Deuteronomium 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Nu dan Israël, gehoorzaam aan de bepalingen en voorschriften, die ik ga leren en volbreng ze, opdat gij moogt leven en het land moogt binnengaan en bezitten, dat Jahweh, de God uwer vaderen, u wil schenken.
1And now, O Israel, hearken unto the statutes and unto the ordinances, which I teach you, to do them; that ye may live, and go in and possess the land which the LORD, the God of your fathers, giveth you.
2Gij moogt niets toevoegen aan wat ik u ga bevelen, noch er iets afdoen: maar gij moet de geboden van Jahweh, uw God, die ik u heden geef, onderhouden.
2Ye shall not add unto the word which I command you, neither shall ye diminish from it, that ye may keep the commandments of the LORD your God which I command you.
3Met eigen ogen hebt ge gezien, wat Jahweh gedaan heeft om Báal-Peor. Want iedereen, die Báal-Peor achterna liep, heeft Jahweh, uw God, uit uw midden verdelgd;
3Your eyes have seen what the LORD did in Baal-peor; for all the men that followed the Baal of Peor, the LORD thy God hath destroyed them from the midst of thee.
4maar gij, die trouw zijt gebleven aan Jahweh, uw God, zijt allen nog heden in leven.
4But ye that did cleave unto the LORD your God are alive every one of you this day.
5Ziet, ik leer u de bepalingen en voorschriften, zoals Jahweh, mijn God, mij heeft bevolen, om ze getrouw te volbrengen in het land, dat ge nu in bezit gaat nemen.
5Behold, I have taught you statutes and ordinances, even as the LORD my God commanded me, that ye should do so in the midst of the land whither ye go in to possess it.
6Onderhoudt ze dus en leeft ze na! Want daarin zal uw wijsheid en inzicht bestaan in de ogen der volken, die, als zij al die bepalingen horen, zullen zeggen: Waarachtig, een wijs en verstandig volk is deze machtige natie!
6Observe therefore and do them; for this is your wisdom and your understanding in the sight of the peoples, that, when they hear all these statutes, shall say: 'Surely this great nation is a wise and understanding people.'
7Want welke machtige natie heeft een god zo nabij als Jahweh, onze God, ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen;
7For what great nation is there, that hath God so nigh unto them, as the LORD our God is whensoever we call upon Him?
8en welke machtige natie heeft zulke rechtvaardige bepalingen en voorschriften, als heel deze Wet, die ik u heden geef!
8And what great nation is there, that hath statutes and ordinances so righteous as all this law, which I set before you this day?
9Waak dus met de grootste zorg, om niets te vergeten, van wat uw eigen ogen hebben aanschouwd; verlies het heel uw leven niet uit uw gedachten, maar prent het uw kinderen en kleinkinderen in.
9Only take heed to thyself, and keep thy soul diligently, lest thou forget the things which thine eyes saw, and lest they depart from thy heart all the days of thy life; but make them known unto thy children and thy children's children;
10Eens hebt gij op de Horeb voor het aanschijn van Jahweh, uw God, gestaan, terwijl Jahweh tot mij sprak: Verzamel het volk voor Mij; Ik zal hun mijn woorden doen horen, opdat zij leren mogen Mij te vrezen, zolang zij leven op aarde, en het ook hun zonen mogen leren.
10the day that thou stoodest before the LORD thy God in Horeb, when the LORD said unto me: 'Assemble Me the people, and I will make them hear My words that they may learn to fear Me all the days that they live upon the earth, and that they may teach their children.'
11Toen zijt gij naderbij gekomen, en aan de voet van de berg gaan staan. En terwijl de berg in vlammen stond, die oplaaiden tot in het hart van de hemel, en er een donkere wolk en diepe duisternis hing,
11And ye came near and stood under the mountain; and the mountain burned with fire unto the heart of heaven, with darkness, cloud, and thick darkness.
