Deuteronomium
Chapter 32
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Hoort hemelen, want ik ga spreken, Luister, aarde, naar de woorden van mijn mond;
1Deem ouvidos, ó céus, e eu falarei. Que a terra ouça as palavras da minha boca.
2Mijn leerdicht strome neer als de regen, Mijn rede druppele als de dauw, Als neerslag op het jonge gras, Als een stortbui op het groene kruid.
2Minha doutrina gotejará como a chuva. Minha fala se condensará como o orvalho, como a garoa sobre a relva tenra, como as chuvas sobre a erva.
3Want Jahweh’s naam wil ik verkonden; Geeft eer aan onzen God!
3Pois eu proclamarei o nome do SENHOR. Atribuam grandeza ao nosso Deus!
4De Rots is Hij, volmaakt in zijn werken, Want al zijn wegen zijn gerecht; Een God van trouw en zonder bedrog, Rechtvaardig en gerecht is Hij.
4A Rocha: sua obra é perfeita, pois todos os seus caminhos são justos. Um Deus de fidelidade que não comete injustiça, justo e reto é ele.
5Maar zijn ontaarde zonen stonden tegen Hem op, Dat vals en bedorven geslacht!
5Eles agiram de forma corrupta para com ele. Eles não são seus filhos, por causa do seu defeito. Eles são uma geração perversa e tortuosa.
6Durft gij Jahweh zó vergelden, Gij dwaas en onverstandig volk? Is Hij niet uw vader, die u geschapen, Die u gemaakt heeft, en u heeft gegrond?
6É assim que vocês retribuem ao SENHOR, povo tolo e insensato? Não é ele o seu pai que os comprou? Ele os fez e os estabeleceu.
7Herinner u de dagen van weleer, Gedenk de jaren van vroegere geslachten; Vraag het uw vader, hij zal het u melden, Uw grijsaards, zij zullen het u zeggen:
7Lembrem-se dos dias da antiguidade. Considerem os anos de muitas gerações. Perguntem ao seu pai, e ele lhes mostrará; aos seus anciãos, e eles lhes dirão.
8Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfdeel gaf, En de kinderen der mensen scheidde, Toen stelde Hij de grenzen der volken vast, Naar het aantal der zonen Gods;
8Quando o Altíssimo deu às nações a sua herança, quando ele separou os filhos dos homens, ele estabeleceu os limites dos povos de acordo com o número dos filhos de Israel.
9Maar het deel van Jahweh was zijn volk, Jakob was zijn erfdeel,
9Pois a porção do SENHOR é o seu povo. Jacó é o lote da sua herança.
10Hij vond hem in een woestenij In de eenzaamheid, bij het huilen der steppe. Hij heeft hem met zorgen omringd, en vertroeteld, Als de appel van zijn oog hem bewaard;
10Ele o encontrou em uma terra deserta, no deserto desolado e uivante. Ele o cercou. Ele cuidou dele. Ele o guardou como a menina dos seus olhos.
11Als een adelaar, die zijn nest wil lokken, En boven zijn jongen blijft zweven, Zijn vleugels spreidt, en ze opneemt, Ze draagt op zijn wieken.
11Como uma águia que desperta o seu ninho, que paira sobre os seus filhotes, ele estendeu as suas asas, ele os tomou, ele os carregou sobre as suas penas.
12Alleen Jahweh heeft hem geleid, Geen vreemde god stond hem bij!
12Somente o SENHOR o guiou. Não havia nenhum deus estrangeiro com ele.
13Hij liet hem de toppen der aarde bestijgen, De vruchten eten van het veld, Hem honing zuigen uit een rots, En olie uit een harde steen.
13Ele o fez cavalgar sobre os lugares altos da terra. Ele comeu a colheita do campo. Ele o fez sugar mel da rocha, óleo da rocha de sílex;
14Van de room der runderen en de melk der schapen, Van het vet van lammeren en rammen, Van de stieren van Basjan, van de bokken En van het vette merg van graan, Van het druivenbloed, van de wijn, die ge dronkt, Zijt gij vet geworden, dik en gemest.
