Rechters
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu was Jefte van Gilad zeker een dapper man; maar hij was de zoon van een ongehuwde vrouw, bij wie Gilad Jefte had verwekt.
1Галаадїй Ефтай був чоловік хоробрий; він родився од блудницї; в Галаадї родився Ефтай.
2Ook de vrouw van Gilad had hem zonen gebaard, en toen haar zonen groot waren geworden, hadden zij Jefte verjaagd. Ze hadden gezegd: Gij zult niet erven in het huis van onzen vader; want gij zijt de zoon van een andere vrouw.
2І як жона Галаадова народила йому сини, а сини її повиростали, прогнали вони Ефтая і сказали йому: Тобі в нашій родинї нема наслїддя з нами: бо ти син другої жінки.
3Daarom was Jefte voor zijn broers gevlucht, en had hij zich in het land Tob gevestigd. Lieden, die niets te verliezen hadden, hadden zich bij Jefte gevoegd, en trokken er met hem op uit.
3От і зник Ефтай од братів своїх, і пробував у землї Тоб: і зібрались там круг Ефтая волокити та й ходили за ним.
4Toen nu enige tijd later de Ammonieten Israël de oorlog aandeden,
4Після якогось часу розпочали Аммонїї війну з Ізраїлем.
5en de Ammonieten reeds met de Israëlieten streden, gingen de oudsten van Gilad Jefte halen uit het land Tob.
5Як же розпочали Аммонїї з Ізраїлем війну, пійшла старшина Галаадська, щоб узяти Ефтая з Тоб-землї.
6Ze zeiden tot Jefte: Kom, en wees onze aanvoerder in onze strijd met de Ammonieten.
6І мовляли вони до Ефтая: Іди до нас та й гетьмануй над нами, й будемо воювати з Аммонїями.
7Maar Jefte zei tot de oudsten van Gilad: Zijt gij het soms niet, die me hatelijk hebt weggejaagd uit het huis van mijn vader? Waarom komt ge dan nú naar mij toe, nu ge in nood verkeert?
7Відказує Ефтай начальникам Галаадським: Хиба ж то не ви зворогували на мене і прогнали з моєї родини?
8De oudsten van Gilad gaven Jefte ten antwoord: Laat dat nu maar; we keren nu immers tot u terug. Ge moet met ons mee gaan, om tegen de Ammonieten te strijden; dan zult ge aan het hoofd van alle bewoners van Gilad komen staan.
8Старшина ж Галаадська промовила до Ефтая: Тому ж то тепер ми й прийшли до тебе, й коли пійдеш з нами та воювати меш із Аммонїями, так будеш головою над нами, над усїма осадниками Галаадськими.
9Toen zei Jefte tot de oudsten van Gilad: Wanneer ge mij terug wilt hebben om de Ammonieten te bestrijden, en Jahweh ze voor mij op de vlucht slaat, zal ik dan werkelijk aan uw hoofd komen staan?
9І відказав Ефтай старшинї Галаадській: Коли мене вернете, щоб воював я Аммонїїв і Господь віддасть їх у мої руки, то чи справдї буду я в вас головою?
10De oudsten van Gilad verzekerden het Jefte: Jahweh zal tussen ons richten, zo we niet volgens uw woord zullen handelen.
10І відказали Галаадські начальники Ефтайові: Нехай буде Господь сьвідком між нами, що ми так вчинимо, як ти оце сказав.
11Nu ging Jefte met de oudsten van Gilad mee, en het volk stelde hem tot hun hoofd en aanvoerder aan. Het was voor het aanschijn van Jahweh te Mispa, dat Jefte al deze woorden sprak.
11Пійшов тодї Ефтай з старшиною Галаадською, і настановив його народ головою й гетьманом над собою, й принїс Ефтай усї свої бажання перед Господа в Массифі.
12Nu zond Jefte boden naar den koning der Ammonieten met de vraag: Wat hebben we toch met elkander, dat gij mij in mijn land komt bestrijden?
12І послав Ефтай посли до царя Аммонїйського з таким наказом: Що тобі до мене, що наступаєш на мене, щоб мою землю пустошити війною?
13De koning der Ammonieten antwoordde aan de boden van Jefte: Wel, toen Israël optrok uit Egypte, heeft het bezit genomen van mijn land, van de Arnon af tot de Jabbok en de Jordaan; geef het mij dus maar vreedzaam terug.
13І відказав царь Аммонїйський послам Ефтайовим: Ізраїль, ідучи з Египту, відняв у мене землю від Арнону до Ябоку й до Йорданї, так верни її тепер подобру.