12sprak Jahweh tot u uit het vuur. Gij hebt toen de klank van woorden gehoord, alleen maar geluid, doch geen gedaante aanschouwd.
12And the LORD spoke unto you out of the midst of the fire; ye heard the voice of words, but ye saw no form; only a voice.
13Hij openbaarde u zijn Verbond, de tien geboden, die Hij u beval te volbrengen, en die Hij op twee stenen tafelen schreef.
13And He declared unto you His covenant, which He commanded you to perform, even the ten words; and He wrote them upon two tables of stone.
14En aan mij heeft Jahweh toen bevolen, u de bepalingen en voorschriften te leren, opdat gij ze zoudt volbrengen in het land, dat gij in bezit gaat nemen.
14And the LORD commanded me at that time to teach you statutes and ordinances, that ye might do them in the land whither ye go over to possess it.
15En omdat gij dus in het geheel geen gedaante aanschouwd hebt, toen Jahweh op de Horeb midden uit het vuur tot u sprak, daarom moet gij er u zorgvuldig voor wachten,
15Take ye therefore good heed unto yourselves — for ye saw no manner of form on the day that the LORD spoke unto you in Horeb out of the midst of the fire —
16misdadig een beeld van een afgod te maken, onder welke gedaante dan ook: in de vorm van een man of een vrouw,
16lest ye deal corruptly, and make you a graven image, even the form of any figure, the likeness of male or female,
17in de vorm van een of ander beest op aarde, in de vorm van gevleugelde dieren in de lucht,
17the likeness of any beast that is on the earth, the likeness of any winged fowl that flieth in the heaven,
18in de vorm van dieren, die over de aarde kruipen, in de vorm van vissen, die in het water onder de aarde leven.
18the likeness of any thing that creepeth on the ground, the likeness of any fish that is in the water under the earth;
19Wacht u er voor, uw blikken naar de hemel op te slaan en bij het zien van zon, maan en sterren, heel het heir van de hemel, u te laten verleiden, om hen te aanbidden en te dienen. Want Jahweh, uw God, heeft die aan alle volken onder heel de hemel overgelaten;
19and lest thou lift up thine eyes unto heaven, and when thou seest the sun and the moon and the stars, even all the host of heaven, thou be drawn away and worship them, and serve them, which the LORD thy God hath allotted unto all the peoples under the whole heaven.
20maar u heeft Jahweh uitverkoren en u uit Egypte, die smeltoven, geleid, om Hem tot een eigen volk te zijn, zoals thans het geval is.
20But you hath the LORD taken and brought forth out of the iron furnace, out of Egypt, to be unto Him a people of inheritance, as ye are this day.
21Daar Jahweh om uwentwil vergramd op mij was, heeft Hij gezworen, dat ik de Jordaan niet zal oversteken en het heerlijke land, dat Jahweh, uw God, u als erfdeel zal geven, niet zal binnengaan,
21Now the LORD was angered with me for your sakes, and swore that I should not go over the Jordan, and that I should not go in unto that good land, which the LORD thy God giveth thee for an inheritance;
22maar dat ik in dit land zal moeten sterven. Ik zelf zal dus de Jordaan niet overtrekken, maar gij zult er over gaan, en dit heerlijke land in bezit nemen.
22but I must die in this land, I must not go over the Jordan; but ye are to go over, and possess that good land.
23Dan moet ge u er voor hoeden, het Verbond te vergeten, dat Jahweh, uw God, met u sloot, en afgoden te maken, onder welke gedaante dan ook, wat Jahweh, uw God, u verboden heeft.
23Take heed unto yourselves, lest ye forget the covenant of the LORD your God, which He made with you, and make you a graven image, even the likeness of any thing which the LORD thy God hath forbidden thee.
24Want Jahweh, uw God, is een verterend vuur, een naijverige God.
24For the LORD thy God is a devouring fire, a jealous God.