14manteiga do gado, e leite do rebanho, com a gordura de cordeiros, carneiros da raça de Basã, e bodes, com o trigo mais fino. Do sangue da uva, você bebeu vinho.
15Toen Jakob gegeten had, verzadigd was, Jesjoeroen vet was geworden, sloeg hij achteruit, En verwierp hij zijn God, die hem had geschapen; Versmaadde hij de Rots van zijn heil.
15Mas Jesurum engordou, e deu coices. Você engordou. Você ficou corpulento. Você ficou lustroso. Então ele abandonou a Deus que o fez, e rejeitou a Rocha da sua salvação.
16Zij prikkelden Hem met vreemde goden, Met hun gruwelen tartten zij Hem.
16Eles o provocaram a ciúmes com deuses estranhos. Eles o provocaram à ira com abominações.
17Zij offerden aan duivels, aan goden van niets, Goden, die zij nooit hadden gekend: Nieuwelingen, eerst onlangs gekomen, Voor wie uw vaderen nooit hadden gevreesd.
17Eles sacrificaram a demônios, não a Deus, a deuses que eles não conheciam, a novos deuses que surgiram recentemente, aos quais os seus pais não temeram.
18Maar de Rots, die u verwekte, hebt ge vergeten, Vergeten den God, die u baarde!
18Da Rocha que se tornou o seu pai, você se esqueceu, e se esqueceu de Deus que o gerou.
19God zag het, en verwierp Uit gramschap zijn zonen en dochters.
19O SENHOR viu e os abominou, por causa da provocação dos seus filhos e das suas filhas.
20Hij sprak: Ik zal voor hen mijn aanschijn verbergen, En wil zien, wat hun einde zal zijn; Want zij zijn een bedorven geslacht, Trouweloze kinderen!
20Ele disse: “Esconderei o meu rosto deles. Verei qual será o fim deles; pois eles são uma geração muito perversa, filhos em quem não há fidelidade.
21Zij hebben Mij geprikkeld door een god van niets, Mij door hun ijdelheden getart. Maar Ik zal hen prikkelen door een volk van niets, Hen tarten door een ijdel volk;
21Eles me provocaram a ciúmes com aquilo que não é Deus. Eles me provocaram à ira com as suas vaidades. Eu os provocarei a ciúmes com aqueles que não são povo. Eu os provocarei à ira com uma nação tola.
22Want een vuur is ontvlamd in mijn woede, Dat tot het diepst van het dodenrijk brandt! Het zal de aarde met haar gewassen verteren, De grondvesten der bergen verzengen.
22Pois um fogo se acendeu na minha ira, que queima até o mais profundo Seol, devora a terra com a sua colheita, e incendeia os fundamentos dos montes.
23Ik zal hen overstelpen met rampen, Mijn pijlen verschieten tegen hen;
23“Amontoarei males sobre eles. Gastarei as minhas flechas contra eles.
24Zij zullen uitgeput worden door honger, Verteerd door koorts en giftige pest. Tanden van wilde beesten laat Ik tegen hen los, Met venijn van serpenten in het stof;
24Eles serão consumidos pela fome, e devorados pelo calor ardente e pela destruição amarga. Enviarei os dentes de animais sobre eles, com o veneno de víboras que rastejam no pó.
25Buiten moordt het zwaard hen uit, De schrik binnenshuis: Jongemannen als maagden Zuigelingen met grijsaards.
25Lá fora a espada os privará de filhos, e nos aposentos, haverá terror tanto para o jovem quanto para a virgem, para o bebê de peito junto com o homem de cabelos grisalhos.
