Deuteronomium
Chapter 21
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Wanneer men in het land, dat Jahweh, uw God, u in bezit zal geven, een vermoorde in het veld vindt liggen, zonder dat men weet, wie hem heeft gedood,
1If one be found slain in the land which the LORD thy God giveth thee to possess it, lying in the field, and it be not known who hath smitten him;
2dan moeten uw oudsten en rechters de afstand naar de steden gaan opnemen, die in de omtrek van den vermoorde liggen.
2then thy elders and thy judges shall come forth, and they shall measure unto the cities which are round about him that is slain.
3En de oudsten van de stad, waar de vermoorde het dichtst bij ligt, moeten een jonge koe nemen, waarmee nog niet is gewerkt en die nog nooit in een juk heeft getrokken.
3And it shall be, that the city which is nearest unto the slain man, even the elders of that city shall take a heifer of the herd, which hath not been wrought with, and which hath not drawn in the yoke.
4De oudsten van die stad moeten de jonge koe naar een dal met altijd stromend water brengen, waar niet gewerkt of gezaaid wordt, en daar in het dal de jonge koe de nek breken.
4And the elders of that city shall bring down the heifer unto a rough valley, which may neither be plowed nor sown, and shall break the heifer's neck there in the valley.
5Dan moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren treden, want Jahweh, uw God, heeft hen uitverkoren, om zijn dienst te verrichten, in de naam van Jahweh te zegenen, en naar hun uitspraak elk geding over twist of mishandeling te beslechten.
5And the priests the sons of Levi shall come near — for them the LORD thy God hath chosen to minister unto Him, and to bless in the name of the LORD; and according to their word shall every controversy and every stroke be.
6Vervolgens moeten alle oudsten van die stad, waar de vermoorde het dichtst bij lag, hun handen wassen over de jonge koe, die in het dal de nek is gebroken,
6And all the elders of that city, who are nearest unto the slain man, shall wash their hands over the heifer whose neck was broken in the valley.
7en plechtig getuigen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien.
7And they shall speak and say: 'Our hands have not shed this blood, neither have our eyes seen it.
8Verzoen de schuld van uw volk, Israël, dat Gij, Jahweh, hebt vrijgekocht, en reken uw volk Israël geen onschuldig bloed aan! Zo zullen zij voor het bloed verzoening verkrijgen,
8Forgive, O LORD, Thy people Israel, whom Thou hast redeemed, and suffer not innocent blood to remain in the midst of Thy people Israel.' And the blood shall be forgiven them.
9en zal geen onschuldig bloed op u blijven rusten, omdat gij hebt gedaan, wat recht is in de ogen van Jahweh.
9So shalt thou put away the innocent blood from the midst of thee, when thou shalt do that which is right in the eyes of the LORD.
10Wanneer ge tegen uw vijanden ten strijde trekt, en Jahweh, uw God, levert ze aan u over en ge voert ze als krijgsgevangenen mee,
10When thou goest forth to battle against thine enemies, and the LORD thy God delivereth them into thy hands, and thou carriest them away captive,
11wanneer ge dan onder de krijgsgevangenen een mooie vrouw bemerkt, die ge tot echtgenote wenst te nemen,
11and seest among the captives a woman of goodly form, and thou hast a desire unto her, and wouldest take her to thee to wife;
12dan kunt ge haar uw huis binnenleiden. Zij moet haar hoofd kaal scheren, haar nagels knippen,
12then thou shalt bring her home to thy house; and she shall shave her head, and pare her nails;
13het kleed afleggen, waarin zij gevangen werd genomen, en een maand lang in uw huis blijven, om haar vader en moeder te bewenen. Daarna kunt gij gemeenschap met haar houden, haar huwen en zal zij uw vrouw zijn.
13and she shall put the raiment of her captivity from off her, and shall remain in thy house, and bewail her father and her mother a full month; and after that thou mayest go in unto her, and be her husband, and she shall be thy wife.
14Maar zo ze u later niet meer bevalt, moet ge haar vrij laten vertrekken en moogt ge haar niet voor geld verkopen, of als slavin behandelen, omdat ge haar bezeten hebt.
14And it shall be, if thou have no delight in her, then thou shalt let her go whither she will; but thou shalt not sell her at all for money, thou shalt not deal with her as a slave, because thou hast humbled her.
15Wanneer een man twee vrouwen heeft, van wie hij de een meer bemint dan de ander, en de beminde zowel als de mindergeliefde schenkt hem een zoon, maar de eerstgeborene is van de mindergeliefde,
15If a man have two wives, the one beloved, and the other hated, and they have borne him children, both the beloved and the hated; and if the first-born son be hers that was hated;
16dan mag hij, bij de verdeling van zijn erfenis onder zijn zonen, den zoon van de beminde niet het deel van den eerstgeborene geven ten koste van den zoon der mindergeliefde, die de eerstgeborene is.
16then it shall be, in the day that he causeth his sons to inherit that which he hath, that he may not make the son of the beloved the first-born before the son of the hated, who is the first-born;
17Hij moet den zoon van de mindergeliefde als eerstgeborene erkennen, door hem een dubbel aandeel te geven van al wat hij heeft; want hij is de eersteling van zijn mannelijke kracht, en hem komt het eerstgeboorterecht toe.
17but he shall acknowledge the first-born, the son of the hated, by giving him a double portion of all that he hath; for he is the first-fruits of his strength, the right of the first-born is his.
18Wanneer iemand een weerspannigen en onhandelbaren zoon heeft, die niet naar zijn vader en moeder wil luisteren, en ofschoon zij hem tuchtigen, hun toch niet gehoorzaamt,
18If a man have a stubborn and rebellious son, that will not hearken to the voice of his father, or the voice of his mother, and though they chasten him, will not hearken unto them;
19dan moeten zijn vader en moeder hem laten grijpen, hem naar de oudsten der stad en naar de poort van zijn woonplaats laten brengen,
19then shall his father and his mother lay hold on him, and bring him out unto the elders of his city, and unto the gate of his place;
20en tot de oudsten van zijn stad zeggen: Onze zoon is weerspannig en onhandelbaar; hij gehoorzaamt ons niet, maar is een losbol en dronkaard.
20and they shall say unto the elders of his city: 'This our son is stubborn and rebellious, he doth not hearken to our voice; he is a glutton, and a drunkard.'
21Dan moeten alle mannen van zijn stad hem doodstenigen. Zo zult ge dat kwaad uit uw midden verwijderen; want heel Israël zal het horen en vrezen.
21And all the men of his city shall stone him with stones, that he die; so shalt thou put away the evil from the midst of thee; and all Israel shall hear, and fear.
22Wanneer iemand een misdaad heeft begaan, waarop de doodstraf staat, en hij ter dood is gebracht en aan een paal is gehangen,
22And if a man have committed a sin worthy of death, and he be put to death, and thou hang him on a tree;
23dan moogt ge zijn lijk ‘s nachts niet aan de paal laten hangen, maar moet ge het dezelfde dag nog begraven. Want een gehangene is door Jahweh gevloekt, en gij moogt het land niet bezoedelen, dat Jahweh, uw God, u tot erfdeel schenkt.
23his body shall not remain all night upon the tree, but thou shalt surely bury him the same day; for he that is hanged is a reproach unto God; that thou defile not thy land which the LORD thy God giveth thee for an inheritance.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.