25Maar wanneer gij kinderen en kleinkinderen zult hebben verwekt, en reeds lang zult zijn ingeburgerd in het land, dan zult gij misdadig afgoden maken onder een of andere gedaante, kwaad doen in de ogen van Jahweh, uw God, en Hem krenken.
25When thou shalt beget children, and children's children, and ye shall have been long in the land, and shall deal corruptly, and make a graven image, even the form of any thing, and shall do that which is evil in the sight of the LORD thy God, to provoke Him;
26Doch ik neem heden hemel en aarde tegen u tot getuigen, dat gij dan spoedig uit het land zult worden verdelgd, dat gij nu aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen. Dan zult gij daar niet lang blijven wonen, maar tot den laatsten man worden uitgeroeid.
26I call heaven and earth to witness against you this day, that ye shall soon utterly perish from off the land whereunto ye go over the Jordan to possess it; ye shall not prolong your days upon it, but shall utterly be destroyed.
27Dan zal Jahweh u onder de volken verstrooien, en slechts weinigen van u zullen overblijven onder de naties, waar Jahweh u heen drijft.
27And the LORD shall scatter you among the peoples, and ye shall be left few in number among the nations, whither the LORD shall lead you away.
28Daar zult gij goden kunnen dienen, door mensenhanden gemaakt, hout en steen, die zien noch horen, eten noch ruiken.
28And there ye shall serve gods, the work of men's hands, wood and stone, which neither see, nor hear, nor eat, nor smell.
29Maar zodra gij dan Jahweh, uw God, weer zult zoeken, zult gij Hem vinden, zo ge Hem zoekt met heel uw hart en heel uw ziel.
29But from thence ye will seek the LORD thy God; and thou shalt find Him, if thou search after Him with all thy heart and with all thy soul.
30Wanneer gij in benauwdheid zijt en dit alles u treft, zult gij u ten laatste bekeren tot Jahweh, uw God, en weer naar Hem luisteren.
30In thy distress, when all these things are come upon thee, in the end of days, thou wilt return to the LORD thy God, and hearken unto His voice;
31Want Jahweh, uw God, is een barmhartige God! Hij zal u verlaten noch verdelgen, en het Verbond niet vergeten, dat Hij uw vaderen bezworen heeft.
31for the LORD thy God is a merciful God; He will not fail thee, neither destroy thee, nor forget the covenant of thy fathers which He swore unto them.
32Ondervraag de oude tijden, die u vooraf zijn gegaan, sinds de dag, dat Jahweh den mens heeft geschapen op aarde; ondervraag het ene eind van de hemel tot het andere eind, of er ooit zo iets groots is geschied en ooit zo iets is gehoord;
32For ask now of the days past, which were before thee, since the day that God created man upon the earth, and from the one end of heaven unto the other, whether there hath been any such thing as this great thing is, or hath been heard like it?
33of ooit een volk de stem van een god heeft gehoord, die uit het vuur heeft gesproken, zoals gij hebt gehoord, en in leven bleef;
33Did ever a people hear the voice of God speaking out of the midst of the fire, as thou hast heard, and live?
34of ooit een god het heeft beproefd, midden uit een ander volk zich een volk te komen halen door rampen, tekenen, wonderen en oorlogen, met sterke hand, gespierde arm en onder grote verschrikkingen, zoals Jahweh, uw God, voor uw eigen ogen met u heeft gedaan in Egypte.
34Or hath God assayed to go and take Him a nation from the midst of another nation, by trials, by signs, and by wonders, and by war, and by a mighty hand, and by an outstretched arm, and by great terrors, according to all that the LORD your God did for you in Egypt before thine eyes?
35U is het getoond, opdat gij zoudt weten, dat Jahweh God is, en geen ander dan Hij.
35Unto thee it was shown, that thou mightiest know that the LORD, He is God; there is none else beside Him.
36Om u te onderrichten heeft Hij uit de hemel zijn stem laten horen en op de aarde u zijn machtig vuur laten zien, en hebt gij midden uit het vuur zijn woorden gehoord.