26Ik had zeker gezegd: Ik vaag ze weg, Laat zelfs hun gedachtenis onder de mensen verdwijnen,
26Eu disse que os espalharia para longe. Eu faria a memória deles cessar dentre os homens;
27Zo Ik de hoon van den vijand niet vreesde, Hun tegenstanders het niet verkeerd zouden verstaan, En zouden zeggen: Het was onze machtige hand, Niet Jahweh heeft dit alles gedaan!
27se não fosse que eu temia a provocação do inimigo, para que os seus adversários não julgassem mal, para que não dissessem: ‘Nossa mão está exaltada; o SENHOR não fez tudo isso.’”
28Want ze zijn een volk, dat het begrip heeft verloren, En zonder verstand;
28Pois eles são uma nação desprovida de conselho. Não há entendimento neles.
29Waren ze wijs, ze zouden het hebben begrepen, En hun krijgsgeluk hebben verstaan.
29Ah, se eles fossem sábios, se entendessem isso, se considerassem o seu fim!
30Hoe toch zou één er duizend hebben vervolgd, En twee er tienduizend op de vlucht kunnen jagen, Zo hun Rots ze niet had prijsgegeven? En Jahweh ze niet had overgeleverd?
30Como poderia um só perseguir mil, e dois colocarem dez mil em fuga, a não ser que a sua Rocha os tivesse vendido, e o SENHOR os tivesse entregado?
31Want niet als onze Rots is de hunne: Dat erkennen onze vijanden zelf!
31Pois a rocha deles não é como a nossa Rocha, como os nossos próprios inimigos reconhecem.
32Neen, van Sodoma’s wijnstok stammen hun ranken, En van Gomorra’s wingerd: Hun druiven zijn giftige bessen, Hun trossen vol bitterheid.
32Pois a videira deles é da videira de Sodoma, dos campos de Gomorra. As suas uvas são uvas venenosas. Os seus cachos são amargos.
33Drakengif is hun wijn, Dodelijk addervenijn.
33O seu vinho é o veneno de serpentes, o veneno cruel de áspides.
34Ligt dat niet bij Mij bewaard In mijn schatkamers verzegeld
34“Isso não está guardado comigo, selado entre os meus tesouros?
35Voor de dag van wraak en vergelding, Voor de tijd, dat hun voeten wankelen? Want nabij is de dag van hun ondergang, Wat hun bereid is, snelt toe!
35A vingança é minha, e a recompensa, no tempo em que o pé deles escorregar, pois o dia da sua calamidade está próximo. A sua ruína se apressa sobre eles.”
36Want Jahweh schaft recht aan zijn volk En ontfermt zich over zijn dienaars, Wanneer Hij ziet dat hun kracht is geweken, En er geen slaaf en geen vrije meer is.
36Pois o SENHOR julgará o seu povo, e terá compaixão dos seus servos, quando ele vir que o poder deles se foi, que não há ninguém restando, preso ou solto.
37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn nu hun goden, De rots, tot wie zij hun toevlucht namen:
37Ele dirá: “Onde estão os seus deuses, a rocha na qual eles se refugiaram,
38Die het vet van hun slachtoffers aten, En de wijn van hun plengoffers dronken? Laat hen opstaan en u helpen, Een schutse voor u zijn!
38que comiam a gordura dos seus sacrifícios, e bebiam o vinho da sua oferta de libação? Que eles se levantem e os ajudem! Que eles sejam a sua proteção.
39Ziet nu, dat Ik, Ik het ben, En dat er geen God naast Mij is: Ik dood en maak levend, verbrijzel en heel! En er is niemand, die redt uit mijn hand!
39“Vejam agora que eu mesmo sou ele. Não há deus comigo. Eu mato e eu faço viver. Eu firo e eu curo. Não há ninguém que possa livrar da minha mão.
40Waarachtig, Ik hef mijn hand naar de hemel, En zeg: Zowaar Ik eeuwig leef!