14Opnieuw zond Jefte boden tot den koning der Ammonieten,
14І послав Ефтай удруге посли до царя Аммонїйського,
15en liet hem zeggen: Zo spreekt Jefte! Israël heeft noch het land van Moab, noch dat van Ammon zich toegeëigend.
15І наказав їм промовити: От що каже Ефтай: Ізраїль не відіймав у Моабіїв та в Аммонїїв їх землї;
16Want bij zijn uittocht uit Egypte trok Israël de woestijn door tot aan de Rode Zee. En te Kadesj gekomen,
16А як ійшов із Египту, і дійшов степом до Червоного моря, й прийшов у Кадес,
17zond Israël boden naar den koning van Edom met het verzoek: “Ik zou graag door uw land trekken”. Maar de koning van Edom gaf geen toestemming. Insgelijks zond het boden naar den koning van Moab; maar ook deze wilde niet. En zo bleef Israël te Kadesj.
17Дак вислав посли до царя Едомського з просьбою: дозволь менї перейти через твою землю! Та царь Едомський не вволив його волї. Так само послано було й до царя Моабійського, та не схотїв і той; тож пробував Ізраїль у Кадесї,
18Daarna ging het de woestijn door, en trok om het land van Edom en het land van Moab heen. Ten oosten van het land van Moab gekomen, legerden ze zich aan de overzijde van de Arnon, en kwamen dus het gebied van Moab niet binnen, daar de Arnon de grens van Moab was.
18І йшов собі пустинею, обійшов землю Едом і землю Моаб, і дійшов сим робом до займища на востоцї від Моабу, й таборували вони по тім боцї Арнону та й не ступили ступнем на Моабове займище: Арнон бо становить гряницю Моабську.
19Vervolgens zond Israël boden naar Sichon, den Amorieten-koning, die in Chesjbon regeerde, en Israël zeide hem: “Ik zou graag door uw land naar de plaats van mijn bestemming gaan”.
19І послав Ізраїль посли до Аморійського царя, Сигона, у Гесбон; і звелїв Ізраїль сказати йому: дозволь нам пройти через твою землю!
20Ook Sichon wilde Israël niet door zijn gebied laten trekken, doch Sichon verzamelde al zijn volk, dat zich te Jáhas legerde, en bond de strijd met Israël aan.
20Сигон же не згодився пустити Ізраїля через своє займище, а скупив до купи ввесь народ свій, отаборивсь під Яазою та й ударив на Ізраїля.
21Maar Jahweh, de God van Israël, leverde Sichon en heel zijn volk in de hand van de Israëlieten, die hen versloegen; en Israël nam bezit van heel het land der Amorieten, die deze streek bewoonden.
21І Господь, Бог Ізраїльський, подав Сигона й увесь люд його на поталу Ізраїлеві, і він побив їх, і одержав Ізраїль в наслїддє всю землю Аморія, що жив у нїй;
22Zij bezetten dus het gehele land der Amorieten, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan.
22Сим робом одержали вони все займище Аморійське від Арнону до Ябоку, й від пустинї до Йорданї.
23En nu Jahweh, Israëls God, de Amorieten voor zijn volk Israël heeft uitgedreven, zoudt gij ons nu willen verjagen?
23Оце ж прогнав Господь, Бог Ізрайлів, Аморіїв перед своїм людом Ізраїлем, а ти хочеш увійти в його державу?
24Bezit gij zelf niet wat Kemosj, uw God, heeft veroverd; en zouden wij dan niet heel het land mogen bezitten, waarvan Jahweh, onze God, de bewoners voor ons heeft uitgedreven?
24Хиба ж ти не вживаєш те, що дав тобі Хамос, бог твій? Тож і ми ужиткуємо все те, що Господь, Бог наш, дав нам в наслїдню державу.
25Zijt gij soms meer dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Heeft hij soms met Israël twist gezocht, heeft hij hen bestreden?
25Або хиба ти луччий за Балака Зипоренка, царя Моабського? Чи ж він судивсь із Ізраїлем або воювавсь із ним?
26Wanneer Israël nu al drie honderd jaar te Chesjbon en Aroër en beider onderhorige plaatsen en in alle steden langs de Arnon heeft gewoond, waarom hebt ge die dan al die tijd niet bevrijd?
26Уже триста год, як осївсь Ізраїль у Гесбонї і в займищах його, ув Ароері і по всїх його городах, по обох боках Арнону: чом же ви за ввесь той час не віднїмали їх?
27Ik heb dus tegenover u niets misdaan; maar gij doet mij onrecht aan, door tegen mij te strijden. Moge Jahweh, de Rechter, heden oordelen tussen de zonen van Israël en Ammon!