36Out of heaven He made thee to hear His voice, that He might instruct thee; and upon earth He made thee to see His great fire; and thou didst hear His words out of the midst of the fire.
37Omdat Hij uw vaderen heeft bemind en hun nageslacht heeft uitverkoren, omdat Hij u in eigen persoon met grote kracht uit Egypte heeft geleid,
37And because He loved thy fathers, and chose their seed after them, and brought thee out with His presence, with His great power, out of Egypt,
38om volken, groter en machtiger dan gij, voor u te verdrijven, u in hun land te geleiden en het u als erfdeel te schenken, zoals heden geschiedt:
38to drive out nations from before thee greater and mightier than thou, to bring thee in, to give thee their land for an inheritance, as it is this day;
39daarom moet gij heden erkennen en in uw hart prenten, dat Jahweh God is in de hemel daarboven en op aarde beneden, en anders geen.
39know this day, and lay it to thy heart, that the LORD, He is God in heaven above and upon the earth beneath; there is none else.
40Onderhoudt zijn bepalingen en geboden, die ik u heden ga geven, opdat het u en uw zonen na u goed moge gaan, en gij lang het land moogt bewonen, dat Jahweh, uw God, u voor altijd gaat schenken.
40And thou shalt keep His statutes, and His commandments, which I command thee this day, that it may go well with thee, and with thy children after thee, and that thou mayest prolong thy days upon the land, which the LORD thy God giveth thee, for ever.
41Toen zonderde Moses in het oosten, in het Overjordaanse, drie steden af,
41Then Moses separated three cities beyond the Jordan toward the sunrising;
42waarheen iemand zou kunnen vluchten, die zijn naaste zonder opzet had gedood, en zonder dat hij hem vroeger had gehaat, en waar hij in leven zou blijven als hij in een van die steden de wijk had genomen.
42that the manslayer might flee thither, that slayeth his neighbour unawares, and hated him not in time past; and that fleeing unto one of these cities he might live:
43Bij de Rubenieten Béser van de woestijn, in de vlakte, bij de Gadieten Ramot in Gilad, en bij de Manassieten Golan in Basjan.
43Bezer in the wilderness, in the table-land, for the Reubenites; and Ramoth in Gilead, for the Gadites; and Golan in Bashan, for the Manassites.
44Dit is de wet, die Moses de Israëlieten voorhield,
44And this is the law which Moses set before the children of Israel;
45en dit zijn de beschikkingen, bepalingen en voorschriften, die Moses aan de Israëlieten afkondigde, na hun uittocht uit Egypte.
45these are the testimonies, and the statutes, and the ordinances, which Moses spoke unto the children of Israel, when they came forth out of Egypt;
46Het geschiedde in het Overjordaanse, in de vallei tegenover Bet-Peor in het land van Sichon, den koning der Amorieten, die in Chesjbon woonde, nadat Moses en de Israëlieten, na hun uittocht uit Egypte, hem hadden verslagen,
46beyond the Jordan, in the valley over against Beth-peor, in the land of Sihon king of the Amorites, who dwelt at Heshbon, whom Moses and the children of Israel smote, when they came forth out of Egypt;
47en zijn land en dat van Og, den koning van Basjan, de beide koningen der Amorieten, die ten oosten in het Overjordaanse woonden, in bezit hadden genomen:
47and they took his land in possession, and the land of Og king of Bashan, the two kings of the Amorites, who were beyond the Jordan toward the sunrising;
48van Aroër af, dat aan de rand van het Arnon-dal ligt tot aan de berg Sirjon (dat is de Hermon)
48from Aroer, which is on the edge of the valley of Arnon, even unto mount Sion — the same is Hermon —
49met heel de Araba aan de oostelijke oever van de Jordaan tot aan de zee van de Araba aan de voet van de hellingen van de Pisga.
49and all the Arabah beyond the Jordan eastward, even unto the sea of the Arabah, under the slopes of Pisgah.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.