, glorie en roem hoog boven alle volken zal verheffen, die Hij heeft gemaakt, en dat gij een volk zult zijn, dat aan Jahweh, uw God, blijft gewijd, zoals Hij beloofd heeft.
19καὶ εἶναί σε ὑπεράνω πάντων τῶν ἐθνῶν, ὡς ἐποίησέ σε ὀνομαστὸν καὶ καύχημα καὶ δοξαστόν, εἶναί σε λαὸν ἅγιον Κυρίῳ τῷ Θεῷ σου, καθὼς ἐλάλησε.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.