27Не заподїяв я тобі нїякого лиха, а ти кривдиш мене вриваючись до мене. Нехай Господь, суддя, судить між Ізраїлем і Аммонїями.
28Maar de koning der Ammonieten wilde niet luisteren naar wat Jefte hem had doen zeggen.
28Та царь Аммонїйський не вважав на слова, що переказав йому послами Ефтай.
29Nu werd over Jefte de geest van Jahweh vaardig. Hij doorkruiste Gilad en Manasse, trok naar Mispa in Gilad, en rukte vandaar tegen de Ammonieten op.
29Тодї найшов на Ефтая дух Господень, і він перейшов Галаад і Манассію, і перейшов через Массифу Галаадську, а з Массифи Галаадської двинув проти Аммонїїв.
30En Jefte legde deze gelofte voor Jahweh af: Zo Gij de Ammonieten in mijn hand levert,
30І обрік Ефтай себе таким обітом: Коли ти справдї подаси Аммонїїв менї на поталу,
31zal de eerste, die mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, wanneer ik in vrede van de Ammonieten terugkeer, aan Jahweh toebehoren; als brandoffer draag ik hem op.
31Тодї, хто б нї вийшов із дверей моєї господи зустріч мене, як я в мирі вернуся від Аммонїїв, нехай той буде Господеві, й я принесу його на всепаленнє.
32Toen Jefte dan tegen de Ammonieten optrok, om ze te bestrijden, gaf Jahweh ze in zijn hand.
32І двинув Ефтай проти Аммонїїв воювати з ними, і подав Господь їх на поталу йому.
33Hij versloeg ze van Aroër tot Minnit, en moordde twintig steden uit, tot Abel-Keramin toe; het was een geweldige overwinning. Zo werden de Ammonieten voor de Israëlieten vernederd.
33І побив він їх страшенно, від Ароера до Минита двайцять міст, і аж до Абель-Керамиму, й впокорились Аммонїї перед синами Ізрайлевими.
34Toen Jefte daarop te Mispa thuiskwam, trad zijn dochter naar buiten, om met tamboerijnen en reidansen hem tegemoet te gaan. Zij was zijn enig kind; buiten haar had hij zoon noch dochter.
34Як же прийшов Ефтай в Массифу додому, аж виходить зустріч йому дочка його з музиками й танцями. Була вона в його дитина єдина; опріч неї не було нї сина, нї дочки.
35Zodra hij haar zag, scheurde hij zijn kleren, en riep uit: Ach mijn dochter, ge geeft me de slag; gij stort me in het ongeluk! Ik heb mijn mond voor Jahweh geopend, en kan niet meer terug.
35Побачивши він її, розідрав одежу на собі й промовив: Ой доненько ж моя! як ти пригнула мене к земли! Ти ж то й занапастила мій супокій! Однакож відтворив я уста мої перед Господом, то й не візьму того назад.
36Ze zeide tot hem: Vader, zo ge uw mond hebt geopend voor Jahweh, handel dan met mij volgens uw gelofte, nu Jahweh u wraak heeft doen nemen over de Ammonieten, uw vijanden.
36Вона відказала йому: Батеньку мій! коли ти одверз уста твої перед Господом, дак чини зо мною так, як промовив єси. Дав же таки тобі Господь помститись над ворогами твоїми Аммонїями.
37Toch zeide ze nog tot haar vader: Sta me dit slechts toe; laat me twee maanden vrij, om rond te dwalen op de bergen, en met mijn vriendinnen mijn maagdelijkheid te bewenen.
37Просила тільки панотця свого: Дай менї ще два місяцї пожити: пійду я в гори та оплачу моє дївоцтво з подругами моїми.
38Hij antwoordde: Ga maar! En hij liet haar twee maanden vrij. Ze ging heen met haar vriendinnen, en beweende haar maagdelijkheid in het gebergte.
38Він відказав: Ійди! І пустив її на два місяцї. І пійшла вона з подругами своїми та й оплакувала в горах дївоцтво своє.
39En toen zij aan het einde der twee maanden naar haar vader terugkeerde, voltrok hij aan haar de gelofte, die hij had afgelegd. Ze heeft dus geen man gehad. En het werd een gewoonte in Israël,
39Як уплило ж два місяцї, вернулась вона до панотця свого, й він справдив на їй обіт свій, що ним обрік себе, і вона не взнала мужа. І ввійшло в звичай в Ізраїлї,
40dat de israëlietische meisjes jaarlijks gedurende vier dagen de dochter van Jefte, den Giladiet, gingen bewenen.
40Що з року в рік ходили Ізраїлські дївчата голосити по дочцї Ефтая Галаадянина, через чотири днї в роцї.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.