40Pois eu levanto a minha mão aos céus e declaro, tão certo como eu vivo para sempre,
41Wanneer Ik mijn bliksemend zwaard heb gewet, En mijn hand naar het strafgericht grijpt, Zal Ik mij wreken op mijn vijand, En die Mij haten, doen boeten.
41se eu afiar a minha espada reluzente, e a minha mão a empunhar em julgamento; eu me vingarei dos meus adversários, e retribuirei àqueles que me odeiam.
42Dan maak Ik mijn pijlen dronken van bloed, En mijn zwaard zal vlees verslinden: Van het bloed der verslagenen en gevangenen, Van het hoofd der vijandelijke vorsten.
42Embriagarei as minhas flechas com sangue. A minha espada devorará carne com o sangue dos mortos e dos cativos, desde a cabeça dos líderes do inimigo.”
43Stemt, naties, een jubelzang aan voor zijn volk, Omdat Hij het bloed van zijn dienaren wreekt, Wraak aan zijn vijanden oefent Maar het land van zijn volk vergiffenis schenkt!
43Alegrem-se, ó nações, com o seu povo, pois ele vingará o sangue dos seus servos. Ele se vingará dos seus adversários, e fará expiação pela sua terra e pelo seu povo.
44Zo trad Moses met Josuë, den zoon van Noen, naar voren, en zong al de woorden van dit lied ten aanhoren van het volk.
44Moisés veio e falou todas as palavras deste cântico aos ouvidos do povo, ele e Josué, filho de Num.
45En toen Moses al deze woorden ten einde toe voor heel Israël had gesproken,
45Moisés terminou de recitar todas estas palavras a todo o Israel.
46zeide hij hun: Neemt al de vermaningen, die ik u heden heb ingeprent, ter harte, en beveelt uw zonen, al de woorden van deze Wet nauwgezet te volbrengen.
46Ele lhes disse: “Apliquem o seu coração a todas as palavras que hoje testifico a vocês, as quais vocês ordenarão aos seus filhos que observem e cumpram, todas as palavras desta lei.
47Want het is geen ijdel woord voor u, maar het betekent uw leven; slechts door dit woord zult ge lang in het land kunnen wonen, dat ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen.
47Pois não é uma coisa vã para vocês, porque é a sua vida, e por meio disso vocês prolongarão os seus dias na terra, para onde estão atravessando o Jordão para possuí-la.”
48Nog op diezelfde dag sprak Jahweh tot Moses:
48O SENHOR falou a Moisés naquele mesmo dia, dizendo:
49Bestijg hier het gebergte Abarim, de berg Nebo in het land Moab en tegenover Jericho, en werp een blik over het land Kanaän, dat Ik aan de kinderen Israëls in eigendom ga geven.
49“Suba a esta montanha de Abarim, ao Monte Nebo, que está na terra de Moabe, em frente a Jericó; e veja a terra de Canaã, que eu dou aos filhos de Israel como propriedade.
50Dan zult ge op de berg, die ge bestijgt, sterven en verzameld worden bij uw volk, zoals uw broeder Aäron op de berg Hor is gestorven en bij zijn volk is verzameld.
50Morra na montanha para onde você subir, e seja reunido ao seu povo, assim como Arão, seu irmão, morreu no Monte Hor, e foi reunido ao seu povo;
51Want gij beiden zijt Mij ontrouw geweest te midden van Israëls kinderen bij het water van Meribat-Kadesj in de woestijn van Sin, en hebt Mij niet als heilig behandeld te midden van Israëls kinderen.
51porque vocês transgrediram contra mim no meio dos filhos de Israel nas águas de Meribá de Cades, no deserto de Zim; porque vocês não sustentaram a minha santidade no meio dos filhos de Israel.
52Gij zult het land, dat Ik aan Israëls kinderen zal geven, voor u zien liggen, maar het niet binnengaan.
52Pois você verá a terra de longe; mas você não entrará lá, na terra que eu dou aos filhos de Israel.”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.