Deuteronomium
Chapter 26
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Wanneer gij in het land zijt gekomen, dat Jahweh, uw God, u als erfdeel zal geven, en gij het in bezit hebt genomen en het bewoont,
1And it shall be, when thou art come in unto the land which the LORD thy God giveth thee for an inheritance, and dost possess it, and dwell therein;
2dan moet ge een keuze doen uit de eerstelingen van alle veldvruchten, die gij oogst van het land, dat Jahweh, uw God, u zal schenken; ge moet ze in een korf leggen, en naar de plaats gaan, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen.
2that thou shalt take of the first of all the fruit of the ground, which thou shalt bring in from thy land that the LORD thy God giveth thee; and thou shalt put it in a basket and shalt go unto the place which the LORD thy God shall choose to cause His name to dwell there.
3Ge moet u dan bij den priester vervoegen, die er in die dagen zal zijn, en hem zeggen: Ik betuig heden voor Jahweh, mijn God, dat ik in het land ben gekomen, dat Jahweh aan onze vaderen onder ede beloofd heeft, ons te geven!
3And thou shalt come unto the priest that shall be in those days, and say unto him: 'I profess this day unto the LORD thy God, that I am come unto the land which the LORD swore unto our fathers to give us.'
4Dan zal de priester de korf aannemen, en voor het altaar van Jahweh, uw God, neerzetten.
4And the priest shall take the basket out of thy hand, and set it down before the altar of the LORD thy God.
5Vervolgens moet gij voor het aanschijn van Jahweh, uw God, plechtig betuigen: Mijn vader was een ronddolend Arameër, die met slechts enkele mensen naar Egypte is afgezakt, maar terwijl hij daar als vreemdeling vertoefde, tot een groot, machtig en talrijk volk is aangegroeid.
5And thou shalt speak and say before the LORD thy God: 'A wandering Aramean was my father, and he went down into Egypt, and sojourned there, few in number; and he became there a nation, great, mighty, and populous.
6En toen de Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten, ons onder zware arbeid gebukt deden gaan,
6And the Egyptians dealt ill with us, and afflicted us, and laid upon us hard bondage.
7riepen wij tot Jahweh, den God onzer vaderen; Jahweh verhoorde ons, en zag onze vernedering, ellende en verdrukking.
7And we cried unto the LORD, the God of our fathers, and the LORD heard our voice, and saw our affliction, and our toil, and our oppression.
8En Jahweh heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand en gespierde arm, onder grote verschrikking, onder tekenen en wonderen.
8And the LORD brought us forth out of Egypt with a mighty hand, and with an outstretched arm, and with great terribleness, and with signs, and with wonders.
9Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land geschonken, een land, dat druipt van melk en honing.
9And He hath brought us into this place, and hath given us this land, a land flowing with milk and honey.
10Zie, daarom breng ik hier de eerstelingen van de grond, die Gij, Jahweh, mij hebt geschonken. Dan moet ge de korf voor het aanschijn van Jahweh, uw God, laten staan, en na Jahweh, uw God, te hebben aanbeden,
10And now, behold, I have brought the first of the fruit of the land, which Thou, O LORD, hast given me.' And thou shalt set it down before the LORD thy God, and worship before the LORD thy God.
11vrolijk zijn met den leviet en den vreemdeling, die in uw midden woont, over al het goede, dat Jahweh, uw God, u en uw gezin heeft geschonken.
11And thou shalt rejoice in all the good which the LORD thy God hath given unto thee, and unto thy house, thou, and the Levite, and the stranger that is in the midst of thee.
12Wanneer gij in het derde jaar, het jaar van de tienden, de hele tiende van uw opbrengst hebt afgeleverd, en ze den leviet, den vreemdeling, den wees en de weduwe hebt gegeven, om ze in uw woonplaats te eten en zich te verzadigen,
12When thou hast made an end of tithing all the tithe of thine increase in the third year, which is the year of tithing, and hast given it unto the Levite, to the stranger, to the fatherless, and to the widow, that they may eat within thy gates, and be satisfied,
13dan moet gij getuigen voor het aanschijn van Jahweh, uw God: Ik heb de heilige gaven uit mijn huis gebracht, en ze den leviet, den vreemdeling, den wees en de weduwe gegeven, geheel overeenkomstig uw gebod, dat Gij mij hebt gegeven. Ik heb uw geboden niet overtreden of vergeten.
13then thou shalt say before the LORD thy God: 'I have put away the hallowed things out of my house, and also have given them unto the Levite, and unto the stranger, to the fatherless, and to the widow, according to all Thy commandment which Thou hast commanded me; I have not transgressed any of Thy commandments, neither have I forgotten them.
14Ik heb er niet van gegeten tijdens mijn rouw, er niets van weggebracht in staat van onreinheid, en er niets van aan een dode gegeven; ik ben gehoorzaam geweest aan Jahweh, mijn God, en heb alles gedaan, wat Gij mij hebt geboden.
14I have not eaten thereof in my mourning, neither have I put away thereof, being unclean, nor given thereof for the dead; I have hearkened to the voice of the LORD my God, I have done according to all that Thou hast commanded me.
15Zie neer uit de hemel, uw heilige woning, en zegen uw volk Israël en het land, dat Gij ons hebt gegeven, zoals Gij het aan onze vaders onder ede beloofd hebt, het land, dat druipt van melk en honing.
15Look forth from Thy holy habitation, from heaven, and bless Thy people Israel, and the land which Thou hast given us, as Thou didst swear unto our fathers, a land flowing with milk and honey.'
16Heden beveelt u Jahweh, uw God, al deze bepalingen en voorschriften te volbrengen; gij moet ze dus met heel uw hart en heel uw ziel getrouw onderhouden.
16This day the LORD thy God commandeth thee to do these statutes and ordinances; thou shalt therefore observe and do them with all thy heart, and with all thy soul.
17Gij hebt heden aan Jahweh laten betuigen, dat Hij uw God zal zijn, dat gij zijn wegen wilt bewandelen, zijn bepalingen. geboden en voorschriften onderhouden, en wilt luisteren naar zijn stem.
17Thou hast avouched the LORD this day to be thy God, and that thou wouldest walk in His ways, and keep His statutes, and His commandments, and His ordinances, and hearken unto His voice.
18En Jahweh heeft heden aan u laten betuigen, dat gij zijn volk en zijn eigendom zult zijn, zoals Hij het u heeft beloofd, zo gij al zijn geboden onderhoudt;
18And the LORD hath avouched thee this day to be His own treasure, as He hath promised thee, and that thou shouldest keep all His commandments;
19dat Hij u in eer, glorie en roem hoog boven alle volken zal verheffen, die Hij heeft gemaakt, en dat gij een volk zult zijn, dat aan Jahweh, uw God, blijft gewijd, zoals Hij beloofd heeft.
19and to make thee high above all nations that He hath made, in praise, and in name, and in glory; and that thou mayest be a holy people unto the LORD thy God, as He hath spoken.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.